id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.149 Rolnummer: A. 70882/VII-14635 Zaak: Arrest 147149 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 20:41 Fiche Arrest nr 147.149 van 30 juni 2005 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.149 van 30 juni 2005 in de zaak A. 70.882/VII-14.635. In zake : 1. René RODET, 2. Harry JACOBS, 3. Emmanuel KERREMANS, 4. Guy VAN DEN HOUTE, 5. Louise LENAERTS, 6. Daniël DURAN, die woonplaats kiezen bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30. tussenkomende partij : de b.v.b.a. VERBEECK DRY FOODS, die woonplaats kiest bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René RODET, Harry JACOBS, Emmanuel KERREMANS, Guy VAN DEN HOUTE, Louise LENAERTS en Daniël DURAN op 6 september 1996 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 20 juni 1996 waarbij het beroep, aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 november 1995, houdende het weigeren van de vergunning aan de b.v.b.a. VERBEECK DRY FOODS, om een tuinbouwbe- drijf, gelegen aan de Juniorslaan 38 te 2811 Mechelen (Leest) te veranderen door uitbreiding wordt ingewilligd, en waarbij het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning gedeeltelijk wordt verleend; VII-14.635-1/34 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 14 februari 1997; Gelet op de beschikking van 3 maart 1997 die de tussenkomst van de b.v.b.a. VERBEECK DRY FOODS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 15 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat K. HULPIAU die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat P.-J. VERVOORT die, loco Advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-14.635-2/34 1.1. De tussenkomende partij, de b.v.b.a. VERBEECK DRY FOODS, baat op percelen gelegen langs de Juniorslaan te Leest (Mechelen) een tuinbouwbedrijf uit, bestaande uit twee verwerkingseenheden: enerzijds is er het gedeelte waarbij geteelde groenten (afkomstig van eigen productie en van oogst van derden) onderworpen worden aan een procédé van luchtdrogen (Juniorslaan 38 - kadastrale percelen Sectie A, nr. 390f en 391a), en anderzijds een gedeelte waarbij groenten onderworpen worden aan een procédé van vriesdrogen (Juniorslaan 54 - kadastraal perceel Sectie A, nr. 369x2). Beide eenheden zijn ruimtelijk van elkaar gescheiden. Deze percelen zijn volgens het gewestplan Mechelen gelegen in agrarisch gebied. Het voorwerp van de bestreden beslissing betreft de uitbreiding van de luchtdrogerij. 1.2. Voor de luchtdrogerij heeft de tussenkomende partij de volgende bouwvergunningen verkregen : - bedrijfswoning, met bedrijfsgebouwen (12 juni 1975) - twee groentenloodsen (12 juni 1984) - aanleg private weg met steenslag (28 oktober 1988) - uitbreiding van bestaande loods (ministerieel besluit van 23 november 1988 waarbij het para-agrarisch karakter, en de planologische verenigbaarheid uitdrukkelijk erkend wordt) - twee gaswassers om drooglucht te ontgeuren (beslissing bestendige deputatie van 25 juli 1996 in beroep - regularisatie) - aanleg twee bezinkingsbekkens en parking in steenslag (beslissing bestendige deputatie van 25 juli 1996 in beroep) - bouw derde gaswasser (22 oktober 1996 - regularisatie). De laatste drie vergunningen dateren van na de bestreden beslissing. 1.3. De exploitatievergunning voor het opslaan en drogen van groenten werd aan de tussenkomende partij verleend bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 4 januari 1977 waarbij het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen van 31 augustus 1976 werd bevestigd, met uitzondering van de vergunningstermijn, die werd verlengd van 10 tot 30 jaar, en die dus afloopt op 30 augustus 2006. VII-14.635-3/34 Daarnaast werden een aantal lozingsvergunningen verleend : - lozingsvergunning VMW ME30/238.3/0009/1 van 21 februari 1989 voor het lozen van ander dan normaal huisafvalwater; de voorwaarden van deze lozingsvergunning werden gewijzigd bij besluit van de bestendige deputatie van 10 november 1994; - lozingsvergunning VMW ME30/238.3/0009/2 van 21 februari 1989 voor het lozen van normaal huisafvalwater. Deze lozingsvergunningen zijn volgens de tussenkomende partij alle verleend aan de b.v.b.a. VERBEECK DRY FOODS, zonder dat gespecifieerd wordt dat ze verleend worden voor één van de verwerkingseenheden (luchtdrogerij of vriesdrogerij). Volgens de verzoekende partijen hebben deze vergunningen evenwel enkel betrekking op de vriesdrogerij. 1.4. Op 23 mei 1995 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie een milieuvergunningsaanvraag ter regularisatie in, strekkende tot het verkrijgen van een milieuvergunning voor de uitbreiding van de bestaande vergunde luchtdrogerij. In de aanhef van het besluit van de bestendige deputatie wordt als volgt naar de verwerkingseenheid vriesdrogerij verwezen : "1. Voor de vriesdrogerij : vergund door de bestendige deputatie dd. 9 mei 1985 (ref. 52.306 f). Maakt geen deel uit van de aanvraag". Het openbaar onderzoek levert zes schriftelijke (waarvan vier collectief) bezwaren en één mondeling bezwaar op. De adviezen van het college van burgemeester en schepenen, van de afdeling Milieuvergunningen en van OVAM zijn gunstig. Het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij is deels gunstig en deels ongunstig, nl. wat betreft de verhoging van de vergunde concentraties in de lozingsvergunning "ander dan normaal afvalwater". Het advies van het bestuur Ruimtelijke Ordening van 28 juli1995 is ongunstig op grond van de overweging dat het vriesdrogen een zodanige omvang heeft bereikt dat er niet meer gesproken kan worden van een para-agrarische activiteit maar van een industriële activiteit die niet thuishoort in een agrarisch gebied. Op 5 oktober 1995 heeft het bestuur Ruimtelijke Ordening nog een aanvullend negatief advies gegeven op grond van de overweging dat het geen 100 % grondgebonden bedrijf betreft, dat het een industrieel verwerkingsbedrijf is, hetgeen in strijd is met de bouwvergunning en dat de gebruikswijziging strijdig is met het gewestplan, vermits het geen agrarische of para-agrarische activiteit betreft. VII-14.635-4/34 De Provinciale Vergunningscommissie heeft zich bij dit negatief advies aangesloten en heeft zelf ook een negatief advies gegeven. Op die gronden (niet-verenigbaarheid met de stedenbouwkundige en ruimtelijke voorschriften) heeft de bestendige deputatie op 23 november 1995 beslist de aanvraag te weigeren. 1.5. De tussenkomende partij tekent op 12 januari 1996 beroep aan bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen verleend : - OVAM op 8 maart 1996 : het advies is beperkt tot de vaststelling dat de vraag het al dan niet para-agrarisch karakter van het bedrijf betreft, en dus losstaat van het afvalstoffenaspect; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen stelt onder verwijzing naar dat het bedrijf als para-agrarisch kan worden beschouwd en verleent principieel gunstig advies; - de Vlaamse Milieumaatschappij handhaaft haar advies gegeven naar aanleiding van de behandeling in eerste aanleg van de aanvraag nl. deels gunstig, deels ongunstig en met het voorstel tot het opleggen van bijkomende voorwaarden; - de afdeling Milieuvergunningen verleent gunstig advies mits het opleggen van de noodzakelijk geachte vergunningsvoorwaarden; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie sluit zich integraal aan bij het gunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen. 1.6. Op basis van deze adviezen beslist de minister op 20 juni 1996 het beroep gegrond te verklaren. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de inrichting is gelegen in een agrarisch gebied op ca. 145 m van een woongebied met landelijk karakter en op ca. 350 m van een woongebied en een woonuitbreidingsgebied; dat in een straal van 100 m rondom de perceelsgrenzen er twee woningen zijn gelegen; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op de weigering van de milieuvergunning om een tuinbouwbedrijf te veranderen door uitbreiding (regularisatie) van een bestaande inrichting voor het luchtdrogen van groenten; Overwegende dat het bedrijf bestaat uit twee verwerkingsafdelingen, namelijk de vriesdrogerij en de luchtdrogerij; dat dit dossier enkel de luchtdrogerij betreft; dat er max. 50 ton per dag wordt verwerkt; dat deze aktiviteit seizoengebonden is (enkele in het voor- en najaar); Overwegende dat de groenten, hoofdzakelijk prei uit eigen oogst (in het najaar 80 % en in het voorjaar 65 %) of aangevoerd uit de onmiddellijke omgeving, eerst worden voorverwerkt (voorgesneden, gesorteerd, gewassen en gesneden) en dan gedroogd; dat het drogen gebeurt in drie drooginstallaties met VII-14.635-5/34 een continu banddrogersysteem; dat hierna de gedroogde groenten worden afgevoerd naar een silo om vervolgens na controle verpakt te worden; Overwegende dat het bedrijfsafvalwater afkomstig is van het wassen en spoelen van groenten; Overwegende dat het bedrijf een lozingsvergunning bezit voor het lozen van bedrijfsafvalwater met een maximum debiet van 4 m³/uur respectievelijk 30 m³/dag in de Molenbeek; dat tegen deze vergunning beroep is ingediend door derden en dat hierover nog geen uitspraak is gedaan; Overwegende dat het bedrijf nu enerzijds een uitbreiding vraagt van het lozingsdebiet tot 40 m³/dag en anderzijds een aanpassing van de opgelegde normen voor zwevende stoffen, BZV en CZV en het opnemen van een grenswaarde voor zink; Overwegende dat de Molenbeek overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 1987 tot vaststelling van de kwaliteitsdoelstellingen voor alle oppervlaktewateren van het openbaar hydrografisch net en tot aanduiding van de oppervlaktewateren bestemd voor drinkwater, zwemwater, viswater en schelpdierwater, de bestemming basiswaterkwaliteit is toegewezen; Overwegende dat het bedrijf meestal niet meer zal lozen dan 25 m³/dag (1l/lkg prei); dat dit lozingsdebiet evenwel onvoldoende zal zijn in de piekperiode oktober-november omdat dan ook het onderste gedeelte (wit) van de prei wordt geoogst waardoor men veel meer waswater nodig heeft (veel vuiler); Overwegende dat de sectoriële lozingsnormen betrekking hebben op een welomschreven referentievolume nl. 3 m³/ton te behandelen product; dat het bedrijf door een interne recyclage van spoel- en waswater slechts 1 m³/ton te behandelen product verbruikt; dat hiernaast het afvalwater van de vriesdrogerij niet meer wordt geloosd, doch na behandeling wordt gebruikt in het productieproces; Overwegende dat het afvalwater alvorens het wordt geloosd wordt gezuiverd in een afvalwaterzuiveringsinstallatie bestaande uit : - een zeefbocht: afscheiding van de grove delen - een zandvanger - een beluchtingstank - een bezinkingstank: toevoeging van een flocculatiemiddel (aluminiumpolyfosfaat); Overwegende dat er in oktober 1995 een nieuwe meet- en controleput werd gebouwd naast de afvalwaterzuiveringsinstallatie zodat er een scheiding van bedrijfsafvalwater, huishoudelijk afvalwater en regenwater mogelijk is; Overwegende dat het regenwater wordt opgevangen in een regenwaterbekken naast de afvalwaterzuivering; dat het regenwater wordt gebruikt voor het besproeien van het veld; dat regenwater slechts geloosd wordt wanneer er geen bedrijfsafvalwater wordt geloosd (de pompen zijn zo beveiligd dat slechts één afvoer tegelijk mogelijk is); Overwegende dat het de bedoeling is van de exploitant om nog een opvangbekken voor regenwater te plaatsen om het bestaande regenwaterbekken, gelegen naast het beluchtingsbekken, te kunnen gebruiken als bijkomend bezinkingsbekken; dat hierdoor het mogelijk moet zijn om de normen voor zwevende stoffen (60 mg/l), BZV (30 mg/
- l)en CZV (150 mg/
- l)zoals opgelegd in de bestaande vergunning na te leven; Overwegende dat de basiskwaliteitsnorm voor zink 200 effect het aangevraagde zinkgehalte 0,5 mg/l, zijnde 2,5 maal de immissienorm voor basiswater, aanvaardbaar is; Overwegende dat door het luchtdrogen van groenten er een grote hoeveelheid drooglucht in de atmosfeer komt wat het ontstaan van geur vooral door het drogen van prei tot gevolg kan hebben; Overwegende dat de afgezogen lucht van de drie drogers wordt afgevoerd via twee gaswassers; dat het voorbije jaar dit systeem van gaswassing werd uitgetest en nu stap per stap proefondervindelijk zal worden aangepast; dat begin januari reeds drie ventilatoren werden bij geplaatst waardoor het debiet van de VII-14.635-6/34 aangevoerde lucht naar de gaswassers kon worden opgevoerd van 25.000 m³/uur naar 35.000 m³/uur; dat uit de testen ook is gebleken dat de volgende maatregelen noodzakelijk zijn om een optimale geurreductie te bekomen : optimalisering van de hoeveelheid vulmateriaal (luchtweerstand); het afzuigen van de lucht uit de drooghal naar de bestaande gaswassers dient te worden geoptimaliseerd i. f. v. de ventilatie van het gebouw; bijkomende ruimteafzuiging van de stockageruimte en -behandeling (bijkomende gaswasser); Overwegende dat de meeste activiteiten binnen in het gebouw gebeuren; dat het lawaai van traktoren en aanrijdend verkeer tijdens de oogst onvermijdbaar is; dat anderzijds het aantal vrachten tijdens de produktiedagen beperkt blijft tot max. 2 vrachten per dag aanvoer en 2 vrachten per dag afvoer; Overwegende dat de volgende gevaarlijke stoffen worden opgeslagen : 400 l waterstofperoxide (corrosief-gaswassers), l.300 1 natriumhypochloriet (irriterend-gaswas-aluminiumpolyfosfaat (corrosief-waterzuivering); dat de scheikundige produkten buiten in vaten worden opgeslagen op paletten; dat de opslagplaats geen inkuiping heeft en bijgevolg niet voldoet aan art. 4.1.7.2. van titel 11 van het Vlarem; dat de exploitant bijgevolg nog een inkuiping dient te voorzien; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : uit de samenlezing van: het arrest van 22 juni 1995 van de Raad van State inzake AGRISTO POTATO PROCESSING, nr. 53.978, het arrest van 23 november 1995 van de Raad van State inzake LESAEGE, nr. 56.419 en de overwegingen die geleid hebben tot de afgifte van de bouwvergunning op 23 november 1988, wordt duidelijk dat dit bedrijf als para-agrarisch kan worden aanzien; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat ten einde de exploitatie van de inrichting bestaanbaar te maken met de omgeving, zowel op het vlak van de risico' s voor de externe veiligheid als op het vlak van de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, het evenwel noodzakelijk is vergunningsvoorwaarden op te leggen die met de toepassing van een beste beschikbare schone technologie die geen overmatige hoge kosten meebrengt, technisch haalbaar zijn; dat op basis van de vanuit dit uitgangspunt gehanteerde technische criteria en de van toepassing zijnde normen, deze noodzakelijke voorwaarden kunnen worden geconcretiseerd als omschreven in het beschikkende gedeelte; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning te verlenen"; 2. De ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar vordering tot tussenkomst doet gelden dat de verzoekende partijen enkel stellen dat zij "als particuliere en aanpalende en/of naburige eigenaars van de inrichting (...) uiteraard de procesbevoegdheid hebben", dat de verzoekende partijen dienen mee te delen of zij eigenaar dan wel huurder zijn en welke de afstand is tussen de woningen van de verzoekende partijen en de luchtdrogerij, hetgeen essentieel is voor de beoordeling van het belang; VII-14.635-7/34 2.2. Overwegende dat in hun verzoekschrift de verzoekende partijen stellen dat zij allen aanpalende en/of naburige eigenaars zijn van "de b.v.b.a. VERBEECK FRY FOODS aan de Juniorslaan te Mechelen (Leest)"; dat blijkens hun verzoekschrift zij allen woonachtig zijn in de Juniorslaan te Mechelen (Leest), met als huisnummers respectievelijk 56, 26, 36, 52, 30 en 29, terwijl de luchtdrogerij aan de Juniorslaan nr. 38 haar adres heeft; dat in acht genomen het gegeven dat in hun verzoekschrift de verzoekende partijen hoofdzakelijk klagen over sterke geurhinder en lawaaihinder vanwege het vrachtvervoer, zij doen blijken van het vereiste persoonlijke belang; dat het daarbij niet relevant is of de verzoekende partijen dan wel eigenaar of huurder zijn; dat het volstaat dat zij effectief in de nabijheid van de vergunde inrichting wonen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als eerste middel de schending aanvoeren "van artikel 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, en van artikel 11.4.1 van het K.B. van 28 september 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, doordat het bestreden besluit de milieuvergunning voor een industriële klasse I inrichting gelegen in een agrarisch gebied toestaat, terwijl krachtens artikel 11.4.1 van het KB. van 28 december 1972 de agrarische gebieden enkel bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin, waarin naast de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel uitmaken van een leefbaar bedrijf, ook para-agrarische bedrijven zijn toegestaan, doch daarin zijn geen industriële activiteiten zoals dat van verzoeker toegelaten"; dat zij volgende toelichting geven bij het middel : "Volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij KB. dd. 5 augustus 1976 bevindt het terrein zich in een agrarisch gebied. Er zijn verschillende elementen voorhanden die aantonen dat de B.V.B.A. Verbeeck een dusdanig verregaande graad van industrialisering heeft bereikt, dat de enige geschikte locatie voor zulk bedrijf te situeren is in een industriezone, maar zeker niet in een agrarisch gebied. Zoals reeds eerder werd vermeld heeft het bedrijf zijn grondgebonden karakter reeds geruime tijd verloren. De verwerkte produkten komen niet uitsluitend voort van het bedrijf zelf maar worden grotendeels aangekocht bij leveranciers en producenten. Verzoekers zijn er zich van bewust dat het al of niet grondgebonden karakter niet terzake doet opdat een bedrijf als para-agrarisch kan worden omschreven (zie R.v.St., nr. 56.419 van 23 november 1995 inzake LESAGE; nr. 56.420 van 23 november 1995 inzake ALLEMEERSCH). Nochtans zijn er in casu nog andere aanwijzingen waaruit ontegensprekelijk blijkt dat de kwestieuze inrichting niet thuishoort in een agrarisch gebied. Zo is er het zeer drukke verkeer dat gepaard gaat met de exploitatie, het voortdurend voorbij denderen van zware vrachtwagens al dan niet met buitenlandse nummerplaat, de nachtelijke activiteiten die mogelijk gemaakt VII-14.635-8/34 worden door een ploegensysteem, de lozing van zware metalen en de opslag van gevaarlijke stoffen in de nabijheid van een woongebied (!), de vaak niet te verdragen stank van prei, uien, bieslook en andere kruiden die ruikbaar is tot ver buiten de gemeente, ...(zie feitenrelaas), de activiteit op industrieel niveau. Daarnaast dient er de aandacht op te worden gevestigd dat het terrein aan een onvoldoende uitgeruste weg is gesitueerd, namelijk een aarde-servitudeweg, en slechts via een smalle asfaltweg aansluiting geeft op de Juniorslaan. Alleen al op verkeerstechnisch vlak is het onaanvaardbaar dat het transport van de aanvoer van de groenten en van de afvoer van de afgewerkte produkten over een paadje geschiedt, dat toebehoort aan de aangelanden. Het standpunt van verzoekers dat de inrichting niet thuishoort in een agrarisch gebied, wordt bevestigd door het eerdere advies dd. 5 oktober 1995 (kenmerk N/1 06586) van het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Infrastructuur, dat luidt als volgt : In de overwegingen van de minister ter verlening van de bouwvergunning wordt gesteld dat de aanvrager zelf groenten kweekt op ongeveer 37 ha en dat de geteelde groenten onmiddellijk worden verwerkt en gedroogd in de groentenloods. - Uit het advies van de dienst Leefmilieu van de stad Mechelen blijkt dat volgens het aanvraagdossier slechts 65 % van de in het bedrijf verwerkte groenten afkomstig is van eigen oogst. De hoeveelheid verwerkte groenten is aanzienlijk vergroot t.o.v. 1988. - Conclusie : * Geen 100 % grondgebonden bedrijf meer. * Is een industrieel verwerkingsbedrijf, hetgeen in strijd is met de bouwvergunning. * De gebruikswijziging - waarvoor een vergunning had moeten aangevraagd worden - is strijdig met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, vermits het geen agrarische of para-agrarische activiteit betreft'. Verzoekers verwijzen tevens naar de beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen dd. 23 november 1995, die tot hetzelfde besluit kwam als verzoekers, namelijk dat de huidige productie met dergelijke omvang als een industriële activiteit dient beschouwd. De vergunning diende dan ook geweigerd te worden. Mocht Uw Raad overigens van oordeel zijn dat de B.V.B.A. Verbeeck toch kan beschouwd worden als een para-agrarisch bedrijf - quod non - dan nog dient de vergunning geweigerd: het bedrijf is immers gelegen in homogeen agrarisch gebied, midden in het veld, niet palend aan een uitgeruste openbare weg, waar zelfs een para-agrarisch bedrijf planologisch niet verantwoord kan worden. Tenslotte nog dit: in het verleden haalde het bedrijf de pers toen zij taxushaag droogden: tot 6 ton taxusscheuten (stuk 6). Het eindprodukt was bestemd voor het bedrijf Bio-Agro in Pepingen om het te verwerken tot het geneesmiddel Taxol. Taxus kan alleszins niet omschreven worden als een agrarisch product. Kan men in het licht daarvan nog wel in alle redelijkheid beweren dat er geen bezwaren zijn tegen de vestiging van de B.V.B.A. Verbeeck in agrarisch gebied?"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : VII-14.635-9/34 "Verzoekende partijen stellen dat het Ministerieel Besluit een milieuvergunning heeft toegestaan voor een industriële klasse I-inrichting en dit in een agrarisch gebied, terwijl krachtens artikel 11.4.1 van het KB van 28 december 1972 de agrarische gebieden enkel bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin, waarin weliswaar ook para-agrarische bedrijven zijn toegestaan, doch geen industriële activiteiten zoals deze van de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods zijn toegelaten. Verzoekende partijen beweren verder dat de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods ten onrechte als para-agrarisch bedrijf werd gekwalificeerd, en dat het bedrijf bovendien gelegen is in een gebied waar het planologisch niet verantwoord is. 1. Er bestaat geen discussie over het feit dat het betrokken bedrijf gelegen is in een gebied, dat door het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 5 augustus 1976, bestemd is tot agrarisch gebied. Overeenkomstig artikel 11.4.1 van het K.B. van 28 december 1972 zijn dergelijke agrarische gebieden bestemd voor landbouw in de Hetzelfde artikel bepaalt tevens dat in de agrarische gebieden de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, en eveneens de para-agrarische bedrijven zijn toegelaten; het begrip para-agrarisch bedrijf wordt echter niet gedefinieerd. Uw Raad heeft in het arrest nr. 53.978 inzake Agristo Potato Processing (stuk 10), en in het arrest nr. 56.419 inzake Lesage (stuk 11) dit begrip wel verder uitgewerkt en heeft geoordeeld dat de term Uw Raad heeft uitdrukkelijk de stelling verworpen dat een bedrijf, om als para-agrarisch te kunnen worden beschouwd, essentieel een grondgebonden karakter zou moeten hebben en in nauwe relatie zou moeten staan met het landbouwproductieproces én met de voortgebrachte landbouwproducten. Het is voldoende dat de activiteit van het para-agrarisch bedrijf onmiddellijk bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is; er zijn evenmin redenen om te stellen dat dergelijk bedrijf geen commercieel, ambachtelijk of industrieel karakter zou mogen hebben. 2. De uiteenzetting van verzoekende partijen kan dan ook niet weerhouden worden. Verzoekende partijen verwijzen volkomen ten onrechte naar het besluit van de Bestendige Deputatie van 23/11/1995 en naar het advies van het bestuur Ruimtelijke Ordening van 28/07/1995 en van 5/10/1995. Bij de beoordeling van het bedrijf is men er immers in het besluit van de Bestendige Deputatie ten onrechte van uit gegaan dat de aanvraag betrekking had op het De vaststellingen van o. m. het bestuur Ruimtelijke Ordening o.a. in het schrijven van 28/07/1995 zijn dan ook irrelevant en onjuist, nu ze een ander bedrijf betreffen. 3. Het Ministerieel Besluit heeft het bedrijf B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods wel degelijk terecht, en in navolging van de verschillende adviezen, aangeduid als para-agrarisch en dit ingevolge de samenlezing van het arrest nr. 53.978 van Uw Raad inzake Agristo Potato Processing (stuk 10), het arrest nr.56.419 van Uw Raad inzake Lesage (stuk 11) en de overwegingen die geleid hebben tot de afgifte van de bouwvergunning aan de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods op 23/11/1988 (waarin het para-agrarisch karakter van het bedrijf reeds aanvaard werd). Bovendien blijkt uit het gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunning dd. 18/03/1996 (stuk 4) dat de inrichting wel degelijk verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschriften. Het middel is dan ook ongegrond"; VII-14.635-10/34 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord in essentie herhalen wat reeds in het verzoekschrift werd gesteld en dat zij nog volgende verduidelijkingen verstrekken : - Er wordt verwezen naar de standpunten ingenomen in de brieven van AROHM van 16 juni 1988, 28 juli 1995 en 5 oktober 1995 waaruit telkens moet blijken dat de luchtdrogerij een industriële activiteit is die niet thuishoort in een agrarisch gebied. - Uit het verweer van verwerende partij in haar memorie van antwoord (punt 2, p. 5) menen de verzoekende partijen te mogen afleiden dat verwerende partij bevestigt dat de vriesdrogerij een industriële activiteit betreft. Op basis daarvan ontwikkelen de verzoekende partijen de stelling dat bij de beoordeling van het karakter van een onderneming alle activiteiten in ogenschouw moeten genomen worden, en niet louter de verschillende activiteiten afzonderlijk. Dit is des meer het geval als beide activiteiten onder de koepel van één vennootschap worden uitgevoerd. De verzoekende partijen vervolgen dat het in casu een industriële vriesdrogerij en een industriële luchtdrogerij betreft, waarbij de activiteiten van deze laatste veel omvangrijker zijn dan die van de eerste. - De verzoekende partijen verwijzen ten slotte ten bewijze van de industriële aard van de activiteit naar de verwerkingscapaciteit : 50 ton per dag, van groenten die over heel België en "zelfs uit Polen" worden betrokken, iedere dag van het jaar, dag en nacht; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar vordering tot tussenkomst het eerste middel in essentie als volgt weerlegt : - Wat betreft het "para-agrarisch karakter" : er wordt vooreerst verwezen naar de arresten Agristo Potato Processing, nr. 53.978 van 22 juni 1995, en LESAGE, nr. 52.608 van 30 maart 1996, waarin geoordeeld wordt dat "para- agrarisch bedrijf" in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet begrepen worden en dat daaronder moet worden verstaan "bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is" en verder dat "de stelling dat een bedrijf, om als para-agrarisch te kunnen worden beschouwd, essentieel een grondgebonden karakter moet hebben,(...) niet correct is". Het voorbewerken en drogen van groenten is kennelijk een activiteit die onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is. - Wat betreft de omvang van het bedrijf waardoor het een industrieel karakter zou verworven hebben, verwijst de tussenkomende partij naar VII-14.635-11/34 conditioneringsbedrijf, dat landbouwproducten verwerkt tot gebruiksklare consumptieproducten, heeft geschorst. Die vergunning was geweigerd op grond van de overweging dat het bedrijf was uitgegroeid tot een agro-industriële onderneming, waardoor het bedrijf niet langer verenigbaar zou zijn met de bestemming agrarisch gebied. De Raad heeft overwogen dat een bedrijf dat in het verleden principieel in overeenstemming werd geacht met de bestemming agrarisch gebied, niet geacht kan worden van die bestemming af te wijken doordat het te omvangrijk zou zijn geworden. De tussenkomende partij stelt dat deze situatie perfect vergelijkbaar is met de hare, en verwijst naar de ministeriële beslissing van 23 november 1988, waarbij de bouwvergunning werd verleend voor de groentenloods en waarin expliciet gesteld wordt dat het een "zuivere para-agrarische activiteit betreft en geen industriële kenmerken kunnen ingeroepen worden". - Wat betreft de standpunten ingenomen door AROHM, verwijst de tussenkomende partij naar het latere advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, ingewonnen n.a.v. de hier bestreden beslissing, waarin expliciet gesteld wordt dat het bedrijf een para-agrarisch karakter heeft en derhalve planologisch verenigbaar is. De tussenkomende partij stelt bovendien dat de verwijzing naar het standpunt ingenomen door AROHM op 5 oktober 1995 en naar de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie van 23 oktober 1995 naast de kwestie zijn in de mate dat deze verwijzen naar de vriesdrogerij. Dit advies en dit besluit kunnen niet aangewend worden om de onverenigbaarheid aan te tonen, vermits ze er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat de aanvraag betrekking had op de vriesdrogerij. - Wat betreft het drogen van taxusscheuten, wijst de tussenkomende partij op het eenmalig en humanitair karakter van deze operatie, en acht zij het onzinnig om hieruit af te leiden dat het geen para-agrarisch bedrijf betreft. - Wat betreft het zeer drukke verkeer van vrachtwagens en het lawaai van nachtelijke activiteiten ten gevolge van het ploegensysteem, repliceert de tussenkomende partij dat de verzoekende partijen verzuimen hiervoor ook maar het minste bewijs voor te leggen (proces-verbaal politie, vaststelling gerechtsdeurwaarder). De tussenkomende partij voegt hier o.m. aan toe dat tussen 22 u en 6 u nooit buiten gewerkt wordt en dat in die tijdspanne de activiteit -ook machinaal- heel gering is. Er zouden alsdan slechts twee personen aanwezig zijn. Bovendien is dit buiten niet hoorbaar. Met verwijzing naar de motivering van het bestreden besluit wordt nog gesteld dat het lawaai van traktoren en aanrijdend VII-14.635-12/34 verkeer tijdens de oogst onvermijdbaar is, en dat het aantal aan- en afgevoerde vrachten beperkt blijft tot maximaal vier, waarvan twee voor de aanvoer en twee voor de afvoer. - Wat betreft de beweerde lozingen van zware metalen stelt de tussenkomende partij dat geen enkele aanwijzing gegeven wordt om welke zware metalen en welke concentraties het zou gaan, dat geen enkel bewijsstuk wordt voorgelegd en dat niet aangetoond wordt op welke manier de beweerde niet- vergunde lozingen een overtreding op de lozingsvergunningen zouden uitmaken. De tussenkomende partij herhaalt over welke lozingsvergunningen, die volgens haar zowel gelden voor de luchtdrogerij als voor de vriesdrogerij, het bedrijf beschikt en besluit dat de bewering dat de inrichting onverenigbaar is met de bestemming agrarisch gebied omwille van "lozing van zware metalen", louter "speculatief, onjuist en zelfs ongepast" is. De tussenkomende partij wijst er ook op dat de normen van de lozingsvergunning niet werden versoepeld en dat de aanpassing van de normen voor zwevende stoffen, BZV en CZV werd geweigerd, en dat de minister zich zo naar het advies van de VMM heeft gericht. Tevens wordt in de bestreden beslissing ook een afvalwaterzuiveringsinstallatie voor de behandeling van ander dan normaal huisafvalwater vergund. - Wat betreft de opslag van bepaalde zogenaamde gevaarlijke stoffen stelt de tussenkomende partij dat de minister de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft gevolgd en dat de bestreden beslissing aan de exploitant heeft opgelegd dat inkuiping wordt voorzien van de opslagplaats van deze stoffen. - Wat betreft de geurhinder, verwijst de tussenkomende partij naar de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden die in artikel 6, 2/ van de bestreden beslissing werden opgenomen op grond van de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. De bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden werden intussen uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen van het milieuadviesbureau WEVA dat deze uitvoering positief heeft beoordeeld. VII-14.635-13/34 - Wat betreft de ligging aan een onvoldoende uitgeruste weg (aarde- servitudeweg), stelt de tussenkomende partij dat deze voorstelling onjuist is : de luchtdrogerij is vanaf de Juniorslaan bereikbaar via een asfaltweg, die overgaat in een private weg met steenslag waarvoor bouwvergunning werd verleend. - Wat betreft de onverenigbaarheid van de uitbreiding met de goede plaatselijke ordening, omwille van het "homogeen agrarisch karakter" van de omgeving, stelt de tussenkomende partij dat deze notie niet opgenomen is in het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 en dat niet verklaard wordt waaruit dit zou kunnen afgeleid worden en dat het bijgevolg ook niet duidelijk is wat hiermee bedoeld zou kunnen worden. Evenmin wordt toegelicht waarom de "ligging midden in het veld" de goede plaatselijke ordening in het gedrang zou kunnen brengen. Dat de onderneming niet zou palen aan een uitgeruste openbare weg, klopt niet. - De tussenkomende partij besluit dat de verzoekende partijen geen enkel element aanvoeren waaruit de strijdigheid van de gevraagde uitbreiding met de stedenbouwkundige bestemming van het gewestplan zou kunnen afgeleid worden. Zij wijst er ook op dat de verzoekende partijen enkel de miskenning van de bestemmingsvoorschriften hebben ingeroepen. Zij hebben niet ingeroepen dat de bestreden beslissing een "kennelijk onredelijke appreciatie" inhoudt van de goede ruimtelijke ordening. Bijgevolg kunnen de verzoekende partijen niet met goed gevolg bij wijze van loutere affirmatie inroepen dat het bedrijf niet kan verantwoord worden, en dat "zelfs mocht uw Raad overigens van oordeel zijn dat de B.V.B.A. Verbeeck toch kan beschouwd worden als een para-agrarisch bedrijf, dan nog de vergunning dient geweigerd te worden"; 3.1.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie expliciet ingaat op de stelling van de verzoekende partijen dat uit de memorie van antwoord zou afgeleid kunnen worden dat de verwerende partij zelf het industrieel karakter van de vriesdrogerij zou erkennen; dat de tussenkomende partij vooreerst bestrijdt dat hieruit zou kunnen afgeleid worden dat de verwerende partij het industrieel karakter van de vriesdrogerij zou erkennen, en vervolgens stelt dat met de activiteiten van de vriesdrogerij bovendien hoe dan ook geen rekening kon gehouden worden bij de beoordeling van de aanvraag voor de luchtdrogerij, vermits beide activiteiten ondergebracht zijn in afzonderlijke verwerkingsentiteiten; 3.1.6. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie herhalen dat het bedrijf dergelijke omvang heeft aangenomen dat het niet meer te beschouwen is als een landbouwbedrijf, maar dat het "pure industrie" is, en dat VII-14.635-14/34 dergelijk industrieel bedrijf niet bestaanbaar is met de bestemming agrarisch gebied; dat zij van oordeel zijn dat het de tussenkomende partij is die moet preciseren welke zware metalen zouden worden geloosd en welke gevaarlijke stoffen werden opgeslagen en dat zij vaststellen dat in een homogeen agrarisch landschap een vergunning wordt toegekend voor een industrieel bedrijf; dat zij er aan toevoegen dat, voor zover de redenering dat het bedrijf planologisch toch verenigbaar zou zijn"-quod non-", die redenering "minstens niet voldoende (is)", vermits alsdan de milieuvergunningverlenende overheid in het bijzonder twee aspecten dient na te gaan, met name of de inrichting planologisch bestaanbaar is met de bestemming en of de inrichting verenigbaar is met haar onmiddellijke omgeving; dat zij betogen dat dit laatste volgt uit artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; dat zij betogen dat in casu de overheid geen enkele aandacht heeft gehad voor de onmiddellijke omgeving, noch voor de groei die het bedrijf heeft gehad; dat zij er tenslotte aan toevoegen dat uit de artikelen 21, § 2, 2 en 25, 2 van Vlarem I volgt dat een milieuvergunning kan worden geweigerd indien geoordeeld wordt dat zij onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening; 3.1.7.1. Overwegende dat in eerste instantie de verzoekende partijen diverse elementen aanbrengen waaruit zou moeten blijken dat de inrichting voor het luchtdrogen van groenten niet als een para-agrarisch bedrijf te beschouwen is, daar zij een verregaande graad van industrialisering heeft bereikt; dat evenwel het loutere feit dat een inrichting een industrieel karakter vertoont niet inhoudt dat zij geen para- agrarisch bedrijf zou zijn; dat immers artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (het Inrichtingsbesluit) luidt als volgt : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden"; dat daarin wordt bepaald dat de niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven een industrieel karakter kunnen hebben; dat logischerwijze daaruit volgt dat ook para-agrarische bedrijven met een industrieel karakter in een agrarisch gebied kunnen worden toegelaten; dat dienvolgens de diverse elementen die de verzoekende partijen VII-14.635-15/34 aanbrengen ter ondersteuning van hun standpunt dat de betrokken inrichting een industrieel karakter heeft niet moeten worden onderzocht; 3.1.7.2. Overwegende, wat het in subsidiaire orde aangevoerd onderdeel betreft, te weten dat in casu zelfs een para-agrarisch bedrijf planologisch niet verantwoord kan worden daar het gelegen is in "homogeen agrarisch gebied, midden in het veld, niet palend aan een uitgeruste openbare weg", dat blijkt dat de inrichting bereikbaar is vanaf de Juniorslaan, via een asfaltweg en een vergunde private weg, bedekt met steenslag; dat, voorts, de verzoekende partijen in hun verzoekschrift nergens toelichten hoe "de ligging in het veld" in een "homogeen agrarisch gebied" in casu moet doen besluiten tot de planologische onverenigbaarheid van de inrichting; dat de verzoekende partijen eraan voorbijgaan dat de inrichting niet is gelegen in een agrarisch gebied dat door het toepasselijk gewestplan is bestemd tot "waardevol landschappelijk agrarisch gebied"; 3.1.7.3. Overwegende dat de tussenkomende partij toegeeft dat in de betrokken inrichting in het verleden zes ton taxusscheuten werden gedroogd om te worden verwerkt tot een geneesmiddel; dat de verzoekende partijen niet betwisten dat dit een eenmalige operatie betrof, zoals de tussenkomende partij doet gelden; dat uit de neergelegde stukken blijkt dat de in het geding zijnde vergunning slaat op de luchtdrogerij van groenten, hoofdzakelijk prei, hetgeen een activiteit betreft die onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is; dat het feit dat de exploitant in het verleden als een eenmalig feit taxusscheuten heeft gedroogd niet meebrengt dat de inrichting, zoals vergund, geen para-agrarische activiteiten uitoefent; 3.1.7.4. Overwegende dat de argumenten die de verzoekende partijen aanvoeren met betrekking tot de onverenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving en waarbij wordt verwezen naar artikel 19 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 en naar de artikelen 21, § 2, 2 en 25, 2 van Vlarem I, vreemd zijn aan het middel zoals in het verzoekschrift ontwikkeld en derhalve onontvankelijk; 3.1.7.5. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het middel deels niet gegrond, deels niet ontvankelijk is; VII-14.635-16/34 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als tweede middel de schending aanvoeren "van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat, eerste onderdeel, het aangevochten besluit uitgaat van een verkeerde voorstelling van de feiten en de opgegeven juridische en feitelijke motivering tevens niet afdoende is, terwijl daardoor artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werd geschonden; en doordat, tweede onderdeel, blijkt uit de voorgaande middelen dat de Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling bij de besluitvorming allesbehalve zorgvuldig is tewerk gegaan en zich gebaseerd heeft op onjuiste feitelijke informatie, en het besluit genomen werd op basis van onjuiste motieven die geen rechtsgeldig beslissingscriterium zijn bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag, terwijl een zorgvuldig handelende overheid zich nauwgezet rekenschap geeft van de motieven van zijn handelen en de te nemen beslissingen en de materiële zorgvuldigheid en een behoorlijke en correcte inhoud waarborgt en de neergelegde stavingsstukken nauwgezet onderzoekt"; dat zij het middel als volgt toelichten : "Op verschillende vlakken is de motivering van het bestreden besluit gebrekkig en tegenstrijdig. VI.2.1. De inrichting kan niet beschouwd worden als verenigbaar met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. Op p. 5 van het bestreden besluit wordt overwogen dat : Het volstaat te verwijzen naar de toelichting van het eerste middel waarin omstandig werd aangetoond dat een industrieel verwerkingsbedrijf zoals de B.V.B.A. Verbeeck niet toegelaten kan worden in een agrarisch gebied. VI.2.2. Het hinderlijk karakter van de inrichting. Het bestreden besluit stelt dat : Ook wat dat betreft zullen verzoekers aantonen dat voornamelijk de hinder, met al zijn neveneffecten op mens en natuur, niet kan beperkt worden tot een aanvaardbaar niveau. * 1. Lozingen : Zoals reeds werd aangestipt in het feitenrelaas is het bedrijf niet aangesloten op de riolering, maar wordt er geloosd in een kleine ingebuisde gracht die overgaat in een kleine open gracht, en dan in de Molenbeek, die niet is aangesloten op een waterzuiveringsstation. Het bestreden besluit vergunt de lozing van ander dan normaal huisafvalwater met gevaarlijke stoffen, en een afvalwaterzuiveringsinstallatie voor de behandeling van dergelijke stoffen. Als bijzondere vergunningsvoorwaarden wordt opgelegd dat m.b.t. de lozing van bedrijfsafvalwater de voorwaarden van het besluit nr. 2/ML WV/94-29/JB/rt van de Bestendige Deputatie dd. 10 VII-14.635-17/34 november van toepassing blijven, met uitzondering van het maximum toegelaten lozingsgebied dat wordt vervangen door 4 m³/uu, resp. 40 m³/dag. In de eerste plaats wijzen verzoekers erop dat de vergunning waarover sprake i.c. niet relevant is, gezien onderhavige aanvraag betrekking heeft op de luchtdrogerij, en voornoemde vergunning verwijst naar de vriesdrogerij. Of m.a.w. nu de voorwaarden van die lozingsvergunning onmogelijk van toepassing kunnen zijn, beschikt de B.V.B.A. over een vrijgeleide om om het even wat te lozen. Zulks kan niet getolereerd worden door een zorgvuldige overheid. Bovendien blijkt daar tevens uit dat men bij het onderzoek van de aanvraag het dossier en de voordien uitgereikte vergunningen onvoldoende heeft bestudeerd. Naast die onregelmatigheid is het onbegrijpelijk dat de Minister een lozingsvergunning heeft uitgereikt, om gevaarlijke stoffen te lozen in de onmiddellijke nabijheid van een woongebied. Het gaat hier o.a. over zware metalen, waarbij, zelfs indien men over een afvalwaterzuiveringsinstallatie beschikt, het risico blijft bestaan dat deze doordringen in het grondwater. Verzoekers begrijpen niet dat het bestreden besluit dergelijke reële bedreiging voor de volksgezondheid oogluikend toestaat. Voor het overige verwijzen verzoekers naar de stank die dagelijks wordt verspreid na lozing, en waardoor langzaam maar zeker het zelfreinigend vermogen van de Molenbeek wegkwijnt. De Molenbeek heeft overigens een matige tot verontreinigde waterkwaliteit : daardoor is bijkomende belasting ongewenst. * 2. Geurhinder: Voornamelijk de laatste 5 jaar (in 1991 is er een derde drooginstallatie geplaatst) is bij het drogen van de groenten een dominant aanwezige prei- en uiengeur waarneembaar, en dit zelfs tot buiten de grenzen van Leest. Op zulke ogenblikken zien verzoekers zich genoodzaakt om binnen te blijven en ramen en deuren gesloten te houden, wat vooral tijdens warme dagen - gedurende dewelke de geurhinder vaak nog sterker is - onhoudbaar is. Daarnaast wordt er tevens stank veroorzaakt door detergenten en andere producten die bij het droogproces worden gebruikt, en door het geloosde afvalwater. Het bestreden besluit legt een aantal maatregelen op ter beperking van de geurhinder, zoals : - het optimaliseren van de hoeveelheid vulmateriaal (luchtweerstand); - het afzuigen van de lucht uit de drooghal naar de bestaande gaswassers dient te worden geoptimaliseerd in functie van de ventilatie van het gebouw; - bijkomende ruimteafzuiging van de stockageruimte en behandeling (bijkomende gaswasser). Verzoekers hebben gegronde vrees dat deze bijkomende voorwaarden niet alleen onvoldoende zullen zijn om dergelijke ernstige geurhinder in te dijken (gelet ook op de vaagheid van de opgelegde voorwaarden), maar daarnaast vrezen zij ook dat de B.V.B.A. Verbeeck deze voorwaarden zonder scrupules aan haar laars zal lappen, zoals zij dit in het verleden ook heeft gedaan met de bouwvergunningen. * 3. Lawaaihinder In tegenstelling tot wat het bestreden besluit beweert (p. 8), gebeuren de meeste activiteiten buiten, wat gepaard gaat met heel wat lawaai. Eerst en vooral is er het af- en aanrijdende zware vrachtverkeer, dat zelfs Het lawaai dat veroorzaakt wordt door die activiteiten wordt dan nog eens versterkt met het geluid van rijdende heftrucks, containers die op de grond vallen, zagende geluiden van machines, stoomketels, ... en alle andere geluiden die inherent zijn aan een industrieel groentenverwerkend bedrijf. * 4. Andere bronnen van hinder : VII-14.635-18/34 Verzoekers hebben tevens bezwaren m.b.t. de vergunning om volgende redenen : - de opslag van gevaarlijke stoffen zoals 400 l waterstofperoxide, 1.300 l natriumhypochloriet en 500 l W AC-aluminiumpolyfosfaat in de nabijheid van een woongebied is niet verantwoord; - op verkeerstechnisch vlak is het onaanvaardbaar dat men de vergunning toestaat, nu het bedrijf niet alleen gelegen is aan een niet uitgeruste openbare weg, maar ook slecht bereikbaar is en de weginfrastructuur onvoldoende is uitgerust voor zwaar vrachtvervoer; - verzoekers hebben van tijd tot tijd te kampen met vliegenplagen; - de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods onttrekt enorm veel water aan de grond voor zijn bedrijvigheid, waardoor alle bronputten in de buurt droogstaan; - roetneerslag ten gevolge van emissie van verbrandingsgassen in afwezigheid van een schouw - minderwaarde van de eigendommen van de aanpalende en/of naburige eigenaars. Om alle redenen hiervoor uiteengezet kan men besluiten dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting NIET tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Het bestreden besluit is dienaangaande dan ook onjuist gemotiveerd. VI.2.3. M.b.t het onderscheid tussen luchtdrogerij en vriesdrogerij. Het bestreden besluit maakt geen onderscheid tussen de vriesdrogerij en de luchtdrogerij, en verwijst naar vergunningen voor de vriesdrogerij, terwijl onderhavig aanvraag betrekking heeft op de luchtdrogerij. Beide activiteiten vormen een afzonderlijk volwaardig bedrijf. Ze bevinden zich op een ruime afstand van elkaar en hebben een eigen uitbater. Het enige wat zij gemeen hebben zijn de grondstoffen en de benaming B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods. Het bestreden besluit geeft zelf op bladzijde 5 toe dat Desondanks wordt op p. 4 (2°/, 3°/ en 4°/ alinea) herhaaldelijk verwezen naar besluiten die betrekking hebben op de vriesdrogerij, zoals : 1. de vergunning nr. ME30/238.3/0009/1 van 21 februari 1989 afgeleverd door de directeur van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij voor het lozen van ander dan normaal huisafvalwater; 2. vergunning nr. ME30/238.3/0009/2 van 21 februari 1989 afgeleverd door de directeur van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij voor het lozen van normaal huisafvalwater; 3. besluit nr. 2/MLWV/94-29/JB/rt van 10 november 1994 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende wijziging van voorwaarden opgelegd in de vergunning nr. ME30/238.3/0009/1 afgeleverd door de directeur van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij (beroepsprocedure ingesteld door verzoekers is nog hangende). Het is onaanvaardbaar dat bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag voor het luchtdrogen van groenten, rekening wordt gehouden met vergunningsbesluiten die betrekking hebben op het vriesdrogen van groenten. Bovendien is de opgegeven motivering contradictorisch, nu het bestreden besluit letterlijk overweegt dat het beroep betrekking heeft op de luchtdrogerij, maar toch rekening houdt met vergunningen die werden uitgereikt voor de vriesdrogerij. Het resultaat daarvan is dat de lozing van ander dan normaal huisafvalwater wordt toegestaan onder de voorwaarden van de lozingsvergunning die werd verkregen voor de vriesdrogerij (terwijl het hier de luchtdrogerij betreft) waarvan thans het beroep van verzoekers nog steeds hangende is. Het gevolg van de gebrekkige dossierkennis van de vergunningverlenende overheid en van het door elkaar halen van vriesdrogerij en luchtdrogerij is dat VII-14.635-19/34 de B.V.B.A. Verbeeck vergunningen bekomt voor één van beide bedrijven, die elk een afzonderlijke uitbater hebben, en die door de B.V.B.A. afhankelijk van de situatie, dan weer voor het ene bedrijf, dan weer ten behoeve van het andere bedrijf aangewend worden. De strategie die gevolgd wordt is zeer eenvoudig: er worden aanvragen ingediend op naam van de rechtspersoon, en de vergunningen die men verkregen heeft voor het ene bedrijf worden handig gebruikt om voor het andere bedrijf eveneens een vergunning te verkrijgen, zonder dat duidelijk wordt gemaakt dat de naar voor geschoven vergunningen slechts betrekking hebben op één bedrijf. Op die manier halen de uitbaters van de B.V.B.A. Verbeeck hun slag thuis telkens wanneer de vergunningverlenende overheid onvoldoende aandacht heeft bij het onderzoek van een vergunningsaanvraag en de strategie van de uitbaters van de B.V.B.A. Verbeeck niet doorziet. Daardoor kon een tuinbouwbedrijf zonder problemen gestadig in omvang toenemen en uitgroeien tot twee industriële inrichtingen die de leefkwaliteit van de hele buurt aantasten. VI.2.4. Andere onjuistheden in het bestreden besluit. Het bestreden besluit gaat er van uit dat er maximum 50 ton groenten per dag wordt verwerkt, Verzoekers zijn het daar niet mee eens. Gezien de intensieve aanvoer van groenten met zware vrachtwagens, is het uitgesloten dat de meerderheid van de groenten afkomstig zou zijn uit eigen oogst. Bovendien beweert de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods 37 ha grond te bewerken. Eén hectare grond kan 25 ton prei opbrengen. Dit zou betekenen dat er in totaal 925 ton prei kan bekomen worden (= 25 x 37). Uitgaande van het gegeven dat er 50 ton prei per dag zou verwerkt worden, vloeit daaruit voort dat de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods in principe op ongeveer 20 dagen haar volledige jaaropbrengst zou kunnen verwerken. Het is dan ook duidelijk dat er iets niet klopt in de beweringen van de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods. Een tweede onjuistheid is dat de aangevoerde groenten afkomstig zouden zijn van de onmiddellijke omgeving. Verzoekers verwijzen naar stuk 5 uit hun bundel, zijnde een lijst met opgave van binnenlandse en buitenlandse kentekens van de vrachtwagens die het terrein aandoen. Daaruit blijkt afdoende dat de beweringen van het bestreden besluit niet met de waarheid stroken. VI.2.5. Besluit. Indien het bestreden besluit zich gebaseerd had op juiste gegevens, op de relevante vergunningsbesluiten, en op alle opgesomde bronnen van hinder, dan had zij de vergunning moeten weigeren, en dan was men tot het besluit gekomen dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Nu de vergunningverlenende overheid een anders luidende beslissing heeft geveld, kan men alleen besluiten dat zij is uitgegaan van een verkeerde voorstelling van de feiten en van een onjuiste feitelijke en juridische motivering"; 3.2.2 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "Verzoekende partijen zijn de mening toegedaan dat de Minister uitgegaan is van een verkeerde voorstelling van de feiten, dat het besluit genomen is op basis van onjuiste motieven, en dat de juridische en feitelijke motivering niet afdoende is. Verzoekende partijen stellen in het bijzonder dat het Ministerieel Besluit gebrekkig en tegenstrijdig zou zijn op volgende vlakken : 1. De inrichting zou niet beschouwd kunnen worden als verenigbaar met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften VII-14.635-20/34 De Minister heeft in zijn besluit het advies gevolgd van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunning: verzoekende partijen zeggen niet op welke grond zij dit advies zouden verwerpen en tonen evenmin aan waarom de Minister dit advies niet mocht volgen. 2 De inrichting zou een hinderlijk karakter hebben Het bestreden besluit bepaalt dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.
- a)Lozingen : Het betrokken bedrijf beschikte reeds, sedert februari 1989, over een vergunning voor het lozen van ander dan normaal huisafvalwater. Dit blijkt o. m. uit het besluit van de Bestendige Deputatie dat uitdrukkelijk bepaalt dat deze vergunning geldt voor het De Minister motiveert zijn beslissing om de lozing (verder) toe te laten trouwens uitvoerig : (...) Hierbij moet nog gewezen worden op het feit dat de gevraagde aanpassing van de ANHA-lozingsvergunning door het verhogen van de vergunde concentraties voor zwevende stoffen van 60 naar 100 mg/l, BZV van 30 naar 70 mg/l en CZV van, 150 naar 200 mg/l wordt geweigerd. Het omstandig gemotiveerd besluit, dat het advies volgde van o.m. de gewestelijke milieuvergunningscommissie, houdt dus wel degelijk rekening met de feitelijke omstandigheden en heeft een en ander duidelijk afgewogen, alvorens de (reeds bestaande) lozingsvergunning verder (beperkt) toe te kennen. De overwegingen van verzoekende partijen zijn dan ook onjuist.
- b)Geurhinder : Het bestreden besluit stelt i.v.m. de mogelijke geurhinder o.m. het volgende : (Volgt een herneming van de motivering m.b.t. de geurhinder in het bestreden besluit - zie III.6 van dit verslag.) Verzoekende partijen Zij vrezen bovendien dat de exploitant de voorwaarden niet zal naleven. De opgelegde voorwaarden moeten echter verplicht uitgevoerd zijn binnen de zes maanden na het verlenen van de vergunning en de ingewonnen adviezen wijzen er op dat deze maatregelen de geurhinder afdoende zullen beperken. De
- c)Lawaaihinder : Gezien de in de loop van de beroepsprocedure diverse uitgebrachte adviezen telkens hetzelfde stellen i.v.m. de lawaaihinder (zie o.m. stukken 6 en 7), advies dat overgenomen werd door de Minister : De Minister heeft dus geoordeeld dat de lawaaihinder niet van die aard is dat het weigeren van de vergunning zou kunnen rechtvaardigen: de opgelegde algemene milieuvoorwaarden moeten voldoende zijn om de lawaaihinder te beperken.
- d)Andere bronnen van hinder : In verband met het opslagen van gevaarlijke stoffen worden verschillende bijkomende voorwaarden aan de exploitant opgelegd. VII-14.635-21/34 Andere beweerde bronnen van hinder zijn tijdens het openbaar onderzoek niet aan het licht gekomen en worden door verzoekende partijen evenmin aangetoond. 3. Het onderscheid tussen luchtdrogerij en vriesdrogerij : Volkomen ten onrechte beweren verzoekende partijen dat het Ministerieel besluit de toegekende vergunningen, voor de luchtdrogerij enerzijds, en voor de vriesdrogerij anderzijds, door elkaar gebruikt. Niets is minder waar : verzoekende partijen trachten zelf verwarring te scheppen. Uit het besluit van de bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen blijkt trouwens dat de verschillende vergunningen, waarnaar in het Ministerieel Besluit wordt verwezen wel degelijk verleend werden aan de luchtdrogerij. 4. Andere beweerde onjuistheden in het bestreden besluit : Het dossier werd naar behoren onderzocht en de vergunning werd na een omstandige motivering, op basis van diverse gunstige adviezen, toegekend, mits het opleggen van bepaalde algemene of bijzondere milieuvoorwaarden. De beweerde onjuistheden zijn niet alleen niet bewezen, maar ook niet relevant. Het middel is ongegrond"; 3.2.3. Overwegende dat in hun memorie van wederantwoord de verzoekende partijen grotendeels herhalen wat reeds in het verzoekschrift werd uiteengezet; dat "m.b.t. het onderscheid tussen de luchtdrogerij en de vriesdrogerij" zij nog doen gelden wat volgt : "Zoals hoger reeds werd aangestipt moet er een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de lucht- en de vriesdrogerij. Het betreft hier twee volwaardige en ruimtelijk van elkaar onderscheiden bedrijven. Vergunningen bekomen voor de vriesdrogerij mogen niet als basis dienen voor een uitbreiding van de luchtdrogerij. Nochtans is dit precies dat wat zich in casu heeft voorgedaan. Het bestreden besluit heeft enkel betrekking op het luchtdrogen van groenten, niet vriesdrogen, dit volgt met zoveel woorden uit de vergunningsaanvraag dd. 23 mei 1995, In het verleden werden door de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods twee vergunningen bekomen voor het lozen van NHA en ANHA. Deze twee lozingsvergunningen, met referenties ME 30/283.3/0009/1 en ME 30/283.3/0009/2, hebben uitsluitend betrekking op het vriesdrogingsbedrijf, en gelden tot 11 september 2011. Bij besluit van de Bestendige Deputatie van 10 november 1994, ref. 2/MV IML WV /94- 29 werden de lozingsvoorwaarden voor de lozing van AHNA gewijzigd, door vervanging van het lozingsdebiet en de toegelaten parameters tot 31 augustus 2006. Tegen deze beslissing werd dd. 21 december 1994 beroep ingesteld bij de Vlaamse Regering, dit beroep is nog steeds hangende. Het besluit van de Bestendige Deputatie dd. 10 november 1994 heeft exclusief betrekking op de vriesdrogerij, dit blijkt duidelijk uit de vergunningsaanvraag van verwerende partij, waarin staat te lezen : Dat het besluit van 10 november 1994 enkel betrekking heeft op de vriesdrogerij blijkt bovendien ontegensprekelijk uit het advies van het bestuur milieuvergunningen van de administratie voor leefmilieu van 23 september 1994, waarin vermeld staat onder 9°/ : VII-14.635-22/34 Bij het bestuderen van het afvalwaterplan blijkt duidelijk dat enkel de vriesdrogerij over de beschreven Tenslotte kan verwezen worden naar het besluit van de Bestendige Deputatie zelf, waarin wordt aangegeven dat aangevraagde vergunning betrekking heeft op de vriesdrogerij : ARAB : Besluit van de Bestendige Deputatie van 9 mei 1985 (nummer 52.306f2) houdende vergunning van een inrichting voor het droogvriezen van groenten'. Uit wat voorafgaat blijkt duidelijk dat waar het bestreden Ministerieel Besluit dd. 20 juni 1996 enkel betrekking heeft op de luchtdrogerij, de lozingsvergunning dd. 10 november 1994 uitsluitend betrekking heeft op de vriesdrogerij. Vlaams Minister voor Leefmilieu en Tewerkstelling heeft nu bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag voor het luchtdrogen van groenten een beroep gedaan op de vergunningsbesluiten die uitsluitend betrekking hebben op het vriesdrogen van groenten. De Minister heeft een vergunning verleend voor de luchtdrogerij door het uitbreiden van de vergunning van 10 november 1994, welke zoals hoger werd aangetoond enkel betrekking had op de vriesdrogerij. Deze werkwijze is uiteraard onaanvaardbaar, en vindt haar oorzaak in een gebrekkige dossierkennis. De motivering van het Ministeriële Besluit van 20 juni 1996 is niet afdoende daar de beslissing werd getroffen op een foutieve feitelijke grondslag. Door deze vorm van slordigheid heeft de B.V.B.A. verschillende vergunningen kunnen bekomen, en is het tuinbouwbedrijf zonder problemen langzaam kunnen uitgroeien tot twee industriële inrichtingen die de leefkwaliteit van de hele omgeving aantasten"; 3.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar vordering tot tussenkomst volgend verweer voert : "48. Het is de tot tussenkomst verzoekende partij vooreerst niet duidelijk welk het verschil is tussen de beide Het is onder dit voorbehoud betreffende de ontvankelijkheid van het middel dat de tot tussenkomst verzoekende partij het middel weerlegt, voor zover daarmee de schending van de motiveringsverplichting (gebrekkigheid en tegenstrijdigheid) en de beginselen van de redelijkheid en de zorgvuldigheid bedoeld wordt. 49. (ad 1) De verzoekende partijen menen de beweerde gebrekkige motivering van de bestreden beslissing vooreerst te kunnen afleiden uit het feit dat de Minister er ten onrechte zou vanuit gegaan zijn dat de inrichting planologisch en ruimtelijk verenigbaar is. Dat dit wel degelijk het juiste uitgangspunt was voor de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag voor de uitbreiding van de luchtdrogerij heeft de BVBA VDF bij de bespreking van het eerste middel in extenso aangetoond. Er kan dan ook volstaan worden met naar deze uiteenzetting te verwijzen. 49. (ad 2) Een tweede vermeend motiveringsgebrek zou gelegen zijn in de omstandigheid dat de Minister heeft geoordeeld dat de risico's en hinder die mogelijkerwijze van de exploitatie zou uitgaan kan beperkt worden tot een VII-14.635-23/34 aanvaardbaar niveau, terwijl, aldus de verzoekende partijen, de inrichting hinderlijk zou zijn. De beweerde hinderbronnen die de verzoekende partijen aanhalen zijn hinder uit lozingen, geurhinder, lawaaihinder, en andere bronnen van hinder. 50. Inzake de lozingen, kan eveneens verwezen naar de weerlegging van het eerste middel, waar werd aangetoond dat de BVBA VDF voor de luchtdrogerij beschikt over lozingsvergunningen,dat deze lozingsvergunningen stipt worden nageleefd, dat de bestreden beslissing enkel het maximum debiet heeft verhoogd, doch de bestaande lozingsnormen onverlet heeft gelaten, en dat de Minister het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij ter zake heeft gevolgd. Dat de lozingsvergunningen enkel zouden slaan op de vriesdrogerij, en niet op de luchtdrogerij, is manifest onjuist en wordt door de verzoekende partijen op geen enkele manier aangetoond. 51. Met betrekking tot de beweerde geurhinder, deze niet zal respecteren. Dat de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden ter bestrijding van mogelijke geurhinder niet vaag zijn blijkt uit de gedetailleerde omschrijving ervan onder artikel 6,2/ van het bestreden besluit : - optimalisering van de hoeveelheid vulmateriaal (luchtweerstand) , - het afzuigen van de lucht uit de drooghal naar de bestaande gaswassers dienen te worden geoptimaliseerd in functie van de ventilatie van het gebouw, - bijkomende ruimteafzuiging van de stockageruimte en behandeling (bijkomende gaswassers)'. Het spreekt verder voor zich dat een loutere Dit geldt des te meer nu de verzoekende partijen op geen enkele manier aangeven waarom zij Verzoekende partijen tonen evenmin aan dat er gegronde redenen zouden zijn voor hun Dat deze Deze derde gaswasser werd ondertussen vergund bij besluit van het Schepencollege van Mechelen dd. 22 oktober 1996. 52. Dat er geen overmatige lawaaihinder uitgaat van de exploitatie van de luchtdrogerij, en dat de Minister dit wel degelijk heeft onderzocht, werd in het eerste middel reeds aangetoond. Ook op dit punt is de bestreden beslissing derhalve niet tegenstrijdig, noch gebrekkig gemotiveerd. 53. Ook voor de beweerde ontoelaatbare opslag van gevaarlijke stoffen en voor de vermeende verkeerstechnische problemen, kan de BVBA VDF volstaan met (
- te)verwijzen naar de weerlegging van het eerste middel. 54. Als andere zogenaamde bronnen van hinder verwijzen verzoekende partijen naar vermeende vliegenplagen, beweerde overmatige onttrekking door de luchtdrogerij van water aan de grond, vermeende roetneerslag en beweerde minderwaarde van hun woningen. VII-14.635-24/34 Opvallend is dat zij voor geen van deze zogenaamde andere bronnen van hinder ook maar enig stuk voorleggen, waaruit het daadwerkelijk bestaan van deze zogenaamde hinderbronnen zou kunnen afgeleid worden. Met betrekking tot de beweerde minderwaarde van de woningen van verzoekende partijen dient wel opgemerkt te worden dat de verzoekende partijen zich in de Juniorslaan zijn komen vestigen, nadat de luchtdrogerij van de BVBA VDF reeds ter plaatse in exploitatie was. Het zou al te gemakkelijk zijn om zich eerst in de nabijheid van een para-agrarisch bedrijf te komen vestigen, om zich nadien te beroepen op de zogenaamde minderwaarde die van de aanwezigheid van dit bedrijf zou uitgaan. Ook in de leer van de burenhinder speelt de anterioriteit overigens een niet onbelangrijke rol. Bovendien verzuimen de verzoekende partijen hun eigendomstitels voor te leggen, hetgeen op zichzelf reeds veelzeggend is. 55. Uit het bovenstaande volgt dan ook dat de Minister terecht, en op gemotiveerde wijze, heeft besloten dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting tot een aanvaardbaar niveau kunnen beperkt worden, mits het naleven van de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden. De verzoekende partijen vergeten klaarblijkelijk dat een milieuvergunning steeds wordt verleend voor een per definitie Willen vragen dat er geen hinder is, komt neer op de negatie van de hinderwetgeving. De vraag is alleen of de Minister, bij het beoordelen van de hindermaat en van de maatregelen die van aard zijn om deze hindermaat te beperken, op kennelijk onredelijke wijze tewerk is gegaan. Dit bewijs wordt op geen enkele wijze gegeven. Eens te meer willen de verzoekende partijen de Raad ertoe bewegen om zelf de hindermaat te onderzoeken, getuige de uitgebreide affirmaties over alle soorten 56. (ad 3) De verzoekende partijen menen een ander motiveringsgebrek te kunnen vaststellen in het feit dat de bestreden beslissing geen onderscheid zou maken tussen de vriesdrogerij enerzijds en de luchtdrogerij anderzijds, doordat wordt verwezen naar de lozingsvergunningen van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij dd. 21 februari 1989 en de wijzigende lozingsvergunning van de Bestendige Deputatie dd. 10 februari 1994, terwijl deze vergunningen volgens de verzoekende partijen uitsluitend betrekking zouden hebben op de vriesdrogerij. Zoals de BVBA VDF hoger reeds aangetoond heeft, hebben deze lozingsvergunningen wel degelijk betrekking op beide verwerkingseenheden (dus ook op de luchtdrogerij), zodat de Minister terecht, en zonder miskenning van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen, naar deze lozingsvergunningen heeft kunnen verwijzen in het bestreden besluit. In dit verband wenst de BVBA VDF zich overigens met klem te verzetten tegen de loze verdachtmakingen van de verzoekende partijen (pagina 15 annulatieberoep), als zou de BVBA VDF een zekere Zoals blijkt uit de litigieuse milieuvergunningsaanvraag heeft de BVBA VDF er geen enkele twijfel of dubbelzinnigheid over laten bestaan dat de gevraagde uitbreiding wel degelijk betrekking heeft op de luchtdrogerij, en niet op de vriesdrogerij. Zo wordt in bijlage 3 bij de milieuvergunningsaanvraag expliciet gezegd : In bijlage 4 bij de milieuvergunningsaanvraag wordt het voorwerp van de aanvraag omschreven als volgt : VII-14.635-25/34 Het bedrijf DRY FOODS VERBEEK bestaat uit 2 verwerkingsafdelingen, namelijk de vriesdrogerij, en de luchtdrogerij. (...) Deze aanvraag betreft de luchtdrogerij'. In bijlage 5 wordt eens te meer verwezen naar het indrogen van groenten met warme luchtgenerators. De Minister is dan ook geenszins, tengevolge van beweerde VDF, doch heeft de milieuvergunning gedeeltelijk toegestaan, zich wel bewust van het feit dat de aanvraag de luchtdrogerij, en niet de vriesdrogerij betreft. In het bestreden besluit wordt overigens uitdrukkelijk gesteld : 57. (ad 4) Op pagina 15 van hun annulatieberoep werpen de verzoekende partijen tenslotte op dat er twee feitelijke onjuistheden zouden terug te vinden zijn in de bestreden beslissing. De eerste feitelijke onjuistheid zou bestaan in de overweging dat er slechts 50 ton groenten per dag wordt verwerkt, en dat de verwerkte groenten hoofdzakelijk prei zijn, gedeeltelijk uit eigen oogst, gedeeltelijk aangevoerd. Ten einde aan te tonen dat de BVBA VDF in haar luchtdrogerij wel degelijk maximum 50 ton prei (aangevoerd en eigen teelt) per dag verwerkt, en dat de meerderheid van de groenten afkomstig is van eigen teelt, volgt hierna de gedetailleerde berekening voor 1996 : - Periode 8 januari tot 13 januari (5 dagen) : - 6,2 ha maaiprei van eigen teelt = 70 ton - periode 18 maart tot 10 mei (aan 1 à 2 produktiedagen per week) - 27 ton gewone prei aangevoerd - 65 ton maaiprei uit eigen teelt - periode 12 augustus tot 20 december (95 produktiedagen) - 60 ha maaiprei uit eigen teelt - 5 ha maaiprei via contract met tuinder Totaal 65 ha X 30ton/ha = 1950 ton - 440 ton gewone prei aangevoerd - TOTAAL - 2.552 ton verwerkt in ca. 112 d. = 22.786 kg/dag - eigen teelt :1.935 ton - aangevoerd : 617 ton Dat per dag niet meer dan 50 ton groenten wordt verwerkt, en dat de meerderheid van de groenten afkomstig is van eigen teelt, zijn dan ook zonder meer correcte feitelijke vaststellingen van de Minister. 58. De tweede beweerde feitelijke onjuistheid, zou de vaststelling in het bestreden besluit zijn dat de aangevoerde groenten afkomstig zouden zijn uit de onmiddellijke omgeving. Daartoe leggen de verzoekende partijen een lijst neer van binnenlandse en buitenlandse kentekens van vrachtwagens die zogenaamd het terrein van de BVBA VDF zouden aandoen. Vooreerst dient hier herhaald te worden dat het feit of de groenten al dan niet afkomstig zijn uit de onmiddellijke omgeving, geen enkel belang heeft in het licht van de beoordeling van de planologische verenigbaarheid van de gevraagde uitbreiding van de luchtdrogerij. Zoals in het eerste middel omstandig aangetoond, wordt het al dan niet para-agrarisch karakter van een onderneming immers niet beoordeeld in functie van haar al dan niet grondgebonden karakter. Wat vereist wordt is dat het bedrijf onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is, wat voor de luchtdrogerij van de BVBA VDF onmiskenbaar het geval is. VII-14.635-26/34 Los daarvan wordt het grootste deel van de aangevoerde groenten getransporteerd met een tractor, wat duidelijk aantoont dat de groenten wel degelijk afkomstig zijn uit de onmiddellijk(
- e)omgeving. De lijst van de verzoekende partijen met de kentekens van vrachtwagens die het bedrijf van de BVBA VDF zogenaamd zouden aandoen is een louter éénzijdig stuk, dat op geen enkele manier het bewijs kan leveren voor het feit dat de groenten niet uit de onmiddellijke omgeving zouden afkomstig zijn. 59. Het middel is ongegrond"; 3.2.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in de toelichtende memorie grotendeels haar argumenten uit haar vordering tot tussenkomst herneemt en dat zij daaraan nog toevoegt wat volgt : "15. Vooreerst dient beklemtoond te worden dat de vraag of de wijzigende lozingsvergunning voor ander dan normaal huisafvalwater van de Bestendige Deputatie van 10 februari 1994 al dan niet betrekking heeft op de luchtdrogerij volstrekt naast de kwestie is, gelet op het tussengekomen bestreden vergunningsbesluit. Bij het bestreden ministerieel besluit van 20 juni 1996 wordt immers uitdrukkelijk voor de luchtdrogerij een lozingsvergunning toegekend voor ander dan normaal huisafvalwater : Aan de B.V.B.A. Verbeeck Dry Foods (...) wordt de gevraagde vergunning (...) enerzijds verleend voor : de uitbreiding met : - het lozen van ander dan normaal huisafvalwater met gevaarlijke stoffen in de gewone oppervlaktewateren (. . .) en aanpassing van de ANHA-lozingsvergunning door het verhogen van het vergunde debiet van 30 m³/dag naar 40 m³/dag en door het opnemen van een grenswaarde voor zink van 0, 5 mg /1 (...) Artikel 6 (...) 2°/ Bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden : - met betrekking tot de lozing van bedrijfsafvalwater blijven de voorwaarden opgelegd bij besluit nr. 2/MLWV/94-29/JB/rt behouden met uitzondering van het maximum toegelaten lozingsdebiet dat wordt vervangen door 4 m³/ uur respectievelijk 40 m³/dag. Deze voorwaarden worden verder aangevuld met zink (totaal) : 0,5 mg/l'. (pagina 11-12 en 14 van het bestreden besluit). De Minister heeft bij het bestreden besluit met andere woorden specifiek voor de luchtdrogerij de lozingen opnieuw vergund, waarbij voor het bepalen van de lozingsvoorwaarden wordt verwezen naar de voorwaarden van het besluit van de Bestendige Deputatie van 10 februari 1992 (mits wijziging van het lozingsdebiet en het opnemen van een grenswaarde voor zink), die expliciet van toepassing worden verklaard op de activiteiten van de luchtdrogerij. Of voormeld besluit van de Bestendige Deputatie, vóór het bestreden ministerieel vergunningsbesluit al dan niet reeds van toepassing was op de luchtdrogerij, is, gelet op het uitdrukkelijk overnemen van de lozingsvoorwaarden ervan in het bestreden besluit, dan ook naast de kwestie. 16. In ondergeschikte orde, dient evenwel nogmaals opgemerkt te worden dat de basis-lozingsvergunningen voor normaal, en ander dan normaal huisafvalwater, alsmede het besluit van de Bestendige Deputatie van 10 februari 1992 houdende wijziging van de lozingsvergunning voor ander dan normaal huisafvalwater in ieder geval steeds van toepassing zijn geweest, zowel op de luchtdrogerij, als op de vriesdrogerij. VII-14.635-27/34 Bij besluit van 21 februari 1989 van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij (ref. ME30/238.3/0009/1) wordt aan Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, inzonderheid op artikel 5; Gelet op het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen regelement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juli 1985 en 4 november 1987; Gelet op de aanvraag, ingediend door Verbeeck Dry Foods pvba Juniorslaan 38 2931 Mechelen op 15/8/85 om een lozingsvergunning te bekomen; Gelet op de inlichtingen, verstrekt door de aanvrager; Gelet op het verslag dd. 1.12.1988 van de technologische dienst; Na onderzoek. Aangezien het een lozing betreft van ander afvalwater dan normaal huisafvalwater samengesteld uit industrieel- en sanitair afvalwater in de gewone oppervlaktewateren; Aangezien de lozing geschiedt via open gracht in de Molenbeek, onbevaarbare waterloop van 2de kategorie AWP code 61001; Artike1 1 De aangevraagde vergunning wordt verleend aan : Verbeeck Dry Foods pvba Juniorslaan 38 2931 Mechelen (...)', waarna een opsomming volgt van de milieuvergunningsvoorwaarden. Uit deze basis-lozingsvergunning voor ander dan normaal huisafvalwater, verleend aan de tussenkomende partij, blijkt derhalve op geen enkele manier dat zij enkel en alleen betrekking zou hebben op de vriesdrogerij, zoals de verzoekende partijen ten onrechte blijven aanvoeren. Bij lezing van de lozingsvergunning van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij (ref. ME/238.3/0009/2) voor normaal huisafvalwater dient tot hetzelfde besluit gekomen te worden, gelet op het eveneens ontbreken van ook maar enige specifiëring of deze vergunning de luchtdrogerij, dan wel de vriesdrogerij zou betreffen. Uit het enkele feit dat de vergunning wordt verleend aan bestaat uit twee verwerkingseenheden, zijnde de luchtdrogerij en de vriesdrogerij, blijkt a contrario dat de lozingsvergunningen wel degelijk verleend werden voor de beide verwerkingseenheden. In het ander geval had het vergunningverlenend bestuur immers uitdrukkelijk gestipuleerd dat de lozingsvergunningen uitsluitend betrekking zouden hebben op de ene of op de andere verwerkingseenheid. 17. Bij besluit van de Bestendige Deputatie van 10 november 1992 (lees: 1994) werd de voormelde basisvergunning voor ander dan normaal huisafvalwater gewijzigd : §1 De voorwaarden opgelegd bij besluit van de Vlaamse Maatschappij voor Waterzuivering dd. 21 februari 1989 voor de lozing van ander dan normaal huisafvalwater in oppervlaktewateren te 2811 Mechelen (Leest), Juniorslaan 38 worden gewijzigd door vervanging van het lozingsdebiet en de toegelaten parameters, zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit'. VII-14.635-28/34 Een wijziging van de basis-lozingsvergunning van 21 februari 1989 die geldt voor beide verwerkingseenheden, geldt a fortiori (voor) eveneens voor beide verwerkingseenheden. Bovendien dient opgemerkt te worden dat, noch in het beschikkend gedeelte van het wijzigingsbesluit van de Bestendige Deputatie, zoals hoger geciteerd, noch in de aanhef van dit besluit ( 18. Nu zowel de initiëële basis-lozingsvergunning voor ander dan normaal huisafvalwater, als de wijziging hiervan, bij besluit van de Bestendige Deputatie van 10 november 1994, betrekking hebben op de beide verwerkingseenheden, is het logisch dat in het besluit van de Bestendige Deputatie, onder meer bij verwijzing naar de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij, en bij de weergave van het advies van het Bestuur Milieuvergunningen, ook wordt verwezen naar de activiteit van het vriesdrogen. De verzoekende partijen vergeten evenwel te vermelden dat er evenzeer naar de activiteit van het luchtdrogen wordt verwezen, zo bij de bespreking van het ongunstig advies van het schepencollege van de Stad Mechelen : (pagina 4 besluit van de Bestendige Deputatie van 10 november 1994). 19. Tenslotte is het fundamenteel te benadrukken dat de Minister zich, inzake het bepalen van de lozingsvergunningen waarover de luchtdrogerij van de tussenkomende partij beschikt, volledig heeft gericht naar de adviezen van de adviesverlenende instanties. Zo stelt de Vlaamse Milieumaatschappij in zijn advies van 22 maart 1996 : 10/11/1994 door de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen aangepast'. Onder het hoofdstuk Ook de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie verwijst in zijn advies van 29 maart 1996 (pagina 4) uitdrukkelijk naar voormelde lozingsvergunningen. Het zijn derhalve enkel en alleen de verzoekende partijen die blijven beweren, zonder hiervoor ook maar enig bewijskrachtig stuk voor te leggen, dat voormelde lozingsvergunning uitsluitend de vriesdrogerij zou betreffen"; 3.2.6. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie met betrekking tot het tweede middel verwijzen naar hun verzoekschrift en memorie van wederantwoord; dat zij hun standpunt handhaven dat de lozingsvergunning die de tussenkomende partij heeft verkregen op 21 februari 1989, gewijzigd bij besluit van de bestendige deputatie van 10 november 1994, enkel betrekking heeft op het vriesdrogen, hetgeen zou blijken uit laatstgenoemd besluit zelf, waarin alleen zou worden verwezen naar de vergunning van 4 mei 1986 voor de exploitatie van de afdeling vriesdrogen en niet naar de vergunning van 4 januari 1977 voor de afdeling luchtdrogen, alsook uit het verslag van AMINAL van 23 september 1994 waar enkel de vergunning van 4 juni 1986 (vriesdrogen) wordt vermeld en niet de vergunning VII-14.635-29/34 van 4 januari 1977 (luchtdrogen); dat zij er aan toevoegen dat zij hadden verwacht dat de tussenkomende partij alle vergunningen en documenten zou overleggen en dat ook de verwerende partij de plicht heeft het administratief dossier binnen de vastgestelde termijn over te leggen, dat zo niet de door de verzoekende partijen aangehaalde feiten als bewezen worden beschouwd; dat zij nog stellen dat, zelfs in de veronderstelling dat het zou gaan om een nieuwe lozingsvergunningsaanvraag, dan nog de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld, vermits zij alsdan had moeten oordelen of de hinder die zou voortvloeien wegens de toekenning van een tweede lozingsvergunning, naast diegene die thans bestond, ook nog aanvaardbaar zou zijn geweest, hetgeen zij niet heeft gedaan gelet op de foutieve feitelijke voorstelling; 3.2.7.1. Overwegende, wat de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid betreft, dat de verzoekende partijen in een eerste onderdeel de schending aanvoeren van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dat zij in een tweede onderdeel de schending aanvoeren van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel; dat daarop summier wordt uiteengezet waaruit de schending van beide onderdelen bestaat; dat er wel degelijk een onderscheid bestaat tussen beide onderdelen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3.2.7.2. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat uit de sub 1.6 weergegeven motivering van het bestreden besluit blijkt dat deze alle juridische en feitelijke gegevens bevat die de minister tot zijn beslissing hebben geleid; dat overigens de verzoekende partijen in het middel uitvoerig kritiek geven op de motieven van het bestreden besluit; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; 3.2.7.3. Overwegende, wat de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, dat dit beginsel slechts kan zijn geschonden wanneer er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de rechtens relevante en op werkelijk bestaande feiten gesteunde motieven en de beslissing die op grond ervan is genomen; dat aangezien de verzoekende partijen in het middel in essentie aanvoeren dat de minister tot zijn beslissing is gekomen op basis van onjuiste en onvolledige informatie en dat aldus de beslissing is gestoeld op onjuiste motieven, de grief gestoeld op de schending van het redelijkheidsbeginsel niet gegrond is; 3.2.7.4.1. Overwegende, wat de grief gestoeld op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, dat de verzoekende partijen niet kunnen worden gevolgd in hun eerste argument dat de betrokken inrichting, gelet op haar industrieel VII-14.635-30/34 karakter, niet kan worden toegelaten in agrarisch gebied; dat desbetreffend kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; 3.2.7.4.2. Overwegende, wat het tweede argument betreft gestoeld op de diverse hinderaspecten, dat vooreerst in het bestreden besluit een aantal maatregelen werden opgelegd om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dat de loutere "vrees" dat die maatregelen onvoldoende zouden zijn niet volstaat om te concluderen dat de geurhinder een onaanvaardbaar niveau zou bereiken; dat de vrees dat de tussenkomende partij die voorwaarden aan "haar laars zal lappen" hypothetisch is en bovendien losstaat van de wettigheid van het bestreden besluit; dat, wat de aangevoerde lawaaihinder betreft, de verzoekende partijen nalaten op concrete wijze de motivering van het bestreden besluit dat het aantal vrachten tijdens de productiedagen beperkt blijft tot maximum twee vrachten per dag aanvoer en twee vrachten per dag afvoer en dat de meeste activiteiten binnen in het gebouw gebeuren te weerleggen; dat de minister ook oog heeft gehad voor het gegeven dat "het lawaai van traktoren en aanrijdend verkeer tijdens de oogst onversnijdbaar is"; dat deze tijdelijke hinder inherent is aan de para-agrarische activiteit; dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld in zijn oordeel -gesteund op de uitgebrachte adviezen- dat de lawaaihinder binnen de perken van het aanvaardbare kan blijven; dat, wat de beweerde lozing van zware metalen betreft, de verzoekende partijen ook hier nalaten concrete gegevens mee te delen, laat staan bewijzen daarvan neer te leggen; dat, wat de vergunde opslag van gevaarlijke stoffen betreft, in het bestreden besluit op basis van de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt opgelegd dat de opslagplaats van deze stoffen wordt ingekuipt; dat de verzoekende partijen niet in concreto aantonen hoe de ingekuipte opslag van de stoffen waarvoor vergunning werd verleend onaanvaardbaar zou zijn voor het dichtstbijgelegen woongebied; dat, wat de beweerde ligging van het bedrijf aan een niet uitgeruste openbare weg betreft, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat voor wat betreft de overige aangebrachte bronnen van hinder, zoals vliegenplagen, uitputting van het grondwater en roetneerslag, de verzoekende partijen hiervan geen enkel bewijs naar voren brengen; dat, tenslotte, de aangevoerde minwaarde van de eigendommen van de verzoekende partijen niet als een "bron van hinder" kan worden beschouwd, die door de milieuvergunnende overheid in haar beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag moet worden betrokken; VII-14.635-31/34 3.2.7.5. Overwegende, wat de grief betreft dat de overweging in het bestreden besluit dat de in de inrichting verwerkte groenten "hoofdzakelijk prei betreft uit eigen oogst (in het najaar 80 % en in het voorjaar 65 %) of aangevoerd wordt uit de onmiddellijke omgeving" niet met de realiteit zou stroken -hetgeen evenwel op uitvoerige wijze door de tussenkomende partij wordt weerlegd-, dat wordt vastgesteld dat de verzoekende partijen niet betwisten dat er maximum 50 ton groenten in de inrichting wordt verwerkt; dat zelfs in de niet bewezen veronderstelling dat de tussenkomende partij meer aangevoerde groenten zou verwerken dan in het bestreden besluit aangegeven en dus minder eigen groenten zou verwerken, de grief van de verzoekende partijen in casu niet relevant is; dat, immers, uit artikel 11 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 blijkt dat het grondgebonden karakter van een bedrijf niet essentieel is voor de kwalificering als para-agrarisch bedrijf; dat, voorts, de verzoekende partijen nergens aantonen dat het af- en aanrijdend zwaar vrachtverkeer tijdens de productiedagen meer bedraagt dan twee aanrijdende en twee afrijdende vrachtwagens per dag; dat in elk geval de lijst met kentekens van vrachtwagens die het bedrijf aandoen niet bewijst dat dit aantal niet correct zou zijn; dat ook de eigen gekweekte groenten en de uit de onmiddellijke omgeving afkomstige groenten naar de betrokken inrichting moeten worden aangevoerd; dat dienvolgens niet valt in te zien -en de verzoekende partijen ook niet aantonen- hoe de verhouding eigen en aangevoerde oogst het niveau van de hinder beïnvloedt; 3.2.7.6.1. Overwegende dat wordt vastgesteld dat noch de lozingsvergunning van 21 februari 1989 voor ander dan normaal huisafvalwater (ANHA), noch de daarop slaande vergunningsaanvraag, noch het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 november 1994 houdende de wijziging van evengenoemde vergunning, noch de vergunningsaanvraag die tot de bestreden vergunning heeft geleid, voorligt; dat bezwaarlijk van de verzoekende partijen kan worden verlangd dat zij die stukken neerleggen; dat bij gebrek aan die documenten, de Raad van State niet met voldoende zekerheid kan uitmaken of de vergunningen voor de lozing van ANHA waarover de tussenkomende partij reeds beschikte, al dan niet slaan op zowel de vriesdrogerij als de luchtdrogerij; 3.2.7.6.2. Overwegende dat de Raad van State er niet omheen kan dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar "gelet op de vergunning ... van 21 februari 1989 afgeleverd door de directeur van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij voor het lozen van ander dan normaal huisafvalwater (ANHA) en op het besluit van 10 november 1994 van de bestendige deputatie houdende wijziging van de voorwaarden opgelegd in evengenoemde vergunning", dat wordt overwogen dat het bedrijf een lozingsvergunning bezit voor het lozen van bedrijfsafvalwater met een maximum VII-14.635-32/34 debiet van 4m³/uur, respectievelijk 30 m³/dag, en dat het bedrijf nu enerzijds een uitbreiding vraagt van het lozingsdebiet tot 40 m³/dag en anderzijds een aanpassing vraagt van de opgelegde normen voor zwevende stoffen, BZV en CZV en het opnemen van een grenswaarde voor zink, dat in het beschikkend gedeelte van het bestreden besluit de vergunning wordt verleend voor "aanpassing van de ANHA- lozingsvergunning door het verhogen van het vergunde debiet van 30 m³/dag naar 40 m³/dag en door het opnemen van een grenswaarde voor zink van 0,5 mg/l", dat "de aanpassing van de ANHA-lozingsvergunning door het verhogen van de vergunde concentraties voor zwevende stoffen van 60 naar 100 mg/l, BZV van 30 naar 70 mg/l en CZV van 150 naar 200 mg/l" wordt geweigerd en dat als bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt bepaald dat voor de lozing van bedrijfsafvalwater de voorwaarden opgelegd bij besluit van 10 november 1994 blijven behouden en worden aangevuld met "zink (totaal : 0,5 mg/l"; dat deze overwegingen haaks staan op het betoog van de tussenkomende partij dat de minister met het bestreden besluit "de lozingen opnieuw heeft vergund"; dat niet valt in te zien hoe het verlenen van een nieuwe lozingsvergunning bij "uitbreiding" terzelfdertijd een aanpassing en gedeeltelijke bevestiging inhoudt van de oude lozingsvergunning die door de nieuwe lozingsvergunning zou zijn vervangen; dat een aantal hiervoren geciteerde overwegingen uit het bestreden besluit er op wijzen dat het wel degelijk de bedoeling was om de bestaande lozingsvergunning uit te breiden en dat de zinsnede uit artikel 3 van het bestreden besluit dat aan de b.v.b.a. VERBEECK DRY FOODS de gevraagde vergunning om een tuinbouwbedrijf te veranderen voor de uitbreiding met : het lozen van ander dan normaal huisafvalwater met gevaarlijke stoffen in de gewone oppervlaktewateren niet kon worden begrepen als dat er een nieuwe lozingsvergunning wordt verleend, maar wel een uitbreiding van de bestaande lozingsvergunning; 3.2.7.6.3. Overwegende dat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat het milieuhygiënisch onderzoek verschillend is naargelang het om een nieuwe lozingsvergunning gaat dan wel om een uitbreiding en aanpassing van een voor de inrichting reeds bestaande lozingsvergunning; dat evenwel in de huidige stand van het geding de Raad van State niet op adequate wijze kan oordelen over de door de verzoekende partijen aangevoerde grief; dat het wenselijk is dat het bevoegde lid van het auditoraat een aanvullend onderzoek voert, dat inhoudt dat hij aan de verwerende en de tussenkomende partij om de neerlegging verzoekt van de ontbrekende stukken (zie supra) en aan de hand van die stukken een onderzoek voert naar de exacte vergunningstoestand van de luchtdrogerij voor wat betreft de lozing van ANHA, VII-14.635-33/34 BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.635-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.149 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.442 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div