← België

Arrest 147140 - - 30/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.140 Rolnummer: A. 160578/VII-33625 Zaak: Arrest 147140 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-28 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 20:38 Fiche Arrest nr 147.140 van 30 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.140 van 30 juni 2005 in de zaak A. 160.578/VII-33.

  1. In zake : de n.v. ANALU, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Ijzerenmolenstraat 105 tegen :
  2. de burgemeester van de gemeente MACHELEN,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ANALU op 25 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de burgemeester van de gemeente Machelen van 24 februari 2005 waarbij ‘in het bedrijf N.V. ANALU, gelegen Steenweg op Peutie 113 te 1830 Machelen, met toepassing van artikel 31 §1 en 38 van het milieuvergunningendecreet en artikel 65 § 1 van het Vlarem I, ter plaatse en mondeling de stopzetting (wordt) bevolen van de op voormeld adres actueel illegaal geëxploiteerde Vlarem-vergun- ningsplichtige activiteiten/installaties. Deze beslissing gaat in op 15 mei 2005' (= eerste bestreden beslissing)” en van “de beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 januari 2005, houdende inwilliging van het verzoek tot opheffing van de vergunningen van de N.V. ANALU, Steenweg op Peutie 113 te 1830 Machelen (...) (= tweede bestreden beslissing)”; Gelet op het arrest nr. 141.907 van 11 maart 2005, waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; VII-33.625-1/26 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H.-K. CARËME die, loco advocaat P. LUYPAERS en samen met advocaat R. VANDEBROEK verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat E. STORMS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON ; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  6. De verzoekende partij exploiteert aan de Steenweg op Peutie 113 te Machelen een inrichting voor de oppervlaktebehandeling (anodisatie) van aluminiumprofielen. 1.
  7. Bij een controlebezoek van de afdeling Milieu-inspectie op 2 mei 2000 wordt vastgesteld dat een aantal exploitatievoorwaarden niet worden nageleefd. Meer bepaald worden aan de exploitant de volgende tekortkomingen verweten : “- de verandering van gebruiker (NV SMET -> NV ANALU) van de vergunde grondwaterwinning werd niet medegedeeld aan de bevoegde overheid; - de resultaten van de periodieke waterpeilopmetingen (4x per jaar) van de vergunde grondwaterwinning worden niet geregistreerd in een daarvoor te voorzien register; VII-33.625-2/26 - de resultaten van het maandelijks grondwaterverbruik worden niet geregistreerd in een daarvoor te voorzien register; - een uiterlijk op 29.08.1993 bij de bevoegde overheid in te dienen technisch verslag, houdende een beschrijving van de bestaande watervoorziening en waterverbruik, en van de mogelijke alternatieven aangaande het waterver- bruik en waterrecuperatie, werd tot op heden niet opgesteld; - een door een erkend organisme opgesteld keuringsrapport, waaruit blijkt dat de geëxploiteerde elektrische installatie beantwoordt aan het A.R.A.B., en A.R.E.I., kan niet worden voorgelegd; - een rapport, waaruit blijkt dat het bepalen en aanbrengen van de nodige brandbestrijdingsmiddelen gebeurt in overleg met de plaatselijke brandweer, kan niet worden voorgelegd; - niettegenstaande expliciet verboden in de vigerende milieuvergunning worden twee askarel-houdende transformatoren, die bovendien niet voorzien zijn van een vloeistofdichte inkuiping, geëxploiteerd; - veiligheidssignalisatie (i.c. rook- en vuurverbod/melding askarelhoudende transformatoren) ter hoogte van het transformatorenlokaal ontbreekt; - een deurdranger op de toegangsdeur van het transformatorlokaal ontbreekt; - het constructie-attest en een recent attest van periodieke controle van de geëxploiteerde compressor-installatie kan niet worden voorgelegd; - de bovengrondse houders voor de opslag van agressieve vloeistoffen zijn niet voorzien van de met de vigerende milieuvergunning opgelegde identificatieplaat en gevaarssymbolen; - de inkuiping van de bovengrondse houders voor de opslag van agressieve vloeistoffen (excl. HC1-houder) is niet vloeistofdicht; - een controleprogramma van de installaties voor de opslag van agressieve vloeistoffen, houdende vermelding van de aard, de omvang, de periodiciteit en de namen van de personen die de controle zullen uitvoeren, kan niet worden voorgelegd; - een register (incl. controleverslagen) waarin de datum van elke controle, de meetresultaten en andere vaststellingen, de uitgevoerde herstellingen of wijzigingen aan de installaties worden genoteerd, kan niet worden voorgelegd; - de inkuiping van de bovengrondse houder voor de opslag van gasolie is niet vloeistofdicht; - de exploitant kan niet aantonen dat de bovengrondse houder voor de opslag van gasolie enerzijds geaard is, en anderzijds voorzien van een overvulbe- veiliging; - de exploitant kan niet aantonen dat hij nauwkeurige schriftelijke onderrich- tingen betreffende de bij een ongeval te nemen maatregelen, aan de betrokken werknemers gaf; - de exploitant houdt geen document, waarin de eigenschappen van de agressieve vloeistoffen, de eraan verbonden gevaren en de te nemen maatregelen, alsmede de te nemen maatregelen bij calamiteiten nauwkeurig zijn omschreven, ter beschikking van de bevoegde brandweer en toezicht- houdende ambtenaren; - de baden waarin het productieproces plaatsvindt (anodisatie van aluminium) zijn niet voorzien van een vloeistofdichte inkuiping; - de zijwanden van het lokaal waarin de procesbaden zich bevinden zijn niet (tot minstens 1 meter hoogte) voorzien van een waterdichte bekleding die inert is aan de in de baden bevindende stoffen; - de inhoud van de uitgewerkte procesbaden worden niet afgevoerd conform de vigerende afvalwetgeving, doch eenvoudig geloosd via de afvoerweg voor bedrijfsafvalwater.” VII-33.625-3/26 1.
  8. Met een schrijven van 27 februari 2001 wordt de verzoekende partij door de afdeling Milieu-inspectie opnieuw aangemaand om de volgende maatregelen te nemen : “-Keuringsverslag elektrische installatie opsturen. - Brandweerrapport voorleggen. - Milieucoördinator aanstellen. - Melden overname vergunning grondwater. - Voorwaarden grondwaterwinning naleven (peilmetingen, register, technisch verslag). - Keuringsverslag compressoren voorleggen. - Voorwaarden opslag van gevaarlijke stoffen (register, inkuipingen, controle- programma, veiligheidssignalisatie, veiligheidsfiches, onderrichtingen personeel). - Verwijderen askareltransformatoren. - Naleven voorwaarden transformatorlokaal (signalisatie, deur). - Zijwanden van lokaal procesbaden vloeistofdicht uitvoeren. - Inkuipen van procesbaden. - Uitgewerkte procesbaden afvoeren conform de vigerende wetgeving.” 1.
  9. Op 3 april 2002 dient de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Vlaams-Brabant, bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant een verzoek in tot opheffing van de vijf lopende vergunningen op grond waarvan de verzoekende partij haar inrichting mag exploiteren. Het verzoek tot opheffing wordt gemotiveerd door het sinds het jaar 2000 voortdurend nalaten van de exploitant om passend gevolg te geven aan de onderrichtingen en maatregelen van de toezichthoudende ambtenaren die strekken tot de naleving van de van toepassing zijnde exploitatievoorwaarden, zelfs nadat aan de exploitant herhaaldelijk uitstel werd gegeven voor het uitvoeren van een aantal saneringsmaatregelen. 1.
  10. Met een brief van 5 juni 2002 wordt de bestendige deputatie door de verzoekende partij verzocht niet in te gaan op het verzoek van de afdeling Milieu- inspectie. Het uitvoerig gemotiveerd schrijven van de exploitant komt er in hoofdzaak op neer dat er wel degelijk concreet gevolg werd gegeven aan een aantal opmerkingen van de afdeling Milieu-inspectie. Tegelijk wordt evenwel erkend dat op een aantal punten de exploitatievoorwaarden niet of althans niet volledig worden nageleefd. Die tekortkomingen zouden binnen afzienbare termijn echter weggewerkt worden overeenkomstig een “programma tot regularisatie” waarbij een aantal bijkomende milieu-investeringen in het vooruitzicht worden gesteld. VII-33.625-4/26 1.
  11. Aangezien de bestendige deputatie nalaat een beslissing te nemen omtrent het ingediende verzoek, ook nadat de afdeling Milieu-inspectie, na het uitvoeren van een nieuw controlebezoek aan het bedrijf, bij brief van 5 juli 2002 haar oorspronkelijk verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen uitdrukkelijk had gehandhaafd, maakt de afdeling Milieu-inspectie toepassing van artikel 37 van het Milieuvergunningsdecreet en dient ze op 14 november 2002 bij de Vlaamse regering hetzelfde verzoek in tot opheffing van de lopende milieuvergunningen. De redenen die de voorgestelde maatregel verantwoorden, worden door de afdeling Milieu-inspectie als volgt samengevat : “- Op 2 mei 2000 controleren de toezichthoudende ambtenaren van de afdeling Milieu-inspectie het in hoofding vermelde bedrijf. Tijdens deze controle wordt vastgesteld dat de exploitant niet alle vigerende exploitatie- voorwaarden naleeft (cf. ons Aanvankelijk Proces-Verbaal met nummer : V/2000/0166 (notitienummer : BR.64.97.3975/00); waarvan kopie in bijlage); - Op 26 maart 2002, stellen de toezichthoudende ambtenaren van de afdeling Milieu-inspectie tijdens een nieuwe controle van de in hoofding vermelde inrichting vast dat de exploitant, met uitzondering van het aanleggen van een register voor registratie van de periodieke waterpeil-opmetingen van de vergunde grondwaterwinning, nog steeds geen gevolg geeft aan de door de afdeling Milieu-inspectie d.d. 09 mei 2000 opgelegde saneringsmaatre- gelen. Met uitzondering van het aanleggen van voormeld register, blijven de, in het door ons opgestelde en hoger vermelde Aanvankelijk Proces-Verbaal “V/2000/0166" vastgestelde inbreuken (i.c. niet-nageleefde exploitatie- voorwaarden), door de exploitant voortgezet; - Op 26 maart 2002 wordt de heer Simon MEIRSSCHAUT, afgevaardigd beheerder van de NV ANALU, formeel gevraagd wat zijn standpunt is inzake enerzijds de vastgestelde inbreuken (i.c. het manifest niet-naleven van de vigerende exploitatievoorwaarden) en anderzijds de hieruit voortvloeiende mogelijkheid voor de bevoegde vergunningverlenende overheid om over te gaan tot schorsing/opheffing van de vigerende milieuvergunning(en). Op deze vraag antwoordt voornoemde dat hij hieromtrent zijn argumenten handhaaft zoals ontwikkeld in zijn brief van 17 september 2001 aan de afdeling Milieu-inspectie (waarvan kopie in bijlage); - Op 26 maart 2002 dient gesteld, rekening houdend met voormelde brief van de NV ANALU (inzonderheid met de passage : “... Alhoewel de anodisatie-activiteit ongeveer break-even is geweest, was Analu de voorbije twee jaar zwaar verlieslatend. De liquiditeitsproblemen vertalen zich in achterstand bij RSZ en Bedrijfsvoorheffing. Er worden maatregelen genomen om de rendabiliteit te herstellen, maar het is duidelijk dat, teneinde het voortbestaan van de vennootschap te verzekeren, operationele kasstromen slechts aan milieumaatregelen kunnen toegewezen zullen kunnen (sic) worden in functie van zeer wel overwogen prioriteiten....”, dat de NV ANALU niet alleen op dit ogenblik, maar ook op termijn gewoon- weg niet in staat is en zal zijn om de vigerende exploitatievoorwaarden volledig na te leven. Hierdoor zijn voor de bevoegde vergunningverlenende overheid de voorwaarden, zoals beschreven in artikel 47 § 1 van het VLAREM I, vervuld om bij gemotiveerde beslissing hoger vermelde vigerende milieuvergunningen van de NV ANALU, Steenweg op Peutie 113 te Machelen, volledig op te heffen;” VII-33.625-5/26 1.
  12. Het blijkt dat een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergun- ningen op 28 november 2003 een plaatsbezoek aan de inrichting heeft gebracht. Op 18 maart 2004 is hetzelfde gebeurd. 1.
  13. Intussen blijft ook de afdeling Milieu-inspectie gebruik maken van haar toezichtsbevoegdheden, wat op 18 augustus 2004 resulteert in een nieuw proces-verbaal dat de vaststellingen bevat naar aanleiding van een uitgevoerde bedrijfscontrole “teneinde na te gaan in hoeverre nog steeds aan de voorwaarden om over te gaan tot opheffing van milieuvergunningen van Analu is voldaan”. De daarbij gedane vaststellingen blijken rechtstreeks aan de basis te liggen van de tweede bestreden beslissing. Via een nota van 23 augustus 2004 wordt de Vlaamse minister van Leefmilieu namelijk herinnerd aan het op 14 november 2002 ingediende verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen. 1.
  14. Op 18 januari 2005 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het verzoek van 14 november 2002 van de afdeling Milieu-inspectie in, en beslist hij tot de opheffing van de exploitatie- en milieuvergunningen met betrekking tot de inrichting van de verzoekende partij. Dit besluit vormt de tweede bestreden beslissing. 1.
  15. De opheffing van de lopende milieuvergunningen heeft niet tot gevolg dat de exploitant vrijwillig overgaat tot de stopzetting van alle vergunnings- plichtige activiteiten. Bij een plaatsbezoek dat wordt afgelegd na het opheffen van de vergunningen stelt de afdeling Milieu-inspectie namelijk vast dat de inrichting verder wordt geëxploiteerd. 1.
  16. De vaststelling dat de inrichting zonder vergunning verder wordt geëxploiteerd brengt de afdeling Milieu-inspectie er op 31 januari 2005 toe de burgemeester van de gemeente Machelen formeel te verzoeken “de nodige maatregelen te nemen om de exploitatie (...) stop te zetten en zo nodig het bedrijf te sluiten.” 1.
  17. Op 3 februari 2005 vindt op initiatief van de burgemeester van de gemeente Machelen een “hoorzitting” plaats waarop, naast de gedelegeerd bestuurder van de verzoekende partij, ook een vertegenwoordiger van de afdeling Milieu-inspectie aanwezig is. VII-33.625-6/26 Als conclusie van die vergadering kondigt de burgemeester aan dat hij op grond van artikel 65, § 1, van Vlarem I spoedig de stopzetting van de activiteiten zal bevelen met ingang vanaf 15 mei
  18. 1.
  19. Op 24 februari 2005 beveelt de burgemeester van de gemeente Machelen om met ingang van 15 mei 2005 de “illegaal geëxploiteerde Vlarem- vergunningsplichtige activiteiten/installaties” stop te zetten. Dit is de eerste bestreden beslissing;
  20. De vordering gericht tegen de tweede bestreden beslissing 2.
  21. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.1.
  22. Overwegende, wat de eerste grondvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partij tegen de tweede bestreden beslissing als eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 36 en 37 van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 ; dat zij dit als volgt toelicht : “In de tweede bestreden beslissing wordt overwogen dat de afdeling milieu-inspectie reeds op 03 april 2002 een verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen aan de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant heeft gericht en dat door laatstgenoemde ‘op het ogenblik van het indienen van het verzoek tot opheffing van de vergunning bij de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu -dit is op 14 november 2002- hierover geen beslissing over het verzoek van 3 april 2002 werd getroffen; dat wordt aangenomen dat de redelijke termijn waarbinnen de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een uitspraak kon doen, overschreden werd’. Op grond van het bovenstaande meent de tweede verwerende partij overeenkomstig artikel 37 al. 1 van het milieuvergunningendecreet in de plaats van de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant te kunnen treden. Gelet op de chronologie en het tijdsverloop waarmede het verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen van 03 april 2002 werd behandeld - vanaf het ogenblik dat de milieu-inspectie op 14 november 2002 haar verzoek aan de minister van leefmilieu heeft overgemaakt, zijn er méér dan 2 jaren over de totstandkoming van de tweede bestreden beslissing gegaan -, alsmede gelet op de kennelijke wijzigingen die zich gedurende die behandelingstermijn hebben voorgedaan, kan moeilijk staande worden gehouden dat de bestendige deputatie VII-33.625-7/26 van de provincie Vlaams-Brabant niet of onvolkomen zou hebben opgetreden c.q. willen optreden. Wel integendeel blijkt dat de bestendige deputatie bij schrijven van 09 april 2002 aan de afdeling milieu-inspectie heeft medegedeeld dat zij een advies afwacht en vervolgens een beslissing zou treffen (cf. STUK 18, administratief dossier Vlaamse Gewest). Nadat de verzoekende partij bij schrijven van 05 juni 2002 aan de bestendige deputatie omstandig heeft uiteengezet waarom geen gevolg aan het verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen mag worden gegeven, heeft de bestendige deputatie bij schrijven van 17 juni 2002 de afdeling milieu-inspectie hiermee geconfronteerd (cf. STUK 18, administratief dossier Vlaamse Gewest). De afdeling milieu-inspectie heeft bij schrijven van 05 juli 2002 aan de bestendige deputatie gereageerd, zulks met de mededeling dat zij haar verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen handhaaft en de melding dat zij aan de dienst handelsonderzoeken van de rechtbank van koophandel te Brussel heeft verzocht om na te gaan in welke de continuïteit van de onderneming op financieel vlak nu al dan niet in het gedrang is, zulks in het licht van de vooropgestelde milieu-investeringen waarvan de verzoekende partij gewag heeft gemaakt. De afdeling milieu-inspectie heeft hieraan toegevoegd dat zodra zij hieromtrent bericht ontvangt van voormelde rechtbank, zij de bestendige deputatie hiervan onverwijld in kennis zou stellen (cf. STUK 18, administratief dossier Vlaamse Gewest). Welnu, de afdeling milieu-inspectie heeft zodoende aangegeven dat het dossier nog niet meteen in staat was om meteen nopens het verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen te beslissen. Bijkomende informatie van de rechtbank van koophandel te Brussel zou worden bijgebracht. De afdeling milieu-inspectie heeft echter geen teken van leven meer gegeven en heeft op 14 november 2002 meteen de Vlaamse minister van leefmilieu gevat, ongeacht de mededeling aan de bestendige deputatie dat zij nadere informatie vanwege de rechtbank van koophandel te Brussel zou bezorgen. In dat opzicht kan niet worden aangenomen dat de bestendige deputatie niet of onvolkomen zou hebben willen optreden. Wel integendeel. Er moet minstens worden vastgesteld dat het uiteindelijke verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen dat door de tweede verwerende partij werd ingewilligd, niet langer overeenstemt met het feitenkader waarbinnen een gelijkaardig verzoek aan de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant werd gedaan. De tweede bestreden beslissing volgt kennelijk op de vaststellingen van 18 augustus 2004 (cf. p. 11 e.v. van de tweede bestreden beslissing). Gelet op de diverse plaatsbezoeken en bijkomende processen-verbaal van de afdeling milieu-inspectie -waarbij werd vastgesteld dat er minstens aan sommige opmerkingen werd tegemoetgekomen-, en mede gelet op o.a. het bevel tot verwijdering van de transfo’s van 7 april (...) (zie p. 11 van de tweede bestreden beslissing), kan het niet anders dan dat het volledige feitenkader volstrekt is gewijzigd. Het optreden van de afdeling milieu-inspectie - die blijkbaar gedurende meer dan 2 jaren niet langer heeft aangedrongen op de opheffing van de milieuver- gunningen, doch wel integendeel blijkbaar respijt heeft verleend, bijkomende en/of nieuwe vaststellingen heeft gedaan, en tevens anderssoortige dwangmaat- regelen heeft getroffen- noopt tot de vaststelling dat zij aan haar oorspronkelijke verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen van 14 november 2002 heeft verzaakt. Zodoende - en zelfs louter op grond van het gewijzigde feitenkader - diende de afdeling milieu-inspectie opnieuw de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant te vatten opdat de milieuvergunningen zouden worden opgeheven, zulks nadat zij de vaststellingen van 18 augustus 2004 heeft gedaan. VII-33.625-8/26 De tweede verwerende partij is derhalve onbevoegd”; 2.2.1.
  23. Overwegende dat de tweede verwerende partij hierop in haar nota antwoordt : 5.Artikel 37 MVD luidt als volgt: ‘Indien de bevoegde overheid niet of onvolkomen optreedt, kan de Vlaamse regering bij gemotiveerd besluit, ten allen tijde, welke ook de klasse van inrichting is, de vergunning volledig of gedeeltelijk opschorten’ De geciteerde bepaling bevat voor het optreden van de Vlaamse regering geen andere voorwaarde dan het niet of onvolkomen optreden van de bevoegde overheid.
  24. De in casu bevoegde bestendige deputatie heeft op het verzoek tot opheffing van de AMI van 03 april 2002 niet gereageerd, tenzij met een ontvangstbevestiging van het verzoek, gedateerd 09 april
  25. Meer dan zes maanden na haar opheffingsverzoek, nl. op 14 november 2002, heeft de AMI aan de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu gevraagd om op te treden, wegens het stilzitten van de bestendige deputatie.
  26. Er zijn geen wettelijke bepalingen waaruit blijkt hoe lang de bestendige deputatie in de gegeven omstandigheden kon stilzitten. Het basisprincipe moet derhalve zijn dat de termijn voor het nemen van een beslissing redelijk moet zijn, in acht genomen bv de adviezen die moeten worden ingewonnen, en de termijn die daarvoor wettelijk is bepaald. De AMI heeft het advies dat zij volgens art. 47 §2 VLAREM I verzocht werd om uit te brengen, reeds op 05 juli 2002 aan de bestendige deputatie bezorgd (bijlage stuk 18). Daarna verliepen nog meer dan vier maanden, terwijl de bestendige deputatie niet aantoont waarvoor zij die termijn heeft of moest hebben gebruikt. De omstandigheden van de zaak worden mede bepaald door het manifeste karakter van de inbreuken die ten laste van de verzoekende partij werden vastgesteld, en de tijd die zij reeds had gekregen om te remediëren, dit is meer dan twee jaar vanaf de grondige bedrijfsscanning van 02 mei 2000 (stuk 33). Negen maanden later, op 27 februari 2001, werd de saneringstermijn verlengd. De bevoegde bestendige deputatie heeft geen redelijke termijn in acht genomen. Haar houding moet worden gelijkgesteld met niet-reageren.
  27. Het kan niet worden begrepen hoe de verzoekende partij het tijdsverloop tussen het opheffingsverzoek van de AMI aan de Vlaams minister bevoegd voor Leefmilieu op 14 november 2002 en de bestreden beslissing op 18 januari 2005 in verband kan brengen met de voorwaarde van het niet of onvolkomen optreden van de bevoegde bestendige deputatie. Hetzelfde moet worden gezegd over de redenering dat zich gedurende die termijn kennelijke wijzigingen voordeden (zie p. 13 in fine van het verzoek- schrift). Deze kennelijke wijzigingen in de exploitatie werden in elk geval niet doorgevoerd in de periode van 03 april tot 14 november
  28. Het kan niet in redelijkheid worden betwist, bv op grond van de vaststellingen dat de inbreuken blijken uit het PV nr V2000/0166 van 02 mei 2005 niet werden geregulariseerd binnen een nuttige periode,
  29. De verzoekende partij suggereert dat de AMI het niet of onvolkomen optreden van de bestendige deputatie zelf heeft veroorzaakt, meer bepaald door de bestendige deputatie niet te informeren over het resultaat van haar verzoek VII-33.625-9/26 aan de dienst Handelsonderzoeken van de rechtbank van koophandel te Brussel met betrekking tot de financiële situatie en de solvabiliteit van de verzoekende partij (zie p. 14 medio van het verzoekschrift). Het optreden van de bestendige deputatie als bevoegde overheid die in eerste orde over de opheffing kan beslissen wordt niet bepaald door de houding van bv de verbalisanten van de AMI, of de overheidsdienst die aan de bevoegde Overheid een opheffingsverzoek heeft bezorgd. De verzoekende partij voegt onterecht aan artikel 36 MVD en 47 VLAREM 1 een voorwaarde toe. Het is derhalve niet pertinent om te onderzoeken of de AMI in het in concreto uitgestuurde opheffingsverzoek volhardt of niet. De bestendige deputatie als bevoegde overheid moest op autonome wijze handelen volgens art. 47 VLAREM
  30. De bestendige deputatie kan haar niet-optreden - dit is een onbetwistbaar vaststaand feit - niet legitimeren met de verwijzing naar een informatie die de AMI gratuit wilde ter beschikking stellen, a fortiori niet omdat deze informatie geen verband houdt met deze die zij desgevraagd moet verstrekken in toepassing van art. 47 §2, 2/ VLAREM I (welke wettelijk voorziene informatie de AMI overigens op 05 juli 2002 aan de bestendige deputatie heeft verstrekt - zie bijlage aan stuk 18). In geen geval kan het worden verondersteld dat de AMI met haar aanbod om de financiële informatie over de verzoekende partij te bezorgen op grond van wat de dienst handelsonderzoeken van de rechtbank van koophandel te Brussel zou meedelen heeft willen zeggen dat aan haar opheffingsverzoek (nog) geen gevolg kon of moest worden gegeven. Uit de hierboven geschetste chronologie blijkt overigens voldoende dat de AMI haar verzoek tot opheffing van de milieuvergunning consequent heeft volgehouden, zowel ten aanzien van de bestendige deputatie als ten aanzien van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu. Indien al zou mogen worden beweerd dat de AMI in haar opheffingsverzoek zou moeten hebben volhard, en dit niet zou hebben gedaan, quod certe non, dan nog kan dus uit haar houding niet worden afgeleid dat zij aan het oorspronkelij- ke opheffingsverzoek zou hebben verzaakt. In de gegeven omstandigheden van de toepassing van dwingende wetsbepalingen zou de verzaking uitdrukkelijk moeten blijken, zonder dat daarover enige vorm van betwisting mogelijk is,
  31. De bewering van de verzoekende partij dat het feitenkader sinds het oorspronkelijk opheffingsverzoek is gewijzigd, waarmee wordt bedoeld dat aan sommige milieu-inbreuken zou zijn verholpen is niet pertinent, omdat de bevoegde Vlaamse minister over de opheffing van de milieuvergunning ten allen tijde kan beslissen, wat kennelijk betekent dat dit kan gebeuren op grond van de milieusituatie a quo. De (tweede) bestreden beslissing werd genomen op grond van geactualiseer- de informatie van 18 augustus 2004 (stuk 7). De waarheidswaarde van deze informatie wordt niet betwist. Het kan van de beslissingnemende overheid niet worden verwacht dat zij op elk ogenblik gedurende de beslissingsfaze over de opheffing de evolutie op milieugebied in het bedrijf opnieuw controleert, a fortiori niet in de omstandigheden dat

(1)de exploitant gedurende meer (dan) vier jaar manifest ingebreke bleef om aan vastgestelde ernstige inbreuken te verhelpen,
(2)de exploitant zelf niet de minste moeite doet om de overheid te informeren, en
(3)tussen de laatste controle en de beslissing een normale termijn verliep. Overigens blijkt uit niets dat de concrete milieusituatie het bestreden opheffingsbesluit niet kan gronden”; VII-33.625-10/26 2.2.1.
  1. Overwegende dat de eerste verwerende partij over de middelen gericht tegen de tweede bestreden beslissing, die niet van haar uitgaat, geen verweer voert; 2.2.
  2. Overwegende dat het middel, om de volgende redenen, niet ernstig is : 2.2.2.
  3. Het verzoek tot opheffing van de lopende milieuvergunningen werd initieel op 3 april 2002 aanhangig gemaakt bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Dit is de overheid die overeenkomstig artikel 36, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet normaal bevoegd was om, althans in eerste aanleg, over de schorsing of opheffing van de aan de verzoekende partij verleende vergunningen te beslissen. Artikel 37 van hetzelfde decreet biedt de mogelijkheid van in de plaatsstelling door de Vlaamse regering wanneer “de bevoegde overheid niet of onvolkomen optreedt”. Bij de totstandkoming van de tweede bestreden beslissing is die bepaling toegepast. 2.2.2.
  4. Gelet op het administratief dossier, ontwikkelt de procedure zich na het indienen van het opheffingsverzoek bij de bestendige deputatie als volgt : - op 9 april 2002 wordt door de gemachtigde ambtenaar van de bestendige deputatie ontvangst gemeld van het ingediende verzoek; in dat schrijven wordt tevens vermeld dat over het verzoek advies zal worden uitgebracht binnen een termijn van 60 dagen “waarna er door de bestendige deputatie een beslissing zal getroffen worden”; - op 5 juni 2002 dringt de verzoekende partij er bij de bestendige deputatie op aan om niet in te gaan op het verzoek van de afdeling Milieu-inspectie; in dat schrijven wordt punt per punt gereageerd op de vaststellingen van de toezichthoudende ambtenaren en de beweerde tekortkomingen bij het naleven van de exploitatievoorwaarden; - met een schrijven van 17 juni 2002 wordt aan de afdeling Milieu-inspectie kennis gegeven van het verweer van de exploitant en wordt zij verzocht aan VII-33.625-11/26 de bestendige deputatie mee te delen of het verzoek tot opheffing gehand- haafd blijft in het licht van het door de exploitant gefomuleerde verweer; - op 5 juli 2002 antwoordt de afdeling Milieu-inspectie op voormeld verzoek van 17 juni 2002; de directeur-ingenieur van de afdeling schrijft inzonderheid : “Op 03 juli 2002 voerden de toezichthoudende ambtenaren van mijn dienst, na voorafgaande afspraak met de n.v. ANALU te Machelen, nogmaals een controle uit op voormeld bedrijf teneinde na te gaan inhoeverre de exploitant alsnog gevolg gaf aan de opgelegde sanerings- maatregelen. In bijlage vindt U het verslag van deze inspectie. Verder delen wij U mede dat de Rb van Koophandel (dienst Handelson- derzoeken) te Brussel, omwille van de tegenstrijdige berichtgeving door de NV ANALU, door mijn dienst werd verzocht om na te gaan of de continuïteit van voormeld bedrijf op financieel vlak nu al dan niet in het gedrang is. (cf. kopie in bijlage) Zodra wij hieromtrent bericht ontvangen van voormelde rechtbank, zullen wij Uw dienst hiervan onverwijld in kennis stellen. Tot slot stellen wij vast dat het door de NV ANALU d.d. 05 juni 2002 ingediende bezwaarschrift, in bijlage gevoegd aan Uw in hoofding vermeld schrijven, tal van onjuistheden, onnauwkeurigheden en vage beloften bevat (inhoud te vergelijken met onze vaststellingen d.d. 03 juli 2002). Hierbij dient opgemerkt dat de exploitant in zijn bezwaarschrift expliciet toegeeft dat een aantal essentiële exploitatievoorwaarden nog steeds niet worden nageleefd. Bovendien wordt, door het ontbreken van een zeer concreet saneringssche- ma in voormeld bezwaarschrift, nogmaals bevestigd dat de kans dat de huidige exploitant alsnog de nodige investeringen zal doen teneinde de inrichting conform de vigerende exploitatievoorschriften te exploiteren zo goed als onbestaande is. Gelet dat meer dan twee
(2)jaar na vaststelling van de inbreuken (cf. ons Aanvankelijk Proces-verbaal V/2000/0166 d.d. 02 mei 2000), de NV ANALU tot op heden nog steeds geen volledig gevolg heeft gegeven aan de opgelegde saneringsmaatregelen, en nog steeds een aantal essentiële exploitatievoorwaarden niet naleeft (cf. inspectieverslag d.d. 03 juli 2002), handhaven wij dan ook ons verzoek van 03 april 2002 tot volledige opheffing van de aan de NV ANALU te Machelen afgeleverde vigerende milieuvergunning(en).” - aangezien ook in de daaropvolgende maanden een beslissing ten gronde van de bestendige deputatie uitblijft, maakt de afdeling Milieu-inspectie op 14 november 2002 haar verzoek uiteindelijk over aan de Vlaamse regering. 2.2.2.
  1. Het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie, zeven maanden na het indienen van een (gehandhaafd) verzoek tot opheffing van de geldende milieuvergunningen, lijkt beschouwd te kunnen worden als een geval van niet of onvoldoende optreden in de zin van artikel 37, eerste lid, van het Milieuvergunningsdecreet. VII-33.625-12/26 In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert heeft de afdeling Milieu-inspectie op geen enkel moment laten uitschijnen dat het dossier “nog niet meteen in staat was”. Over de strekking van de hierboven weergegeven brief van 5 juli 2002 lijkt immers weinig twijfel te kunnen bestaan : de afdeling Milieu-inspectie dringt verder aan op de opheffing van de vergunningen omdat uit een pas uitgevoerde bedrijfscontrole blijkt dat de exploitant “nog steeds geen volledig gevolg heeft gegeven aan de oplegde saneringsmaatregelen, en nog steeds een aantal essentiële exploitatievoorwaarden niet naleeft”. De handhaving van het verzoek lijkt dan ook niet afhankelijk gesteld van het resultaat van het terloops aangekondigde onderzoek van de dienst Handelsonderzoeken van de rechtbank van koophandel. 2.2.2.
  2. Het gegeven dat de procedure vervolgens op het niveau van de Vlaamse regering circa 2 jaar en 2 maanden heeft aangesleept staat los van de vraag of de bestendige deputatie al dan niet “niet of onvoldoende” is opgetreden in de zin van artikel 37, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet. 2.2.2.
  3. Daarenboven lijkt uit de relevante gegevens van de zaak te moeten worden afgeleid dat gedurende de voormelde tijdsspanne van circa 2 jaar de betrokken inrichting bijna voortdurend werd gecontroleerd op het naleven van de geldende exploitatievoorwaarden en de uitvoering van de aanmaningen en onderrichtingen die uiteindelijk tot het verzoek tot opheffing van de vergunningen hebben geleid. Het voormelde tijdsverloop lijkt dus niet te wijten aan het stilzitten van de tweede verwerende partij, wel integendeel. Een gedeelte van dat tijdsverloop is bovendien aan de verzoekende partij zelf ten goede gekomen doordat zij herhaaldelijk uitstel heeft gekregen om de vastgestelde tekortkomingen weg te werken. 2.2.2.
  4. Ook de bewering van de verzoekende partij dat de afdeling Milieu- inspectie gedurende meer dan twee jaar niet meer heeft aangedrongen voor haar verzoek tot opheffing, waardoor aan dat verzoek zou zijn “verzaakt”, kan niet worden aangenomen. Alleen al aan de hand van een eenvoudige lezing van het bestreden besluit kan vastgesteld worden dat na 14 november 2002 minstens vier controles ter plaatse in het teken stonden van de opvolging van het verzoek tot opheffing (28 november 2003, plaatsbezoek van de afdeling Milieuvergunningen; 10 februari 2004, proces-verbaal wegens het overschrijden van de lozingsnormen; 18 VII-33.625-13/26 maart 2004, nieuw plaatsbezoek van de afdeling Milieuvergunningen; 18 augustus 2004, controle door de afdeling Milieu-inspectie “ten einde na te gaan in hoeverre nog steeds aan de voorwaarden om over te gaan tot opheffing van milieuvergunning- en van Analu is voldaan”); 2.3.1.
  5. Overwegende dat het tweede middel tegen de tweede bestreden beslissing is afgeleid uit de schending van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de artikelen 5.29.0.
  6. en 1.1.
  7. VLAREM II en van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel - inzonder- heid het evenredigheidsbeginsel - als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en uit machtsoverschrijding DOORDAT de tweede bestreden beslissing steunt op vermeende vaststelling- en van de afdeling milieu-inspectie van 18 augustus 2004 die in geen enkel opzicht met de werkelijkheid stroken. EN DOORDAT in de tweede bestreden beslissing meteen voor de zwaarste sanctie van de opheffing van de milieuvergunningen wordt gekozen TERWIJL de tweede bestreden beslissing niet alleen de feitelijke overweging- en die eraan ten grondslag liggen, moet vermelden, doch dat die opgegeven motieven tevens juist moeten zijn. EN TERWIJL het minstens onredelijk is om meteen de zwaarste sanctie van de opheffing van de milieuvergunningen op te leggen nu eenmaal niet wordt betwist dat de verzoekende partij aan diverse opmerkingen van de milieu- inspectie is tegemoetgekomen, en aangezien bovendien blijkt dat het merendeel van de opmerkingen van de milieu-inspectie slaan op het zgn. niet kunnen voorleggen van attesten e.d., terwijl de verzoekende partij wel degelijk over die attesten, keuringsbewijzen e.d. beschikt ZODAT de tweede bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt, en dat de tweede verwerende partij zodoende machtsoverschrijding pleegt”; dat dit middel als volgt wordt toegelicht : "Op de bladzijden 11 tot 13 van de tweede bestreden beslissing worden 15 zgn. inbreuken op het milieuvergunningendecreet c.q. VLAREM cq. de milieuvergunningsvoorwaarden aan de verzoekende partij verweten. Zulks vormt meteen de motivering op grond waarvan de tweede bestreden beslissing werd genomen. Bij wijze van repliek op al die motieven stelt de verzoekende partij vast: - dat de milieucoördinator door AMINAL zelf op 14 maart 2002 werd aangesteld (c.q. geregistreerd), en door de afdeling milieuvergunningen zelf op 9 augustus 2002 aan de verzoekende partij werd bevestigd (STUK 3); - dat de verzoekende partij aan NV AQUAPLUS de opdracht heeft gegeven om de bestaande anodisatielijn door te lichten, hetgeen reeds in februari 2001 tot een technisch verslag aanleiding heeft gegeven en dat er effectieve maatregelen werden genomen ter vermindering van het waterverbruik en het verbeteren van de kwaliteit van het afvalwater: - dat voor wat betreft de zgn. niet-voorlegging van de keuringen van de electrische installatie, zowel qua hoogspanning als qua laagspanning, de VII-33.625-14/26 milieu-inspectie duidelijk niet op de hoogte was van hetgeen het AREI voorschrijft, en dat het jaarlijks keuringsrapport in het hoogspanningslokaal ter hand kon worden genomen (...) (keuringsverslag Aib Vinçotte dd. 30.4.2004 en 25.1.2005). Voor de laagspanningsinstallatie is er een vijfjaarlijkse keuring nodig. Zulks is gebeurd op 25 juni 2002 overeenkomstig het AREI en het ARAB door het bevoegd controleorganisme Electro Test (STUKKEN 4 en 4BIS); - dat voor wat betreft de bewering dat een brandweerrapport niet wordt voorgelegd, er reeds in 1996 een brandweerrapport werd opgesteld dat overigens bij de milieu-inspectie gekend is, en dat de verzoekende partij nog op 19 april 2000 bij aangetekend schrijven aan de burgemeester van de gemeente Machelen als hoofd van de brandweer, heeft gevraagd om één en ander te actualiseren, doch waarop nooit werd geantwoord (STUK 5); - dat voor wat betreft de bewering dat de twee askarelhoudende transformato- ren die weliswaar definitief buiten gebruik werden gesteld, nog niet werden verwijderd, zulks aan de bevoegdheid van de milieu-inspectie ontsnapt, en dat de transformatoren inmiddels in december 2004 werden vernietigd en derhalve verwijderd (attest van SITA); - dat voor wat betreft de bewering dat veiligheidssignalisatie ter hoogte van het transformatorenlokaal ontbreekt en dat een automatisch deursluitingsmecha- nisme zou ontbreken, zulks wel degelijk aanwezig was en is; - dat voor wat betreft de bewering dat een attest van periodieke controle van de compressor niet voorgelegd kon worden, er wel degelijk een keuringsbe- wijs van 23 juni 2004 van de nieuwe installatie (sic) (STUK 6); - dat voor wat betreft de bewering dat de inkuipingen van de geëxploiteerde houders voor de opslag van agressieve vloeistoffen nog steeds niet vloeistof- dicht zouden zijn, met uitzondering van de HCl houder, de milieu-inspectie had moeten opmerken dat er water in de inkuiping blijft staan, hetgeen bewijst dat hij waterdicht is. In het milieuvergunningsdecreet noch in de uitvoeringsbesluiten zijn er exploitatievoorwaarden vastgelegd m.b.t. agressieve vloeistoffen. Ingeval van gevaarlijke corrosieve vloeistoffen dient de exploitant tegen 1 januari 2005 (Vlarern II, Art. 5.17.3.19 §4) een algemeen onderzoek te laten uitvoeren, waarbij de inkuiping ook moet onderzocht worden door een erkend deskundige in de discipline houders. - dat voor wat betreft de bewering dat een controleprogramma m.b.t. de installaties voor opslag van agressieve stoffen nog steeds niet kon worden voorgelegd, eens te meer moet worden vastgesteld dat er niet wordt verduidelijkt over welke soort van agressieve stoffen het gaat. Hoe dan ook, er is een onderhoudsboek aanwezig, waarin de onderhoudstechnici nauwge- zet bijhouden welke aanpassingen/herstellingen en dergelijke gebeuren. - dat voor wat betreft de bewering dat een attest dat de stookolietank geaard is en van een overvulbeveiliging wordt voorzien, nog steeds niet zou kunnen worden voorgelegd, moet worden vastgesteld dat er wel degelijk een attest van het controleorganisme Experttank van 26 augustus 2003 voorhanden is (STUK 7); - dat voor wat betreft de bewering dat de werknemers geen nauwkeurige schriftelijke onderrichtingen zouden hebben gekregen over wat hen te doen staat bij een calamiteit, die instructies wel degelijk aanwezig zijn. - dat voor wat betreft de bewering dat een document met de eigenschappen van de agressieve vloeistoffen, de hieraan verbonden gevaren en de te nemen maatregelen, o.a. bij calamiteiten, nog steeds niet zou kunnen worden voorgelegd, moet worden opgemerkt dat er wel degelijk MSDS-fiches (Material Safety Data Sheets) van de gevaarlijke stoffen (agressieve vloeistoffen zijn in het milieuvergunningsdecreet onbekend) aanwezig zijn, zulks in de burelen en in de refter van de werknemers in het bedrijf. Zulks VII-33.625-15/26 werd overigens gemeld, o.m. in een brief aan de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 5 juni
  8. - dat voor wat betreft de bewering dat de baden waarin het productieproces plaatsvindt nog steeds niet zijn voorzien van een vloeistofdichte inkuiping, zulks reeds in de brief aan de bestendige deputatie van 5 juni 2002 werd behandeld. De eigen milieu-coördinator beschrijft de bestaande installatie als beantwoordend aan alle veiligheidsvereisten: de procesbaden zijn inderdaad niet individueel ingekuipt, hetgeen ook nergens als exploitatievoorwaarde wordt vereist. Deze baden, waarin de anodisatie plaatsvindt, bevinden zich echter wel boven één grote centrale opvanggoot, welke uitmondt in een opvangput. De totale grootte stemt overeen met deze van de grootste houder, zijnde 20 m³, zoals vereist in 3 / c iii. Daarnaast zorgt de combinatie met de betonnen zijwanden, afloop naar opvangput en opvanggoot voor een zeer veilige vloeistofopvanginrichting, zoals vereist in 3/ d, van Vlarem II, art. 5.29.0.
  9. Enkele voorvallen tijdens de laatste vijf jaar hebben de grote doeltreffendheid van het bestaande vloeistofopvangsysteem bewezen. - dat voor wat betreft de bewering dat de zijwanden van het lokaal waarin de procesbaden zich bevinden niet (minstens tot 1 meter hoogte) zijn voorzien van een waterdichte bekleding, die inert is aan de zich in de baden bevindende stoffen, de milieu-coördinator bevestigt dat de procesbaden in lijn zijn aangebracht en geëxploiteerd worden via het lopende band principe. Langs deze procesbaden is aan weerszijde een muur aangebracht van 20 cm dikte, die bovendien hoger is dan de procesbaden zelf (ca. 2m20), zodat zeker aan de vereisten van art. 5.29.0.
  10. van het Vlarem II wordt voldaan. De aanwezige wanden bleken in de praktijk zeer doeltreffend. Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken bleek ook dat er in de bodem geen vervuiling was door de procesvloeistoffen. Er is dus geen sprake van niet naleving van het rnilieuvergunningsdecreet. - Dat voor wat betreft de bewering dat de inhoud van de uitgevoerde procesbaden niet wordt afgevoerd conform de vigerende afvalwetgeving, doch eenvoudig geloosd via de afvoerweg voor bedrijfsafvalwater, de milieu-coördinator bevestigt dat de lozing van het afvalwater strikt wordt opgevolgd. Daardoor o.m. is Analu in staat om voor de afvalwaterheffing gebruik te maken van de meetresultaten van een erkend controle-organisme (nl. Chemiphar), dat jaarlijks gedurende meerdere dagen continu de afwaterstroom monitort en analyseert. Hieruit blijkt dat het geloosde afvalwater dankzij het unieke Epal beitsproces veel zuiverder is dan gemiddeld in de sector, zodat de heffing gebaseerd kan worden op de veel gunstiger effectieve lozingsparameters. Alleen bleek de PH, zuurtegraad, nog regelmatig te hoog te liggen. Dit bleek inmiddels een technisch probleem te zijn, te wijten aan de platen van de warmtewisselaars. Intussen zijn er twee nieuwe warmtewisselaars geplaatst, met gunstig gevolg. Voor wat betreft de inkuiping van de procesbaden verwijst de verzoekende partij naar de volgende vaststellingen van ORBID NV., de heer Oscar MOONEN, externe milieucoördinator (STUK 10): ‘Langsheen de procesbaden zijn twee betonnen muren over de gehele lengte van de procesbaden. Deze zijn chemisch inert ten overstaan van de vloeistof- fen in de baden en mechanisch voldoende sterk. De muren zijn in goede staat. Deze is ononderbroken langs zijde ‘montage’ met een hoogte van 2,0 meter zijnde 60 cm hoger dan de baden. Langs de zijde van de procesapparatuur, zijn de onderste 2,0 meter ononderbroken en heeft de muur een totale hoogte van 4,0 meter met twee deuren vanaf niveau 2,0 meter naar de proces apparatuur. Onder de baden is er een betonnen hellend vlak welke uitmondt in een noodopvangtank. Daarnaast zijn er tussen de betonmuren een drietal betonnen verhogen geïnstalleerd die dienst doen als supplementaire inkuiping. De nuttige inhoud van het grootste bad kan derhalve worden opgevangen. De VII-33.625-16/26 baden zijn voldoende stevig geconstrueerd en opgesteld om kantelen of verzakken te voorkomen. Er is geen rechtstreekse verbinding met een besterfput, een openbare riolering, een waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlakte wateren. Tussen de muren en de baden is er een vrije ruimte van ca. 60 cm welke toelaat reinigingsactiviteiten op veilige wijze uit te voeren. Conclusie: de inkuiping van de procesbaden voldoet.’ Voor wat betreft de inkuiping van de zwavelzuur- en salpeterzuurtank verwijst de verzoekende partij naar de volgende vaststellingen van ORBID N.V., de heer Oscar MOONEN, externe milieucoördinator (STUK 10): ‘De inkuiping heeft volgende binnen afmetingen: 15m70 x 3m30 x 0m
  11. De nuttige opvangcapaciteit bedraagt derhalve 31.086 liter. De inhoud van de zwavelzuurtank en salpeterzuurtank bedraagt 18.000 l. De inkuiping is dus ruim voldoende om de inhoud van een tank te kunnen opvangen. De inkuiping is uitgevoerd in 15 cm dik gewapend beton en is derhalve onbrandbaar en voldoende mechanisch sterk als ook chemisch inert aan de op te vangen vloeistoffen. De vloeistofdichtheid blijkt ook uit de opvang van regenwater (inkuiping met tanken staan buiten opgesteld.). Periodisch dient daartoe de inkuiping te worden leeggemaakt. Conclusie: de inkuiping van de zwavelzuur- en salpeterzuurtank voldoet’ Met betrekking tot de overweging dat de werknemers aan o.a. zwavelzuur- dampen worden blootgesteld, moet -net zoals voor alle andere beweringen in de tweede bestreden beslissing- worden vastgesteld dat zulks niet aan de hand van metingen wordt gestaafd. De afdeling milieu-inspectie beperkt zich tot zgn. visuele vaststellingen en trekt hieruit voorbarige en niet empirisch getoetste besluiten. De verzoekende partij heeft derhalve zelf via PREVEMED aan het Centrum voor Toegepast Onderzoek en Dienstverlening opgedragen om één en ander objectief aan de hand van metingen vast te stellen (STUK 9) (het weze herhaald, de afdeling milieu-inspectie heeft nooit metingen uitgevoerd). Welnu, hieruit blijkt dat noch ter hoogte van de werkpost ‘aanpikzone materiaal’, noch ter hoogte van de werkpost ‘inpakzone gedompeld materiaal’, en zelfs niet ter hoogte van de werkpost 'dompelbaden’ de grenswaarden voor blootstelling aan zwavelzuur worden overschreden. Ter hoogte van de ‘dompelbaden’ -waarvan in de tweede bestreden beslissing wordt beweerd dat de werknemers er ganse dagen aan zwavelzuurdampen worden blootgesteld - bedraagt het zwavelzuurgehalte slechts 60,5 +/- 9,1 ug/m³, terwijl de grenswaarde 1000 ug/m³ bedraagt en de kortetijdswaarde 3000 ug/m³ bedraagt. De grenswaarden worden derhalve zelfs niets eens benaderd, laat staan overschreden. Uit het bovenstaande blijkt dat de motivering van de tweede bestreden beslissing feitelijke grondslag mist, zulks niet alleen voor de zgn. minder ernstige inbreuken - waarvan het auditoraat n.a.v. de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft geoordeeld dat de motivering inderdaad feitelijke grondslag mist-, doch eveneens voor de zgn. zwaardere inbreuken. Minstens moet worden vastgesteld dat het kennelijk onredelijk is om meteen de zwaarste sanctie van de opheffing van de milieuvergunningen op te leggen, zulks gelet op het feit dat alle aantijgingen en inbreuken steeds werden en worden ontkend (zodanig dat het tijdsverloop tussen de eerste aanmaningen van de milieu-inspectie en de thans bestreden beslissing irrelevant is). Zelfs indien de gegeven motivering draagkrachtig zou zijn om een dwangmaatregel te rechtvaardigen - quod non -, moet worden vastgesteld dat de tweede verweren- de partij een beleid heeft aangenomen waarbij "een schorsing aan de orde is als vaststaat dat de exploitant binnen het kader van zijn vergunningen aanpassings- en saneringswerken kan uitvoeren, waarna een uitbating volgens de milieuver- VII-33.625-17/26 gunningsvoorwaarden mogelijk wordt; dat een opheffing daarentegen dient te worden overwogen als de exploitant enkel via een reorganisatie van het bedrijf en/of het uitvoeren van saneringsmaatregelen, die het vragen van een nieuwe vergunning impliceren, de hinder voor de omwonenden, inclusief de werkne- mers op de bedrijven in dezelfde industriezone, en de effecten op het leefmilieu, tot een aanvaardbaar niveau zal kunnen beperken” (vgl. auditoraatsverslag inzake A/A 76.082/VII- I6.027 & 76.089/VII-16.031). Welnu, in de tweede bestreden beslissing wordt aangegeven dat de verzoe- kende partij aan de hand van ‘de nodige aanpassingen/investeringen’ zich wel degelijk in regel zou kunnen stellen, en precies hiervoor zou men aan de verzoekende partij respijt hebben verleend. In het licht van het gevoerde beleid van de tweede verwerende partij zou zij met een ev. schorsing van de milieuvergunningen hebben kunnen volstaan. Niettemin heeft zij op een volstrekt onredeljke en onevenredige wijze de zwaarste sanctie opgelegd”; 2.3.1.
  12. Overwegende dat de tweede verwerende partij hierop in haar nota als volgt repliceert : "
  13. De verzoekende partij kan niet beweren dat de vaststellingen van de AMI van 18 augustus 2004 niet met de werkelijkheid stroken. De vaststellingen van de verbalisanten van de AMI gelden totdat de verzoekende partij het bewijs levert van valsheid in openbare geschriften. Overigens blijkt uit de uiteenzetting van de verzoekende partij zelf dat de feiten en inbreuken op 18 augustus 2004 correct werden geverbaliseerd. In de vordering tot schorsing wordt alleen maar gezegd dat er op het ogenblik van het nemen van de (tweede) bestreden beslissing een nieuw feitenkader was. Op 18 augustus 2004 was dit kader er dus niet. Op diezelfde datum werden aan AMI ook geen documenten (o.a. aanstelling milieucoördinator, brandweerverslag, keuringsverslag in toepassing van het AREI, ...) afgegeven, alhoewel de verzoekende partij beweert dat ze bestonden. De inbreuk bestaat erin dat de documenten niet kunnen worden overgelegd op het ogenblik van de controle. Wat bv. het aanstellingsbesluit van haar milieucoördinator betreft, toont de verzoekende partij niet aan dat zij op 18 augustus 2004 over een geldig excuus beschikte om het niet over te leggen. Dit bewijs werd - als enig ! - later overgelegd, maar het kan niet worden ingezien waarom dit niet op 18 augustus 2004 gebeurde, na meerdere aanmaningen. De inbreuk kan dus het opheffings- besluit mee ondersteunen.
  14. De verzoekende partij meent dat de verwerende partij onterecht voor de zwaarste sanctie, d.i. de opheffing van de Milieuvergunning koos. Ten overvloede herhaalt de verwerende partij, met verwijzing naar de motivering op p. 13 van het bestreden besluit, dat de inbreuken zo ernstig waren dat een adequate remediëring er eigenlijk moet in bestaan dat het bedrijf werd omgevormd. Uit de uiteenzetting van de verzoekende partij over het tweede middel volgt dat dit standpunt juist is. De verzoekende partij wijst op of suggereert belangrijke (laattijdige) milieu-investeringen, en nog kan niet worden bewezen dat het bedrijf volgens de algemene en bijzondere milieuvoorwaarden werkt. De remediëring waarover de verzoekende partij nu in extremis in haar vordering tot schorsing spreekt, en waaromtrent de verwerende partij hier uiteraard geen intrinsiek oordeel uitspreekt, kwam er na jarenlang stilzitten. De VII-33.625-18/26 AMI beschouwde dit stilzitten als onwil, en herinnert eraan dat het bedrijf reeds in 1989, en vanaf toen op continue wijze werd geverbaliseerd. Aanbevelingen, saneringsvoorschriften, en uitstel van de saneringstermijn hebben tot op het ogenblik van het opheffingsbesluit, niet tot een resultaat geleid. In die omstandigheden is een opheffingsmaatregel, alhoewel het inderdaad de zwaarste sanctie is, prima facie aangewezen en volstrekt niet onredelijk of disproportioneel.
  15. Voor wat betreft de suggesties van de verzoekende partij over het nieuwe feitenkader, bedenkt de verwerende partij wat volgt, onder voorbehoud van meer, bv na grondig onderzoek van de dossierstukken die de verzoekende partij in deze procedure aanvullend neerlegt: - Op 09 augustus 2002 heeft de verzoekende partij meegedeeld dat een milieucoördinator werd aangesteld. Zij kon het bewijs tijdens geen enkele daaropvolgende controle voorleggen, maar schijnt dit wel te kunnen na het opheffingsbesluit. - Het verslag AQUAPLUS NV werd tijdens de controles niet overgelegd. Wel stelde de AMI tijdens haar officiële controles overschrijdingen van de lozingsnormen vast. De analyses van het afvalwater worden gedaan door een erkend laboratorium. De processen-verbaal bewijzen niet wat de verzoekende partij suggereert. De AMI spreekt over continue zware aantastingen van de waterkwaliteit van de Trawoolbeek, een oppervlaktewater van de derde categorie. De verzoekende partij draagt de bewijslast van het tegendeel. - De keuringsverslagen AREI werden niet overgelegd. Er is ook op dit ogenblik geen bewijs dat de installaties voldoen aan de vereisten. - Een brandweerrapport werd niet voorgelegd. Indien dit toch (tijdig) zou hebben bestaan, wijst dit andermaal op de onwil tot medewerking van de exploitant. Overigens stelt de verwerende partij zich de vraag naar de noodzakelijke actualisering van het brandweerrapport. - Het wordt niet ontkend dat de twee Askareltransformatoren intussen, nl in december 2004, uiteindelijk werden verwijderd. - Er is geen bewijs van aanwezigheid van veiligheidssignalisatie ter hoogte van het transformatorenlokaal, noch van een goed functionerende automatisch deursluitingsmechanisme. - Het attest van het controlemechanisme EXPERTBANK van 26 augustus 2003 werd niet voorgelegd aan de AMI. Overigens bevat dit attest geen bewijs van het feit dat de brandstoftank voldoet aan de voorschriften van VLAREM II. - De instructies aan het personeel werden niet voorgelegd en een afschrift werd niet aan de AMI bezorgd. Er is geen bewijs dat de werknemers (die meestal anderstalig zijn) ze hebben gelezen, en hebben getekend voor kennisname. De AMI stelde op 05 juli 2005 de aanwezigheid van een summier informatiebord in de refter vast, maar op 18 augustus 2004 was het verdwenen. - Er is geen bewijs van vloeistofdichtheid van de inkuiping van de zwavelzuur- en salpeterzuurtank. De vloeistofdichtheid moet worden geattesteerd door een erkend deskundige en het bewijs moet aan de AMI worden voorgelegd. De kuip dient bij droog weer overigens droog te zijn, en het feit dat ze vloeistof bevat - zoals de verzoekende partij schrijft - bewijst niet haar dichtheid voor de gevaarlijke vloeistoffen, en evenmin garandeert dit de afwezigheid van verontreiniging bij afvloei van het regenwater. De tanks zelf zijn niet gekeurd. De AMI kent de identificatieplannetjes niet. Het gaat over oude treinwagons. - De controlestalen van de AMI tonen aan dat het vloeistoffensysteem niet sluitend is. De moeilijkheden of calamiteiten werden evenwel niet aan de AMI gemeld. VII-33.625-19/26
  16. In geen geval moest de verwerende partij bij het nemen van de ophef- fingsbeslissing rekening houden met wat zij niet kon of moest weten (zie ook randnr 10). In het geheel genomen lijdt de (tweede) bestreden beslissing niet aan een gebrek aan formele of materiële motivering. De opheffingsbeslissing steunt op juiste en afdoende argumenten. De nieuwe informatie die de verzoekende partij in de schorsingsprocedure meedeelt kan de motiveringseis niet conditioneren, vermits deze moet worden beoordeeld op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen. Het onderzoek van de beslissingnemende overheid was hoedanook zorgvul- dig. Geen element van de evaluatie van de milieuhinder werd over het hoofd gezien of fout ingeschat. De verzoekende partij bewijst het tegendeel niet. De verzoekende partij kan zich niet beroepen op onredelijkheid in de besluitvorming, nu zij jarenlang op manifeste wijze haar verplichtingen als exploitant niet naleefde, en op schuldige wijze naliet om de bevoegde overheid van alle nuttige en noodzakelijk milieuinformatie te voorzien. Bijaldien blijkt niet dat de intrinsieke redenen voor de opheffing op vandaag niet meer zouden bestaan”; 2.3.
  17. Overwegende dat het middel, om de hierna uiteengezette redenen, niet ernstig is : 2.3.2.
  18. De bestreden beslissing steunt in belangrijke mate op de vaststellingen die de afdeling Milieu-inspectie gedaan heeft naar aanleiding van een controlebezoek aan de inrichting op 18 augustus
  19. Het bestreden besluit bevat in dat verband een opsomming van een vijftiental tekortkomingen die aan de exploitant worden verweten. Daarnaast bevat het bestreden besluit ook nog een eigen motivering waarin onder meer gesteld wordt dat : “de volledige inrichting zou moeten gerenoveerd worden”, de “baden niet in een vloeistofdichte inkuiping staan”, de “vloer rondom en onder de baden is aangetast door de gebruikte producten”, er “geen afzuiging voorzien is zoals gesteld wordt in artikel 5.29.0.9, 5/, van titel II van het VLAREM” waardoor de werknemers op een onverantwoorde wijze worden blootgesteld aan zwavelzuurdampen, de gevaarlijke producten opgesteld staan in een met zwavelzuur en salpeterzuur aangetaste inkuiping die relatief rudimentair is en waarvan niet kan gezegd worden of ze vloeistofdicht en voldoende gedimensioneerd is. Vervolgens worden een aantal motieven opgegeven die de bestreden maatregel tot opheffing van de milieuvergunningen van de verzoekende partij in het bijzonder schragen : “Overwegende dat na het plaatsbezoek een algemene indruk van ‘verwaarlo- zing’ achterbleef; dat hier jaren gewerkt is geweest zonder dat de nodige VII-33.625-20/26 investeringen/inspanningen werden gedaan; dat dit ook naar arbeidsveiligheid toe niet te tolereren valt; Overwegende dat het overduidelijk is dat de exploitant tijdens de behande- lingsperiode van dit opheffingsverzoek meer dan genoeg tijd heeft gekregen om te kunnen aantonen dat hij wel degelijk de nodige aanpassingen kan/kon uitvoeren; dat er verschillende plaatsbezoeken zijn geweest waaruit spijtig genoeg enkel kon worden geconcludeerd dat hij op dezelfde manier blijft verder werken; Overwegende dat de exploitant reeds ruim de tijd heeft gekregen om zijn nodige aanpassingen/investeringen door te voeren; dat dit telkens op papier wel werd beloofd, doch dat er blijkbaar niet veel van is uitgevoerd;” 2.3.2.
  20. In het verzoekschrift wordt punt per punt de deugdelijkheid van de motieven die tot de bestreden beslissing hebben geleid, bekritiseerd. In het kader van het prima facie-onderzoek waartoe een vordering tot schorsing alleen aanleiding kan geven, kan niet elk van deze kritieken het voorwerp uitmaken van een grondige gedetailleerde verificatie. De Raad moet zich in dergelijk geval beperken tot de vraag of, op het eerste gezicht, het geheel van de in de bestreden beslissing gehanteerde motieven, afgezet tegen het geheel van de argumenten ontwikkeld in het verzoekschrift, die beslissing in rechte en in feite kunnen schragen. 2.3.2.
  21. Een eerste reeks van aan de verzoekende partij ten laste gelegde tekortkomingen betreft de neerlegging van de in de bestreden beslissing vermelde documenten en attesten. In globo dient hieromtrent vooreerst te worden vastgesteld dat deze tenlasteleggingen niet de zwaarst wegende zijn. De repliek op de meeste van die tekortkomingen doet er bovendien op het eerste gezicht van blijken dat de verzoekende partij die tenlasteleggingen alleen aan haar eigen houding te wijten heeft, nu ze, naar ze beweert, de vereiste documenten wel heeft overgelegd, doch ruimschoots laattijdig, voornamelijk na het inspectieverslag van 18 augustus
  22. Nochtans blijkt de afdeling Milieu-inspectie op voorhand de verzoekende partij te hebben verzocht ?alle attesten, documenten, etc. die dienstig kunnen zijn, klaar te leggen”. 2.3.2.
  23. Veel belangrijker blijken evenwel de tekortkomingen die aan de verzoekende partij worden verweten op het vlak van het naleven van de vergunnings- voorwaarden bij het eigenlijke productieproces. Concreet handelt het daarbij over de “algemene indruk van verwaarlozing” ten gevolge van het langdurig uitblijven van de nodige investeringen, VII-33.625-21/26 van de toestand van de procesbaden waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt en hun inkuiping, de afvoer van de afvalstoffen en het lozen van het afvalwater. Daarenboven wordt aan de exploitant ook ten kwade geduid dat hij, ondanks herhaalde beloften, heeft nagelaten grondige maatregelen te nemen waardoor de geldende vergunningsvoorwaarden kunnen worden nageleefd. Ook in dit verband dient vooreerst te worden benadrukt dat het, zeker binnen de rechtsplegingstermijnen van het kort geding, voor de Raad van State niet mogelijk is diepgaand, en gedetailleerd, elk technisch onderdeel van de tenlasteleggingen te toetsen. In de huidige stand van het geding moet worden vastgesteld dat ook met betrekking tot deze zware tenlasteleggingen de verzoekende partij in het verleden, dit wil zeggen voorafgaand aan de uiteindelijke vaststellingen die tot de bestreden beslissing hebben geleid, duidelijk in gebreke is gebleven, zodat deze, globaal gezien, in de huidige stand van het geding feitelijk correct lijken. Allerminst slaagt die partij er in aan te tonen dat de vaststellingen van de afdeling Milieu-inspectie ?in geen enkel opzicht met de werkelijkheid stroken”. 2.3.2.
  24. Bovendien toont de verzoekende partij niet aan dat die vaststelling- en, gelet op de aard ervan en het reeds jaren aanslepen van de tekortkomingen, in redelijkheid niet tot de opheffing van de vergunningen vermochten te leiden 2.4.1.
  25. Overwegende dat het derde middel gericht tegen de tweede bestreden beslissing, is afgeleid van de schending van “het recht van de verzoekende partij om zijn standpunt naar voor te brengen c.q. de hoorplicht, alsmede van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redeljkheids- beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en uit rnachtsoverschrij- ding”; DOORDAT de verzoekende partij niet in de mogelijkheid werd gesteld om vooraf zijn standpunt naar voor te brengen; TERWIJL als een individuele maatregel van politie de belangen van de betrokkene ernstig schaadt, aan de betrokkene de gelegenheid moet worden gegeven om zijn standpunt over de in aanmerking genomen feitelijke gegevens en desgevallend over de voorgenomen maatregel aan het bestuur ter kennis te brengen (R.v.St., nr. 53.398, 19 mei 1995; R.v.St., nr. 78.360, 26 januari 1999; R.v.St., nr. 80.915, 11 juni 1999). ZODAT de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur schendt”; dat het middel als volgt wordt toegelicht : VII-33.625-22/26 “De tweede verwerende partij heeft manifest nagelaten om de verzoekende partij vooraf te horen. Nochtans zou de verzoekende partij vele gegevens hebben kunnen aanreiken die de totstandkoming van de tweede bestreden beslissing ernstig in andere zin zouden hebben kunnen beïnvloeden. Zij zou onder meer de vaststellingen van de milieu-inspectie van 18 augustus 2004 hebben kunnen weerleggen (cf. tweede middel t.a.v. de tweede bestreden beslissing). Wanneer de overheid zinnens is om dermate drastische maatregelen op te leggen die de verdere werking van het bedrijf onmogelijk maken en die van aard zijn om de onderneming in zijn voortbestaan te bedreigen (met alle gevolgen van dien voor een 25-tal werknemers), dan moet zij de betrokkene voorafgaandelijk van haar voornemen verwittigen en haar de kans bieden om het eigen standpunt uiteen te zetten (R.v.St., nr. 62.637, 21 oktober 1996; R.v.St, nr. 63.817, 7januari 1997). Zoals uit de tweede bestreden beslissing blijkt, heeft de verzoekende partij bij schrijven van 17 september 2001 en 05 juni 2002 heeft (sic) gereageerd en derhalve toen zijn standpunt weliswaar heeft doen gelden, doch de vaststelling- en van 18 augustus 2004 -waarop de tweede bestreden beslissing steunt- werden nooit aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Zodoende heeft zij nooit spontaan hierop nuttig kunnen reageren”; 2.4.1.
  26. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota repliceert : “
  27. De bepalingen van het MVD en VLAREM I met betrekking tot de opheffingsbeslissing voorzien niet in een formele hoorplicht.
  28. De exploitante schijnt er vooral aan te tillen dat zij niet de kans kreeg om te reageren op de vaststellingen van de AMI van 18 augustus
  29. Deze vaststellingen zouden haar niet zijn meegedeeld, zodat zij niet kon reageren, wat zij bv wel deed op 17 september 2001 en 05 juni
  30. Geen enkele bepaling voorziet in de kennisgeving van een inspectieverslag van de AMI aan de exploitant. Dit betekent niet dat de verzoekende partij in concreto niet wist wat op 18 augustus 2004 gebeurde. Het inspectieverslag vermeldt uitdrukkelijk: ‘nadat we enkele dagen vooraf onze komst aankondigden en de gedelegeerd bestuurders verzochten om (indien mogelijk samen met de aangestelde milieucoördinator) aanwezig te zijn en alle attesten, documenten etc. die dienstig zijn klaar te leggen, letterlijk zijn aanwezigheid werd mondeling bevestigd, doch heden worden wij ontvangen door zijn dochter en productie- verantwoordelijke mevrouw Barbara MEIRSCHAUT. Zij deelt ons mede dat haar vader en gedelegeerd bestuurder vandaag niet aanwezig is. Nadat wij onszelf en de reden van ons bezoek kenbaar maken, overlopen wij aan de hand van het dd 03 juli 2002 door ons opgestelde inspectieverslag (V/2002/7807) waarin alle destijds vastgestelde inbreuken actief zijn opgesomd, de actuele toestand op het bedrijf in aanwezigheid van mevrouw Barbara MEIRSCHAUT’. De verzoekende partij kan niet beweren dat zij niet op de hoogte was van het doel van de plaatsopneming van de AMI op 18 augustus
  31. Zij kon hebben gereageerd, zoals zij het ook spontaan deed met haar brieven van 17 september 2001 aan de AMI en 05 juni 2002 aan de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant. Deze twee brieven waren niet het gevolg van een officiële VII-33.625-23/26 kennisgeving van een vaststelling of een voornemen van een beslissingnemende overheid.
  32. De verzoekende partij kan zich niet beroepen op haar eigen nalatigheid, c.q. op onwil om haar bedrijf in overeenstemming te brengen met de milieure- gels, om aan de beslissingnemende overheid een gebrek aan zorgvuldigheid of redelijkheid te verwijten. Overigens blijkt ook uit de standpunten van de verzoekende partij ten aanzien van de eerste bestreden beslissing dat zij er een gewoonte van maakt om de bal in het kamp van de overheid te leggen. Zo heeft de verzoekende partij ook de formele standpunten en mededelingen van de burgemeester van Machelen met betrekking tot een nakend stopzettingsbevel zoals gedaan op 03 februari 2005 genegeerd. Liever twist zij over het karakter of de kwalificatie van de vergadering van 03 februari 2005 - hoorzitting, afstapping, vergadering, gesprek - dan de essentie van de boodschap te willen begrijpen. De verzoekende partij is manifest niet te goeder trouw.
  33. Aan de verwerende partij kan geen gebrek aan zorgvuldigheid bij het onderzoek en de voorbereiding van de bestreden beslissing worden verweten. Deze beslissing is kennelijk redelijk, en de verzoekende partij brengt geen elementen aan die deze vaststelling in het gedrang brengen”; 2.4.
  34. Overwegende dat het middel, om de hierna volgende redenen, niet ernstig is : Vanaf het opstellen van het aanvankelijk proces-verbaal van de afdeling Milieu-inspectie van 2 mei 2000 tot het nemen van de thans bestreden beslissing waarbij de milieuvergunningen worden opgeheven, is een voortdurend en ononderbroken proces verlopen, waarbij de verzoekende partij wordt verweten in overtreding te zijn met verschillende exploitatievoorwaarden. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij op verschillende momenten heeft kunnen reageren op het standpunt van de afdeling Milieu-inspectie dat verschillende exploitatievoorwaarden niet werden nageleefd, meer zelfs dat de verzoekende partij op sommige momenten ook daadwerkelijk heeft gereageerd op hetgeen haar door de toezichthoudende ambtenaren werd verweten. Daarenboven blijkt de verzoekende partij er ook te zijn op gewezen dat de ten laste gelegde tekortkomingen uiteindelijk zouden kunnen leiden tot de opheffing van de verleende milieuvergunningen. Zo blijkt uit een proces-verbaal van de afdeling Milieu-inspectie van 26 maart 2002 dat de afgevaardigd-bestuurder van de verzoekende partij uitdrukkelijk geconfronteerd is geweest met de mogelijkheid dat de vastgestelde inbreuken op de vigerende exploitatievoorwaarden kunnen leiden tot de schorsing of opheffing van de geldende vergunningen. In de huidige stand van het geding blijkt voldoende dat de verzoekende partij meerdere kansen heeft gehad om te reageren op de haar ten laste VII-33.625-24/26 gelegde tekortkomingen en dat zij zulks bij enkele gelegenheden ook effectief heeft gedaan. Op het eerste gezicht reikt het recht om gehoord te worden niet zó ver dat aan een exploitant aan wie reeds gedurende lange tijd uitstel werd gegeven om tegemoet te komen aan de door de afdeling Milieu-inspectie vastgestelde inbreuken en die reeds meermaals concrete maatregelen in het vooruitzicht heeft gesteld, telkens opnieuw en eindeloos de kans moet worden gegeven om te reageren; 2.
  35. Overwegende dat bijgevolg aan de eerste voorwaarde tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing niet is voldaan; dat die vordering moet worden verworpen ;
  36. De vordering gericht tegen de eerste bestreden beslissing Overwegende dat uit de verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing volgt dat de vordering tot schorsing gericht tegen de eerste bestreden beslissing in wezen beoogt om in afwachting van een uitspraak over het annulatieberoep tegen de opheffing van de milieuvergunningen van de verzoekende partij, de exploitatie voort te zetten van een vergunningsplichtige inrichting, zonder te beschikken over de vereiste milieuvergun- ning ; dat ook zonder de eerste bestreden beslissing de verzoekende partij in rechte verondersteld wordt de uitbating van haar inrichting stop te zetten ; dat de verzoekende partij aldus niet beschikt over het rechtens vereiste wettig belang bij haar vordering in zoverre die gericht is tegen de eerste bestreden beslissing ; dat die vordering bijgevolg niet ontvankelijk is, VII-33.625-25/26 BESLUIT: Artikel
  37. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  38. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en vijf, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-33.625-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.140 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.907 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.