← België

Arrest 147130 - - 30/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.130 Rolnummer: A. 85686/XII-4144 Zaak: Arrest 147130 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 20:35 Fiche Arrest nr 147.130 van 30 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.130 van 30 juni 2005 in de zaak A. 85.686/XII-

  1. In zake :
  2. de STAD BERINGEN,
  3. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BERINGEN, die woonplaats kiezen bij advocaat M. De Zutter, kantoor houdende te Beringen, Koerselsesteenweg 57 tegen : het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Beringen en het OCMW van Beringen op 24 juli 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van de Vlaamse regering van 11 mei 1999 [...] waarbij de Vlaamse regering meedeelt dat zij beslist heeft ‘het decreet Sociaal Impulsfonds ongewijzigd verder te zetten...’ en verder stelt dat: ‘De criteria van sociale achterstelling (art. 6§1 van het decreet) die bepalend zijn voor de verdeling van de trekkingsrechten en de definiëring van de Sif+gemeenten werden geactualiseerd. Uw gemeente behoort voor de periode 2000-2002 tot de waarborggemeenten...’”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2005; XII-4144-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. De Zutter, die verschijnt voor verzoekende partijen, en van advocaat V. Schippers, die loco advocaat W. Muls verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat op 14 mei 1996 het Vlaamse parlement een decreet tot vaststelling van de regelen inzake de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds aanneemt; dat het in artikel 3 een Sociaal Impulsfonds instelt teneinde het gemeentelijk beleid inzake het herstel van de leef- en omgevings- kwaliteit van de achtergestelde buurten en de steden te ondersteunen, evenals het gemeentelijk beleid inzake de bestrijding van de kansarmoede en de bevordering van het welzijn; dat de middelen van het Sociaal Impulsfonds aan de gemeenten worden toegekend in de vorm van trekkingsrechten, vastgesteld aan de hand van criteria die gebaseerd zijn op de achterstelling; dat één van die criteria is : “het aantal weduwen, wezen, invaliden en gepensioneerden die minder inkomsten hebben dan het laagste werknemerspensioen” (artikel 6, § 1, 4/); Overwegende dat artikel 8 van het decreet de gemeenten in ieder geval een minimaal trekkingsrecht waarborgt; dat sommige gemeenten, SIF+- gemeenten genoemd, bovenop het gewaarborgd gemeentelijk trekkingsrecht extra- geldmiddelen ontvangen; dat het gaat om gemeenten die, overeenkomstig artikel 6, § 5, op de eerder vermelde criteria samen tenminste 50 punten behalen; dat genoemd artikel 6, § 5, nog voorschrijft dat deze gemeenten op een lijst worden opgenomen, dat de lijst een eerste keer in 1996 wordt samengesteld en dat de lijst een eerste keer in 1999 wordt geactualiseerd, en nadien om de drie jaar, “op basis van de meest recente en beschikbare gegevens die ter beschikking zijn op 1 januari van het jaar van de actualisatie”; Overwegende dat de stad Beringen in 1996 niet in de lijst van de SIF+-gemeenten wordt opgenomen, maar als een waarborggemeente wordt aangemerkt; dat het niet anders is in 1999; dat met een brief van 25 mei 1999 de XII-4144-2/6 Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn en de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting immers meedelen wat volgt : “Op 11 mei 1999 besliste de Vlaamse regering het decreet Sociaal Impulsfonds ongewijzigd verder te zetten. Dit betekent dat de lokale besturen voor de volgende drie jaren (2000-2002) een nieuw SIF-beleidsplan moeten opstellen. De criteria van sociale achterstelling (art. 6§1 van het decreet) die bepalend zijn voor de verdeling van de trekkingsrechten en de definiëring van de SIF+gemeenten werden geactualiseerd. Uw gemeente behoort voor de periode 2000-2002 tot de waarborggemeenten. De raming van uw trekkingsrecht 2000 vindt u op de lijst in bijlage. Het betreft hier een raming van de index op basis van een trendanalyse. Voor de eigenlijke indexering moet eerst het indexcijfer van maart 2000 bekend zijn”; Overwegende dat de daaruit blijkende beslissing van 11 mei 1999 van de Vlaamse regering om Beringen voor de periode 2000-2002 als een waarborggemeente te beschouwen, en dus niet op de lijst van de SIF+-gemeenten te plaatsen, het voorwerp van het huidige beroep is; Overwegende dat verzoekende partijen in een eerste middel de schending van artikel 6, § 5, eerste lid, van het decreet van 14 mei 1996 aanvoeren; dat zij onder meer toelichten dat de actualisatie diende te gebeuren met de meest recente cijfers bekend op 1 januari 1999, maar dat verwerende partij geweigerd heeft de beschikbare recente gegevens te raadplegen en te gebruiken, dat verwerende partij vertrekt van een inwoneraantal van 37.881, terwijl dit aantal op 1 januari 1998 38.666 bedroeg, dat men ook beschikt over cijfers met betrekking tot het aantal weduwen, invaliden, gepensioneerden en wezen op 1 januari 1998; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat zij wel degelijk rekening heeft gehouden met een inwoneraantal van 38.666 voor Beringen; dat zij in de laatste memorie nog doet gelden : “Dit middel wordt door de met het onderzoek belaste auditeur gegrond bevonden in zoverre de Vlaamse Regering voor het bepalen van het aantal WIGW’s werkte met de cijfers betreffende de toestand op 01.01.1997, terwijl er cijfers beschikbaar geweest zouden zijn van de toestand op 01.01.1998, hoewel de samenstelling van de categorie van de WIGW’s gewijzigd/uitgebreid was door het KB van 16 april 1997 (B.S. 30 april 1997 - met ingang van 1.7.1997). De uitbreiding van de samenstelling van de categorie van de WIGW’s en de invloed daarvan op het SIF-decreet, werd binnen de Vlaamse Regering uiteraard besproken. XII-4144-3/6 Deze uitbreiding van de WIGW categorieën, waaronder het dubbel gebruik bestaansminimumgerechtigden (zie ook 2/ criterium), zou vanzelfsprekend een invloed hebben op de toepassing van het SIF-decreet. Terecht werd dan ook de vraag gesteld of het SIF-decreet niet aangepast diende te worden. Aangezien dit echter niet op enkele weken tijd kon gebeuren, werd gekozen voor een voorlopige oplossing, maar één die alleszins duidelijk is : het werken met de WIGW-cijfers op 01.01.
  4. Gelet op de moeilijkheden die de toepassing van het KB van 16 april 1997 met zich meebracht voor het SIF-decreet, is deze keuze van de Vlaamse Regering alleszins niet onredelijk”; Overwegende dat naar eis van de in het middel aangevoerde decreetsbepaling, de actualisatie van de lijsten van de SIF+-gemeenten moet gebeuren op basis van de meest recente en beschikbare gegevens die ter beschikking zijn op 1 januari van het jaar van de actualisatie; Overwegende dat verzoekende partijen stellen dat in het geval van Beringen rekening moest worden gehouden met een totaal aantal inwoners op 1 januari 1998 van 38.666; dat stuk 3 van het administratief dossier uitwijst dat dit ook effectief is gebeurd; Overwegende dat hetzelfde stuk echter ook aangeeft dat wat het aantal weduwen, wezen, invaliden en gepensioneerden betreft die minder inkomsten hebben dan het laagste werknemerspensioen, “is gewerkt met de cijfers van 1/1/97”; dat de reden daarvoor is : “Deze cijfers zijn de laatste in de reeks op basis van de wetgeving van voor april
  5. Sinds de wetswijziging en de nieuwe categorieën die eruit zijn voortgevloeid, moet een nieuwe reeks opgebouwd worden. Omwille van vergelijkbaarheid met de WIGW-definitie van het decreet op het sociaal impulsfonds is het aangewezen de cijfers van 1/1/1997 te gebruiken”; Overwegende dat, als gezien, één van de maatstaven van sociale achterstelling waarmee bij de vaststelling en verdeling van de trekkingsrechten rekening wordt gehouden, die van het artikel 6, § 1, 4/, van het decreet van 14 mei 1996 is: “het aantal weduwen, wezen, invaliden en gepensioneerden die minder inkomsten hebben dan het laagste werknemerspensioen”, de zogenaamde WIGW’s; dat betrokkenen recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging; dat dit recht op een verhoogde verzekerings- tegemoetkoming bij koninklijk besluit van 16 april 1997 met ingang van 1 juli 1997 is uitgebreid tot verschillende andere categorieën van personen; dat het, naar XII-4144-4/6 verwerende partij in de laatste memorie meedeelt, bij haar de vraag heeft doen rijzen “of het SIF-decreet niet aangepast diende te worden”; dat die vraag echter zonder gevolg is gebleven; dat het criterium van artikel 6, § 1, 4/, ongewijzigd is behouden, tot aan de opheffing, vanaf 1 januari 2003, van het decreet van 14 mei 1996 van de regelen inzake de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds door artikel 20, 4/, van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds; Overwegende dat niet blijkt, noch zelfs maar beweerd wordt, dat er op 1 januari 1999 met betrekking tot het aantal WIGW’s geen recentere gegevens beschikbaar waren dan de gegevens die verwerende partij in aanmerking heeft genomen; dat het weliswaar best mogelijk is dat er toen nog geen gegevens voorhanden waren betreffende de nieuwe categorieën rechthebbenden waartoe het voormelde koninklijk besluit van 16 april 1997 de verhoogde verzekerings- tegemoetkoming inzake de ziektekosten heeft uitgebreid; dat het evenwel, aangezien het artikel 6, § 1, 4/, niet werd aangepast, zonder relevantie is; Overwegende dat het criterium van artikel 6, § 1, 4/, niet naar behoren werd geactualiseerd; dat nochtans mag worden aangenomen, met de verzoekende partijen, ter zake door verwerende partij niet tegengesproken, dat het “verschil om al dan niet tot SIF+ gemeente te behoren [...] voor Beringen [ligt] in het al dan niet scoren op het criteria van de WIGW’s”; Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verwerende partij meent, het niet volstaat zich af te vragen of het decreet al dan niet moet worden aan-gepast, om dan finaal te mogen afzien én van de aanpassing én meteen ook maar van de toepassing ervan; dat gewis de houding van verwerende partij “duidelijk” is, maar ook onwettig; dat de in het middel aangevoerde bepaling geschonden is; dat het tot de vernietiging van de aangevochten beslissing leidt; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd wordt de beslissing van 11 mei 1999 van de Vlaamse regering om de stad Beringen voor de periode 2000-2002 als een waarborggemeente te beschouwen en niet op de lijst van de SIF+-gemeenten te plaatsen. XII-4144-5/6 Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4144-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.130 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.