← België

Arrest 147281 - - 05/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.281 Rolnummer: A. 99936/IX-2704 Zaak: Arrest 147281 - - 05/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 20:53 Fiche Arrest nr 147.281 van 5 juli 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.281 van 5 juli 2005 in de zaak A. 99.936/IX-

  1. In zake : Albert BUYSSE, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van GENT, dat woonplaats kiest bij advocaat E. PENNING, kantoor houdende te GENTBRUGGE, Brusselsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Albert BUYSSE op 30 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 9 oktober 2000 van de beroepscommissie inzake evaluatie van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Gent waarbij zijn evaluatie “voldoende” wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 7 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2704-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat E. PENNING, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker is in statutair dienstverband tewerkgesteld als administratief medewerker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna : OCMW - van Gent. 1.
  5. Op 7 oktober 1999 heeft er tussen verzoeker en zijn rechtstreekse chef een gesprek plaats, tijdens welk “voor de komende periode” een aantal afspraken worden gemaakt. Tevens worden, met het oog op de periodieke evaluatie van verzoeker, twee taakcriteria en drie essentiële criteria vastgesteld. De taakcriteria zijn: “kennis eigen dienst en OCMW-organisatie tonen” en “documenten kunnen beheren”. De essentiële criteria zijn: “dienstverlenende houding tonen”, “eigen werk kunnen organiseren” en “documenten kunnen beheren”. IX-2704-2/9 1.
  6. Op 16 mei 2000 wordt het functioneren van verzoeker door twee beoordelaars geëvalueerd. Voor de organisatiecriteria “dienstverlenende houding tonen”, “aanpassingsbereid zijn” en “inzet tonen” behaalt hij respectievelijk de waardering B (dat wil zeggen goed), C (dat wil zeggen aanvaardbaar, neutraal) en nogmaals C; voor de functiecriteria “kunnen samenwerken”, “nauwkeurig zijn”, “ordelijk zijn”, “zelfstandig kunnen werken”, “leerbereid zijn” en “eigen werk kunnen organiseren” respectievelijk de waarderingen C, C, C, C, B en C; en, ten slotte, voor de taakcriteria “kennis eigen dienst en OCMW-organisatie tonen” en “documenten kunnen beheren” respectievelijk de waarderingen A (dat wil zeggen zeer goed) en C. De eindbeoordeling van verzoeker luidt: “voldoende want betrokkene heeft onder meer een C of een D op een essentieel criterium”. 1.
  7. Met een brief van 17 mei 2000 dient verzoeker bij de secretaris van het OCMW beroep in tegen deze evaluatie. 1.
  8. Op 11 september 2000 worden verzoeker en zijn verdediger, alsook zijn twee beoordelaars door de beroepscommissie gehoord. Van dat verhoor wordt een woordelijk verslag opgesteld dat door verzoeker voor kennisname wordt ondertekend. 1.
  9. Op 9 oktober 2000 neemt de beroepscommissie de thans bestreden beslissing om de evaluatie van verzoeker ongewijzigd te handhaven.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord drie excepties opwerpt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep; dat zij in haar laatste memorie evenwel verklaart deze niet te handhaven; dat de Raad van State geen redenen ziet om ze ambtshalve op te werpen; 3.
  11. Overwegende dat het bevoegde lid van het auditoraat als middel ambtshalve de onbevoegdheid opwerpt van het orgaan dat het bestreden besluit heeft genomen; dat dit middel als volgt wordt geadstrueerd : IX-2704-3/9 De artikelen 48 tot en met 57 van het administratief statuut van het personeel van de stad Gent, die krachtens artikel 42, vijfde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - hierna: de OCMW-wet - ook op de personeelsleden van het OCMW van Gent van toepassing zijn, regelen de beroepsmogelijkheid voor de personeelsleden die een periodieke evaluatie “onvoldoende”, “voldoende” of “gunstig” hebben gekregen. Krachtens artikel 50 wordt voor alle personeelsleden van het OCMW, met uitzondering van de secretaris, de ontvanger en de personeelsleden waarvoor de secretaris als eerste of tweede beoordelaar optreedt, een beroeps- commissie als beroepsinstantie aangesteld. Die beroepscommissie is samengesteld uit de secretaris van het OCMW of het personeelslid dat door de raad voor maatschappelijk welzijn van Gent werd aangesteld als plaatsvervangend secretaris, een arbeidspsycholoog en een door de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan te duiden ambtenaar uit een door het vast bureau bekrachtigde lijst. Het is die beroepscommissie welke het thans bestreden besluit heeft genomen. Luidens artikel 56 van het statuut neemt deze beroepscommissie een “eindbeslissing” binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de ondertekening van het laatste proces-verbaal van verhoor. Een dergelijke beslissing kan wezenlijke gevolgen hebben voor de rechtspositie van het betrokken personeelslid, zoals het ontstaan van een recht op een hogere weddeschaal; het al dan niet in aanmerking komen voor een bevordering; het vervullen van de voorwaarden die leiden tot een ontslag van ambtswege. IX-2704-4/9 Dat de bevoegdheid om een dergelijke beslissing te nemen, overgelaten wordt aan de voormelde beroepscommissie, is strijdig met de bevoegd- heidstoewijzing door de OCMW-wet aan de organen van het OCMW. Immers : - luidens artikel 24 van de OCMW-wet regelt de raad voor maatschappelijk welzijn alles wat tot de bevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort, tenzij de wet het anders bepaalt; - luidens artikel 27, § 1, van de OCMW-wet richt de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn midden een vast bureau op dat belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan de raad andere wel omschreven bevoegd- heden kan overdragen . Krachtens de voormelde wetsbepalingen behoort het ofwel tot de bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn om de eindbeslissing te nemen met betrekking tot de evaluatie van het personeel, ofwel tot de bevoegdheid van het vast bureau, indien de raad zijn bevoegdheid dienaangaande aan het vast bureau heeft gedelegeerd. Wanneer aldus de bevoegdheid om een eindbeslissing te nemen met betrekking tot de evaluatie van het personeel krachtens de wet, bij ontstentenis van een delegatie aan het vast bureau, aan de raad voor maatschappelijk welzijn toebehoort, dan moet die bevoegdheid ook daadwerkelijk door dat bestuursorgaan worden uitgeoefend. Het statuut van het personeel van het OCMW van Gent schendt de bevoegdheidstoewijzing van de artikelen 24 en 27, § 1, van de OCMW-wet, doordat het aan een binnen de administratieve diensten opgericht orgaan, namelijk aan de beroepscommissie inzake evaluatie, de opdracht geeft die eindbeslissing te nemen. Overeenkomstig artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, moet artikel 56 van het statuut van het personeel, voor zover het de bevoegdheid om een eindbeslissing te nemen over het beroep tegen een periodieke evaluatie opdraagt IX-2704-5/9 aan de in artikel 50 van hetzelfde statuut bedoelde beroepscommissie, wegens strijdigheid met de voormelde wettelijke bevoegdheidstoewijzing, buiten toepassing worden gelaten. Daardoor is ook het bestreden besluit door een onwettigheid aangetast die tot zijn nietigverklaring dient te leiden. Dat de onwettigheid van artikel 56 van het statuut van het personeel niet door verzoeker is opgeworpen, is niet relevant, vermits deze onwettigheid de bevoegdheid van de organen van het OCMW van Gent betreft en derhalve de openbare orde raakt, zodat ze ambtshalve dient te worden opgeworpen; 3.
  12. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt in haar laatste memorie : “2.1.
  13. Art. 42, 5de lid O.C.M.W.-wet voorziet : Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geniet hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is. Deze bepaling komt neer op een verplichte overname van het statuut voor het personeel van de gemeente waar het O.C.M.W. zijn zetel heeft (VANBENEDEN, J., en VAN DAMME, M., Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, A.P.R., Gent, 1986, nr. 308, p. 111). Het O.C.M.W. van Gent voldoet dan ook aan deze wettelijke bepaling doordat haar personeelsstatuut, mutatis mutandis, een perfecte doorslag is van het personeelsstatuut van de Stad Gent dat onder zijn art. 50, in het kader van de periodieke evaluatie, een beroepscommissie instelt. Art. 24 van dezelfde O.C.M.W.-wet stelt : De raad voor maatschappelijk welzijn regelt alles wat tot de bevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort, tenzij de wet het anders bepaalt. Dit art. 24 houdt derhalve in dat de raad alles "regelt", d.i. organiseert, en niet dat de raad zelf over alles dient te beslissen. Art. 24 en art. 42, 5de lid O.C.M.W.-wet worden dan ook in overeenstemming gebracht doordat de raad de evaluatieprocedure van haar personeelsleden inderdaad zo regelt dat het hoger beroep tegen de periodieke evaluatie wordt toegewezen aan een beroepscommissie in overeenstemming met het personeelsstatuut van de gemeente waar het O.C.M.W. zijn zetel heeft. M.a.w. deze regeling van bevoegdheidstoewijzing vloeit voort uit (art. 42, 5de lid van) de O.C.M.W.-wet zelf. 2.1.
  14. Het is ten andere, gelet op de eisen die aan een hedendaagse administratie worden gesteld, quasi ondenkbaar en praktisch onmogelijk geworden dat de raad van een groot O.C.M.W. - op gevaar afgeleid te worden IX-2704-6/9 van zijn wezenlijke kerntaken - alle mogelijke beslissingen zelf zou moeten nemen. Gelet op de eisen van een efficiënt en doelmatig bestuur moet men ervan uitgaan dat het inrichtingsgezag bij het toewijzen van bevoegdheden over een vrij groot appreciatierecht moet kunnen beschikken (MAST, A., e.a., Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Mechelen, 2002, nr. 21, p. 22). Welnu, art. 24 O.C.MW.-wet is vergelijkbaar met art. 75 Gemeentewet (art. 117 Nieuwe Gemeentewet) en met art. 65 Provinciewet, waarbij aan de gemeente- en provincieraad de regeling is opgedragen van alles wat van gemeentelijk, respectievelijk provinciaal belang is (VAN BENEDEN, o.c., nr. 217, p. 75). In de rechtspraak betreffende gemeente- en provincieraad wordt delegatie aanvaard zo zij bijkomstige en aanvullende maatregen tot voorwerp heeft. Om grondwettig te zijn moet de delegatie echter beperkt zijn zowel wat het voorwerp als het doel betreft (c fr. SOMERS, W., Gemeenteraad, Die Keure, Brugge, p. 378, noot 79). Zie bij voorbeeld : - De gemeenteraad heeft de macht om aan het schepencollege het vervullen van sommige bijkomstige gedeelten van zijn taak over te dragen (Cass., 11/1/1993, Pas., 1993, 1,31). - Een delegatie van bevoegdheden die de bestendige deputatie de macht geeft om tot aan de volgende zitting het geheel van de bevoegdheden van de provincieraad in een bepaalde aangelegenheid uit te oefenen, en die elk jaar is vernieuwd, is in strijd met art. 65, 2de lid Provinciewet (R.v.St., 4/12/1985, Michel, nr. 25.131). - De bevoegdheid van de provincieraad om alle ambtenaren te benoemen en af te zetten zou alle betekenis verliezen indien hij die bevoegdheid volledig zou kunnen delegeren aan de bestendige deputatie. Een dergelijke algemene delegatie van bevoegdheid is derhalve onwettig (R.v.St., 3/2/1992, Thirifays, nr. 38.633). Beide laatst geciteerde arresten bevestigen a contrario dat een welom- schreven gedeeltelijke bevoegdheidstoewijzing, die zich alleszins situeert buiten de fundamentele opdracht van de raad van het O.C.M.W. (nl. de maatschappelijke dienstverlening aan de gemeenschap), en die in casu uitsluitend de organisatie van het hoger beroep in het kader van de periodieke evaluatie van het personeel betreft, kan en moet worden aanvaard”; 3.
  15. Overwegende dat de bevoegdheid om een eindbeslissing te nemen aangaande de rechtstoestand van het administratief personeel van het OCMW toebehoort aan de door de wet daartoe aangewezen bestuursorganen : de raad voor maatschappelijk welzijn zelf of het in zijn midden aangesteld vast bureau; dat, immers, luidens artikel 24 van de OCMW-wet de raad voor maatschappelijk welzijn alles wat tot de bevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort regelt, tenzij de wet het anders bepaalt en luidens artikel 27, § 1, van die wet de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn midden een vast bureau opricht dat IX-2704-7/9 belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan de raad andere wel omschreven bevoegdheden kan overdragen; dat de wet niet toestaat die bevoegdheden verder te delegeren aan een ander, door de raad voor maatschappelijk welzijn zelf op te richten bestuursorgaan; dat de vergelijking welke de verwerende partij maakt met het personeelsstatuut van de stad Gent niet ter zake dienend is, aangezien niet zonder meer vaststaat dat ook die regeling wettig is; dat het woord “regelt” in artikel 24 van de OCMW-wet niet beperkt kan worden tot de betekenis “verordeningen” maken; dat de vergelijking welke de verwerende partij maakt met de delegatie van bevoegdheden door de gemeenteraad, respectievelijk provincieraad aan het college van burgemeester en schepenen respectievelijk bestendige deputatie, precies aantoont dat een delegatie van weliswaar louter uitvoerende bevoegdheden doch die voor de betrokkenen een definitief karakter hebben enkel mogelijk is wanneer zij gebeurt aan bij de wet ingestelde bestuursorganen welke verantwoording afleggen aan democratisch verkozen vergaderingen; dat zulks helemaal niet verhindert dat, met het oog op een grotere efficiëntie, dat bestuursorgaan zich daarbij laat adviseren door een bestuurscommissie; dat het ambtshalve opgeworpen middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  16. Vernietigd wordt het besluit van 9 oktober 2000 van de beroeps- commissie inzake evaluatie van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Gent waarbij Albert BUYSSE zijn evaluatie “voldoende” wordt bevestigd. IX-2704-8/9 Artikel
  17. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het OCWM van Gent. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2704-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.281 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.