← België

Arrest 147137 - - 30/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.137 Rolnummer: A. 83254/VII-18116 Zaak: Arrest 147137 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-28 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 20:37 Fiche Arrest nr 147.137 van 30 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.137 van 30 juni 2005 in de zaak A. 83.254/VII-18.

  1. In zake : Jacqueline DE VOLDER, die woonplaats kiest bij Advocaat T. BALTHAZAR, kantoor houdende te GENT, Onderbergen 57 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jacqueline DE VOLDER op 31 maart 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 29 januari 1999 van de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering waarbij aan de verzekeringsinstellingen verbod wordt opgelegd tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen welke door de verzoekster zullen worden verleend over een periode van drie maanden; Gelet op het arrest nr. 82.162 van 1 september 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekster; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; VII-18.116-1/10 Gelet op de beschikking van 10 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekster; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN HECKE die, loco advocaat T. BALTHAZAR verschijnt voor de verzoekster, en van Attaché F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur- Wnd. afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Jacqueline DE VOLDER oefent, als kinesitherapeute, samen met haar echtgenoot een praktijk uit te Lokeren. 1.
  4. De Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV start in januari 1996 een onderzoek nadat werd vastgesteld dat zij via verzamelgetuigschriften prestaties attesteerde op naam van kinesitherapeuten die deze prestaties niet of met een kleinere M-waarde uitvoerden. 1.
  5. Na kennisname van de resultaten van dit onderzoek besluit het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle in zijn zitting van 31 januari 1997 de verzoekster naar de Beperkte kamer te verwijzen. VII-18.116-2/10 Op basis van het samengesteld dossier worden aan de verzoekster de volgende inbreuken op de ZIV-reglementering in de periode van 1 juni 1994 tot 31 maart 1996 ten laste gelegd : "1) Ondertekenen en uitreiken van verzamelgetuigschriften met prestaties op naam van kinesitherapeuten zonder dat zij beschikte over de bescheiden die zijn vereist volgens art. 9ter, § 1 en § 10 van het KB van 24 december
  6. (vastgesteld bij 71 verzekerden en 2.971 verstrekkingen) 2) Ondertekenen en uitreiken van verzamelgetuigschriften met prestaties op naam van kinesitherapeuten die niet mochten worden aangerekend omdat de verstrekkingen niet werden verricht door deze kinesitherapeuten en dit zonder dat zij hierbij beschikte over de bescheiden die zijn vereist volgens art. 9ter, § 10 van het KB van 24 december
  7. (vastgesteld bij 51 verzekerden en 872 verstrekkingen) 3) Ondertekenen en uitreiken van verzamelgetuigschriften met prestaties op naam van kinesitherapeuten, prestaties die niet mochten worden aangere- kend omdat zij een hogere sleutelwaarde hadden dan de werkelijk verleende prestaties en zonder dat zij hierbij beschikte over de bescheiden die zijn vereist volgens art. 9ter, § 10 van het KB van 24 december
  8. (vastgesteld bij 41 verzekerden en 906 verstrekkingen)". 1.
  9. Op de zitting van 4 juni 1997 van de Beperkte kamer wordt de verzoekster, bijgestaan door haar raadsman, gehoord en wordt de zaak na sluiting der debatten in beraad genomen. Met een beslissing van 23 september 1997 "om 14 uur" beveelt de Beperkte kamer "een heropening van de debatten tot neerlegging van stukken" en wordt "de zaak te dien einde op de terechtzitting van 23 september 1997 om 15 uur gesteld". In de redengeving van deze beslissing wordt overwogen dat wordt ingegaan op het verzoek bij gewone brief van 23 juni 1997 vanwege de raadsman van de verzoekster "tot neerlegging van bijkomende stukken". Met een beslissing van 23 september 1997 "om 18 uur” legt de Beperkte kamer de verzekeringsinstellingen verbod op tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen welke door de verzoekster zullen worden verleend over een periode van één jaar. 1.
  10. De verzoekster tekent tegen deze beslissing op 3 november 1997 hoger beroep aan. 1.
  11. Met een aangetekende brief van 19 januari 1998 wordt zij opgeroepen om op 3 maart 1998 voor de Commissie van beroep te verschijnen. VII-18.116-3/10 1.
  12. Op de zitting van 3 maart 1998 wordt de verzoekster, bijgestaan door haar raadsman, gehoord. 1.
  13. Op 29 januari 1999 neemt de Commissie van beroep de thans bestreden beslissing, waarbij het hoger beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de beslissing van 23 september 1997 van de Beperkte kamer wordt bevestigd in zover zij de vastgestelde inbreuken aanhoudt, doch wordt vernietigd in zover zij een verbod van tegemoetkoming vanwege de verzekeringsinstellingen uitspreekt ten belope van één jaar en waarbij zij, opnieuw wijzend, de verzekeringsinstellingen verbiedt tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen welke zullen worden verleend door kinesitherapeute Jacqueline DE VOLDER over een periode van drie maanden. Deze beslissing rust op volgende redengeving : "Aangezien de Beperkte Kamer zich bij het nemen van haar beslissing heeft laten leiden door de overwegingen en vaststellingen dat de Dienst voor geneeskundige controle toezicht houdt op de realiteit en de conformiteit van de prestaties voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, met de voorschriften van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en haar uitvoeringsbesluiten; - dat het huidige dossier zich in hoofdzaak beperkt tot een controle op een correcte naleving van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en de verordeningen op de geneeskundige verstrekkingen; - de kwaliteit van de zorgverlening noch de - de feiten die kinesitherapeute DE VOLDER ten laste worden gelegd en waarvan de Beperkte Kamer gevat is, degene zijn vermeld in het feitenrelaas dat betrokkene werd overgemaakt op 21 april 1997 bij aangetekende zending, gevoegd bij de oproeping tot verschijnen voor de Beperkte Kamer; - enkel deze feiten het voorwerp kunnen uitmaken van de huidige betwisting; - de Beperkte Kamer vaststelt, na kinesitherapeute DE VOLDER te hebben gehoord, na inzage van het dossier en de neergelegde stukken, dat mevrouw DE VOLDER geen interne ondertekende documenten kon voorleggen voor de prestaties vermeld op de verzamelgetuigschriften voor de ten laste gelegde prestaties met als verstrekker vermeld de kinesitherapeuten, THIENPONT K., STROOBANTS D., MOENS S., MAES A. en VAN KEIRSBILCK N. - de opmerking van comparante dat voor bepaalde andere medewerkers en gedurende een zekere periode interne ondertekende documenten konden voorgelegd worden, hier niets terzake doet vermits het voorwerp van de huidige betwisting onder andere is dat - mevrouw DE VOLDER geen interne ondertekende documenten kon voorleggen voor de prestaties op naam van de kinesitherapeuten THIENPONT K., STROOBANTS D., MOENS S., MAES A., VAN KEIRSBILCK N., voor de specifieke periodes van respectievelijk juni 1994 tot en met augustus 1994, juni 1994 tot en met augustus 1995, juni 1994 tot en met januari 1995, januari 1996 tot en met 15 maart 1996 en februari 1996 tot en met maart 1996; - nopens de waterschade, de Beperkte Kamer opmerkt dat mevrouw DE VOLDER wel de bewijzen aanbrengt van de waterschade, maar geen enkel bewijs waaruit blijkt dat de interne documenten het voorwerp waren van deze waterschade of aantoont welke documenten het voorwerp waren van deze schade; VII-18.116-4/10 - dat de verklaringen van de verzekerden niet in het feitenrelaas vermeld zijn, correct is. De leden van de Beperkte Kamer niet enkel kennis nemen van het feitenrelaas, maar ook van de stukken van het dossier zoals neergelegd op de terechtzittingen van de Beperkte Kamer, alsmede van de door comparante neergelegde documenten; - de in het proces-verbaal opgenomen verklaringen enkel inlichtingen zijn ten behoeve van de Beperkte Kamer die uitsluitend bevoegd is om uit te maken in hoeverre ze als bewijs voor het bestaan van bepaalde als inbreuken gekwalifi- ceerde feiten kunnen gelden; - deze - de Beperkte Kamer hierbij wenst te beklemtonen dat het dossier lastens mevrouw DE VOLDER niet is gesteund op de verklaringen van patiënten; van verhoor van de acht ondervraagde patiënten, als - het dossier lastens mevrouw DE VOLDER enkel op basis van materiële vaststellingen is opgebouwd, namelijk voor de eerste tenlastelegging mevrouw DE VOLDER geen interne ondertekende documenten kon voorleggen, terwijl tenlastelegging twee en drie gesteund zijn, enerzijds op het ontbreken van interne ondertekende documenten, en anderzijds uit een vergelijkende studie van de door de betrokken kinesitherapeuten zelf bijgehouden dagboeken en/of de werklijsten (briefjes) ten aanzien van de facturatie; - wanneer men patiënten gaat ondervragen over prestaties welke jaren geleden werden verricht men redelijkerwijze mag veronderstellen dat deze zich hoegenaamd niet meer herinneren gedurende welke tijdspanne en door welke specifieke kinesitherapeut deze of gene prestatie werd verricht, zodat verklaring- en van patiënten met de grootste omzichtigheid dienen geëvalueerd te worden; - waar Mevrouw DE VOLDER opmerkt dat enkel de behandelingen werden aangerekend die daadwerkelijk werden uitgevoerd en dat alle afrekeningen overeenstemmen met de door de betrokken arts voorgeschreven prestaties, spreekt ze zich vervolgens tegen waar ze beweert dat haar medewerkers zonder overleg en zonder informatie het voorschrift van de arts negeerden, en een andere verstrekking uitvoerden dan deze die voorgeschreven was; - de bemerking van comparante, dat ze tot haar verwondering moet constate- ren dat er geen onderzoek werd ingesteld tegen haar medewerkers een bewering is die elke grond mist; - het onderzoek geheim is zodat mevrouw DE VOLDER niet op de hoogte kan zijn van een mogelijke enquête; - uit geen enkel stuk van het dossier lastens mevrouw DE VOLDER, noch uit de stukken door haarzelf voorgebracht, blijkt dat er door de Dienst voor geneeskundige controle onregelmatigheden werden vastgesteld in hoofde van haar medewerkers; - de door comparante naar voor gebrachte zogenaamde vragen om nomencla- tuurnummers van medewerkers, behalve op één briefje, telkens uit niet gedateerde stukken blijken te bestaan; - de bewering van mevrouw DE VOLDER dat haar medewerkers onder druk werden gezet om hun medewerking te verlenen aan het onderzoek weeral een verklaring is die elke grond mist; - nergens wordt aangetoond dat dit het geval zou geweest zijn; - daarenboven indien dit het geval mocht zijn, niemand hierover opmerkingen blijkt te hebben gemaakt, noch aan de geneesheer-inspecteur of de verpleegkun- VII-18.116-5/10 dige-controleur belast met het onderzoek, noch aan hun hiërarchische meerde- ren, noch aan andere instanties, wat toch zeer verwonderlijk is, gelet op de aard en de eventuele terugslag van deze beschuldigingen; - dat de medewerkers van mevrouw DE VOLDER, er zich evenwel van onthielden de geneesheer-inspecteur of de verpleegkundige-controleur belast met het onderzoek te hinderen of hen onjuiste informatie verschaffen, niet kan ontkend worden; - wie zich hieraan niet houdt, overeenkomstig artikel 171 van de gecoördineer- de wet van 14 juli 1994, kan gestraft worden met een gevangenisstraf van 8 dagen tot een maand en/of een geldboete van 26 tot 500 frank, onverminderd de toepassing van de artikelen 269 tot en met 274 van het Strafwetboek; - waar meestal beweerd wordt dat een onderzoek niet grondig gevoerd wordt, mevrouw DE VOLDER er zich over beklaagt dat de enquêteurs hun werk nauwgezet en correct hebben verricht, zodat haar vraag tot een aanvullend onderzoek hier enkel als dilatoir kan bestempeld worden; - de Beperkte Kamer, gelet op hetgeen hierboven werd gesteld, dat de feiten welke kinesitherapeute DE VOLDER Jacqueline ten laste worden gelegd onder 1.,
  14. en
  15. ten volle bewezen acht gelet op de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting; - de lastens kinesitherapeute DE VOLDER Jacqueline aangehouden feiten een inbreuk uitmaken op artikel 7 van de bijlage bij het Koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en op artikel 9ter van het Koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; - dienvolgens er aanleiding kan bestaan tot een sanctiemaatregel; Aangezien de Beperkte Kamer, verder overweegt : - dat kinesitherapeute DE VOLDER reeds eerder voor de Beperkte Kamer is dienen te verschijnen; - dat betrokkene klaarblijkelijk lichtzinnig omspringt met de regelgevende bepalingen inzake de geneeskundige verzorging en uitkeringen; - dat een dergelijke handelwijze van aard is de correcte werking van het stelsel van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in het gedrang te brengen; - dat het bedrag van de ten onrechte in rekening gebrachte prestaties niet gering is, een strenge sanctiemaatregel aangewezen acht. HET HOGER BEROEP
  16. Appellante voert als eerste middel in het hoger beroep aan dat de beslissing van de Beperkte Kamer van 23 september 1997 niet rechtsgeldig zou genomen zijn wegens het feit dat enkel drie leden, i.p.v. vijf leden, bijgestaan door de secretaris, aan de beraadslaging hebben deelgenomen, wat volgens haar in strijd is met het bepaalde bij artikel 156 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994, wat de nietigheid van de beslissing met zich zou brengen;
  17. Als tweede middel stelt appellante dat de Beperkte Kamer geen rekening heeft gehouden met de door haar aangevoerde overmacht en zou haar een niet in te lossen negatieve bewijslast opleggen;
  18. Als derde middel stelt appellante verder dat de Beperkte Kamer ten onrechte de door haar aangebrachte verklaringen van patiënten van de hand wijst, terwijl dergelijke patiëntenverklaringen door de dienst voor geneeskundige controle vaak als bewijsmiddel worden gebruikt en dat de door hen neergelegde verklaringen minstens de grondslag vormen voor het bevelen van een aanvullend onderzoek; VII-18.116-6/10
  19. Als vierde en laatste middel meent appellante dat de Beperkte Kamer ten onrechte geen rekening houdt met het gebrek aan bewijskracht van de door de medewerkers voorgelegde verstrekkingenregisters en de door hen afgelegde verklaringen; BESPREKING VAN DE MIDDELEN IN HOGER BEROEP
  20. Ten aanzien van de beweerde onregelmatigheid van de samenstelling van de Beperkte Kamer bij het nemen van de beslissing van 23 september 1997; Overwegende dat appellante ten onrechte uit het bepaalde bij de gecoördi- neerde ZIV-wet van 14 juli 1994 met verwijzing naar artikel 141, § 2 van dezelfde wet, meent te kunnen afleiden dat de Beperkte Kamer uit vijf leden diende te bestaan, terwijl drie leden ter zitting aanwezig waren; Overwegende dat genoemd artikel 156 - dat ten grondslag ligt aan de bevoegdheid van de Beperkte Kamers door te verwijzen naar art. 141, § 2, niet het Comité van de Dienst voor geneeskundige verzorging bedoelt, maar wel de samenstelling van de Beperkte Kamers zelf die hun leden putten uit het genoemd Comité met name één voorzitter magistraat en twee effectieve leden en plaatsvervangers; Overwegende dat de Beperkte Kamer, zoals samengesteld op 23 september 1997, bestond uit de voorzitter N. RENAERS, magistraat en twee werkende leden, dokter J. WILLEMS, vertegenwoordiger van de verzekeringsinstellingen en Mevrouw M. MERTENS, vertegenwoordigster van de representatieve verenigingen van de kinesitherapeuten, bijgestaan door de heer E. DIMMOCK, secretaris, rechtsgeldig was samengesteld; - dat de beslissing a quo dienvolgens regelmatig werd genomen;
  21. Overwegende dat ten aanzien van dit door appellante opgeworpen middel als zou de Beperkte Kamer geen rekening hebben gehouden met de door haar aangevoerde overmacht, dient gesteld dat de Beperkte Kamer wel degelijk acht heeft geslagen op de door appellante voorgelegde bewijzen van waterschade, maar uit deze omstandigheden niet heeft kunnen opmaken welke documenten zodanig beschadigd waren dat zij niet meer als bewijs, minstens als begin van bewijs konden dienen; - dat door te stellen dat appellante geen enkel bewijs hieromtrent leverde, de Beperkte Kamer geen negatief bewijs heeft vereist van appellante;
  22. Overwegende dat appellante in het derde middel tot beroep ten onrechte verwijst naar de door de Beperkte Kamer van de hand gewezen verklaringen van patiënten die zij heeft aangebracht, terwijl de dienst voor geneeskundige controle meermaals dergelijke verklaringen als bewijsmiddel gebruikt; - dat de door appellante aangebrachte verklaringen eenzijdige akten zijn, terwijl de door de dienst voor geneeskundige controle aangebrachte verklaringen opgesteld zijn geworden na een verrk1aring afgelegd aan de beëdigde ambtenaren-controleurs; dat deze stukken een bijzondere bewijskracht hebben in het sociaal handhavingsrecht; - dat de door appellante voorgelegde patiëntenverklaringen niet kunnen vergeleken worden met de stukken opgesteld door de daartoe bevoegde ambtenaren; - dat de Beperkte Kamer terecht deze stukken heeft geweerd;
  23. Overwegende dat met betrekking tot het vierde middel van appellante als zou de Beperkte Kamer geen rekening gehouden hebben met het gebrek aan bewijskracht van de door haar medewerkers voorgelegde verstrekkingenregis- ters en dagboeken alsmede met de door hen afgelegde verklaringen, de Beperkte Kamer zich heeft laten leiden door met elkaar overeenstemmende gegevens die in het dossier aanwezig zijn en waarvan de door appellante betwiste gegevens slechts een onderdeel zijn; Overwegende dat de Beperkte Kamer souverein beslist welke inbreuken hij ten laste van de zorgenverstrekker aanhoudt; VII-18.116-7/10 Overwegende dat wat het geheel van de beroepsgrieven betreft, de Commis- sie van Beroep oordeelt dat de Beperkte Kamer terecht die vaststellingen in aanmerking heeft genomen die volgens hem vaststonden en die hij als bewezen achtte ingevolge de elementen van het dossier; Overwegende dat de Commissie van Beroep deels kan ingaan op het pleidooi van de raadsman van appellante bij de overweging dat de zware sancties opgelegd door de Beperkte Kamer het voortbestaan van de praktijk van appellante ten zeerste in gevaar brengt; dat een meer aangepaste sanctie het doel van de sanctionering beter kan benaderen";
  24. Ten gronde 2.
  25. Overwegende dat de verzoekster in haar enig middel aanvoert dat de bestreden beslissing is genomen met schending van artikel 141, § 2, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (verder: ZIV-wet), doordat de Commissie van Beroep ten onrechte heeft overwogen dat de Beperkte kamer, ingesteld in de schoot van het Comité van de Dienst voor Geneeskundige Controle, geldig was samengesteld; . Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar memorie van antwoord repliceert dat op de beide zittingen van de Beperkte kamer de samenstelling van die kamer in overeenstemming was met artikel 141, § 2, van de ZIV-wet, en argumenten aandraagt waarom dat volgens haar zo is; Overwegende dat de verzoekster, in haar memorie van wederantwoord, verder argumenteert waarom naar haar oordeel de Beperkte kamer ongeldig was samengesteld; dat zij hier in haar laatste memorie niets meer aan toevoegt; 2.
  26. Overwegende dat, zoals werd overwogen in ‘s Raads arrest nr. 101.771 van 12 december 2001, de Beperkte kamers bedoeld in artikel 141, § 2, van de ZIV-wet, niet beslissen als administratieve rechtscolleges wanneer ze, met toepassing van artikel 156 van dezelfde wet, de verzekeringsinstellingen verbieden tegemoet te komen in de kosten van geneeskundige verstrekkingen gedaan door een zorgverlener die zich niet schikt naar de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, maar dat ze dan optreden als administratieve overheden; dat de Commissie van beroep, ingesteld bij artikel 156 van dezelfde wet, bijgevolg als rechtscollege dat uitspraak doet in eerste en laatste aanleg, en niet in hoger beroep na een uitspraak van een VII-18.116-8/10 rechtscollege van eerste aanleg, een uitspraak doet wanneer ze oordeelt over "het beroep" aangetekend tegen de beslissing van de Beperkte kamer met toepassing van artikel 156 van dezelfde wet; Overwegende dat de Commissie van beroep uit artikel 156 van de ZIV-wet, volle rechtsmacht put, waardoor ze verplicht is haar eigen beslissing in ieder geval in de plaats te stellen van die van de Beperkte kamer wanneer bij haar beroep is ingesteld tegen één van de beslissingen van die kamer; dat die substitutieverplichting inhoudt dat ze de bestreden beslissing vernietigt en vervangt door haar eigen beslissing; Overwegende dat de Commissie van beroep in de onderhavige zaak het hoger beroep gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, de bestreden beslissing heeft bevestigd in zover zij de vastgestelde inbreuken aanhoudt ten aanzien van de verzoekster, en die beslissing heeft vernietigd in zover zij een verbod van tegemoetkoming vanwege de verzekeringsinstellingen uitspreekt ten belope van één jaar; dat zij vervolgens, opnieuw wijzend, de verzekeringsinstellingen heeft verboden tegemoet te komen in de kosten van geneeskundige verstrekkingen welke door de verzoekster zullen worden verleend over een periode van drie maanden; dat ze aldus artikel 156 van de genoemde wet correct heeft toegepast; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de vraag of de Commissie van beroep al dan niet terecht heeft geoordeeld dat de Beperkte kamer rechtsgeldig was samengesteld, zonder belang is voor de oplossing van het geschil; Overwegende dat uit het bovenstaande blijkt dat het middel niet kan worden aangenomen, BESLUIT: Artikel
  27. Het beroep wordt verworpen. VII-18.116-9/10 Artikel
  28. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekster. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekster Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.116-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.137 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.162 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.