id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.213 Rolnummer: A. 108046/XIV-5784 Zaak: Arrest 147213 - - 01/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 20:44 Fiche Arrest nr 147.213 van 1 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.213 van 1 juli 2005 in de zaak A. 108.046/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. DIONSO DIYABANZA, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, Uyttenhovestraat 33 bus 2 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 september 1964 en van Georgische nationaliteit, op 25 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 27 juni 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-5784-1/6 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 mei 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. HAYFRON-BENJAMIN die, loco Advocaat C. DIONSO DIYABANZA, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 8 november 2000 en verklaart zich vluchteling op 8 november
- 1.
- Op 10 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 26 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 15 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Georgische taal machtig is. Betrokkene, een Georgisch staatsburger van Georgische origine zou in zijn land problemen hebben gekend. Betrokkene zou te Akhaltsike chauffeur zijn geweest van het Georgische leger. Op 5 mei 1992 zou betrokkene met drie andere personen wapens hebben vervoerd naar Gali (Abchazië). In Gali zou de vrachtwagen zijn gestopt en beroofd door politieagenten van het Akhaltsikhe departement. Hierbij zou één van betrokkenes metgezellen zijn gedood. Betrokkene zou op de vlucht zijn geslagen en een tijdje bij kennissen zijn ondergedoken. Betrokkene zou via kennissen eveneens hebben gehoord dat het leger de schuld van het verdwijnen van de wapens in zijn schoenen wilde schuiven. Betrokkene zou om deze reden niet naar de militaire basis zijn teruggekeerd. Tegen betrokkene zou een crimineel onderzoek zijn gestart en hij zou zijn gezocht door de politie. Betrokkene zou omstreeks midden augustus 1992 naar Rusland zijn gevlucht. Betrokkene zou hier illegaal en zonder registratie hebben verbleven. Omstreeks 3 juli 1999 zou betrokkene door 3 Georgiërs in zijn huis in elkaar zijn geslagen. Betrokkene zou één XIV-5784-2/6 week in het ziekenhuis hebb(b)en verbleven omdat zijn arm zou zijn gebroken. Betrokkene zou daarna thuis nog twee maanden verzorging genoten hebben. Op 5 november 2000 zou betrokkene Rusland hebben verlaten. Op 8 november 2000 is betrokkene in België gearriveerd. Betrokkene diende dezelfde dag zijn asielaanvraag in. Betrokkene is in het bezit van een rijbewijs. De geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas wordt volledig ondermijnd nadat werd vastgesteld dat betrokkenes verklaringen voor het Commissariaat-generaal ernstige tegenstrij- digheden vertonen met de eerdere verklaringen van betrokkene voor de Dienst Vreemdelingen- zaken. Vooreerst is het zo dat betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelde eind juli 1992 naar Saratov te zijn gevlucht (verslag DVZ, pt. 42). Dit staat in tegenstelling tot betrokkenes verklaringen voor (het) Commissariaat-generaal, waarin hij aanhaalde zeker tot omstreeks half augustus 1992 in Georgië te hebben verbleven (verslag CGVS, p.5) Verder is het opmerkelijk dat betrokkene in het interview voor het Commissariaat-generaal aanhaalt dat hij in Rusland in juli 1999 het bezoek kreeg van drie Georgische mannen die hem lastig zouden hebben gevallen omwille van de bovenvermelde feiten uit 1992 in Georgië (verslag CGVS, p.2). Hierbij zou betrokkene een arm hebben gebroken waardoor hij één week in het ziekenhuis werd opgenomen. Deze toch wel essentiële gebeurtenis in het geheel van zijn asielrelaas wordt door betrokkene op geen enkele wijze aangehaald tijdens zijn interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken, hetgeen de geloofwaardigheid van zijn verklaringen in substantiële mate ondermijnt, temeer aangezien betrokkene deze gebeurtenis voor (het) Commissariaat-generaal aanstipte als de reden voor zijn vertrek uit Rusland (verslag CGVS, p. 2). Daarenboven dient te worden gesteld dat (de) uit de verklaringen van betrokkene blijkt dat zijn aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel omdat ze geen verband houden met de criteria bepaald bij artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève van 28 juli
- Betrokkene zou problemen hebben gekend met zijn militaire oversten en de politie omdat hij ervan verdacht werd betrokken(e) te zijn bij het verhandelen van een vrachtwagen vol wapens. Deze feiten zijn echter van gemeenrechte(r)lijke aard. Betrokkene ondernam bovendien op generlei wijze stappen om zijn rechten te verdedigen. Integen- deel, hij dook meteen onder, zonder gepoogd te hebben bescherming af te dwingen bij een hogere overheid, terwijl hij geen (enkele) elementen in zijn relaas aanbrengt waarom hij deze niet zou kunnen krijgen omwille van één van de C(c)riteria van de Vluchtelingenconventie. Het door betrokkene neergelegde rijbewijs doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststelling- en aangezien het louter personalia betreft. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 10 januari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandig- heden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet); dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal zich schuldig maakt aan machtsoverschrijding en dat hij een beoordelingsfout heeft begaan; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen als artikel 62 van de Vreemdelingenwet tot doel heeft betrokkene XIV-5784-3/6 een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op basis van volgende motieven: - de verklaringen van verzoeker bevatten tegenstrijdigheden: verzoeker verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij eind juli 1992 naar Saratov is gevlucht, terwijl hij tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal beweerde dat hij zeker tot omstreeks half augustus 1992 in Georgië verbleef; verzoeker verklaarde tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat hij in Rusland in juli 1999 bezoek kreeg van drie Georgische mannen die hem lastig vielen, maar deze gebeurtenis, dé doorslaggevende oorzaak voor zijn vlucht uit Rusland, werd niet vermeld tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingen- zaken; Overwegende dat de vastgestelde tegenstrijdigheden leiden tot de vaststelling dat de asielaanvraag bedrieglijk is, wanneer deze tegenstrijdigheden niet worden weerlegd; dat in casu de bestreden beslissing vaststelt dat het asielrelaas van verzoeker tegenstrijdigheden bevat die betrekking hebben op een essentieel element van verzoekers asielrelaas; dat verzoeker niet ontkent dat zijn asielrelaas deze tegenstrijdigheden bevat, maar dat hij betoogt dat deze niet zwaarwichtig genoeg zijn om tot de bedrieglijkheid van zijn asielrelaas te besluiten; dat verzoeker betoogt dat de tegenstrijdigheid, betreffende zijn vlucht uit Rusland, slechts een vergetelheid is als gevolg van de emotionele toestand waarin hij zich bevond tijdens het interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoeker de vaststellingen van de Commissaris-generaal tracht te minimaliseren of te nuanceren, maar geen concrete elementen aanhaalt om deze tegenstrijdigheden te verklaren of te weerleggen; dat verzoeker niet aantoont dat de emotionele toestand waarin hij zich bevond tijdens het interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken anders was dan deze die eigen is aan de toestand waarin een kandidaat-vluchteling zich normalerwijze bevindt bij het ontvluchten van zijn land van herkomst en het aanvragen van asiel; dat verzoeker niet aantoont dat de ingeroepen bepalingen werden geschonden; 2.
- Overwegende dat, wat betreft de vaststelling door de Commissaris- generaal dat de problemen van verzoeker van gemeenrechtelijke aard zijn, verzoeker deze vaststelling enkel op algemene wijze tracht te weerleggen; dat verzoeker bijgevolg niet aantoont waarom hij geen bescherming zou kunnen krijgen van de hogere overheid in zijn land van herkomst omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat XIV-5784-4/6 verzoeker bovendien niet betwist dat hij zelfs geen poging heeft ondernomen om die bescherming te bekomen; 2.
- Overwegende dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan tot haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat in een eerste deel van de bestreden beslissing, de feiten, die resulteren uit de neerslag van verzoekers verklaringen tijdens zijn verhoor op het Commissariaat-generaal, nauwkeurig worden weergegeven; dat in een tweede deel zijn verklaringen afgelegd in de loop van de asielprocedure, op een objectieve wijze worden onderzocht, wat zich vertaalt in de motieven van de bestreden beslissing; dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de Commissaris-generaal in casu nauwkeurig motiveert waarom hij van oordeel is dat de tegenstrijdigheden en lacunes in verzoekers asielrelaas de geloofwaardigheid ervan ondermijnen; dat de Commissaris-generaal bovendien motiveert waarom hij besluit dat de motieven van verzoekers asielaanvraag volkomen vreemd zijn aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de daaraan verbonden beslissing, onwettig zijn; 2.
- Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, deugdelijke en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, dat het enig middel ongegrond is,
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- XIV-5784-5/6 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5784-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.213 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div