id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.283 Rolnummer: A. 119952/IX-3300 Zaak: Arrest 147283 - - 05/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-18 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 20:54 Fiche Arrest nr 147.283 van 5 juli 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.283 van 5 juli 2005 in de zaak A. 119.952/IX-
- In zake : Johan DEWIL, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA), gevestigd te BRUSSEL, François Sebrechtslaan 61 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en I. DE VOS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
- tussenkomende partij : Benedict REENAERS, wonende te WELLEN, Veelstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan DEWIL op 20 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van : - het koninklijk besluit van 17 februari 2002 waarbij Benedict REENAERS voor een termijn van vijf jaar wordt aangewezen tot korpschef van de lokale politie van de politiezone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen en van - de daarin besloten impliciete weigering om hem tot korpschef aan te wijzen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 juli 2002; IX-3300-1/18 Gelet op de beschikking van 8 augustus 2002 die de tussenkomst van Benedict REENAERS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat I. VOS, die verschijnt loco advocaat D. D’HOOGHE en in eigen naam; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-3300-2/18 1.
- De wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: de WGP) bepaalt dat elke politiezone over een lokaal politiekorps beschikt -artikel 10-, dat dit korps onder de leiding staat van een korpschef -artikel 44- en dat de Koning bij een in ministerraad overlegd besluit de voorwaarden en de nadere regels bepaalt van de eerste aanstelling voor de functie van korpschef -artikel 247-. 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 4 november 2000 wordt het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de lokale politie, bekendgemaakt. Het besluit bevat de regels voor de eerste aanstelling van de korpschef in de lokale politiekorpsen, die geldt voor vijf jaar en eenmaal hernieuw- baar is. Het stelt de voorwaarden vast waaraan de kandidaten moeten voldoen -artikel 1 en 2- en regelt ook de aanstellingsprocedure: de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie “bepalen het algemeen profiel waaraan de kandidaten dienen te voldoen” -artikel 3, § 2-, een ad hoc selectiecommissie onderzoekt de kandidaturen op hun overeenstemming met “de objectieve voorwaarden van het vereiste profiel” -artikel 3, § 3-, de in aanmerking genomen kandidaten worden onderworpen aan een proef van het type “assessment center” die de kandidaten geschikt of ongeschikt verklaart voor bevelvoering -artikel 3, § 4, eerste lid-, de selectiecommissie rangschikt de geschikt bevonden kandidaten volgens hun overeenstemming met het profiel in een van de volgende categorieën: “zeer geschikt”, “geschikt” of “ongeschikt” -artikel 3, § 4, tweede lid- en ten slotte doet de politieraad een gemotiveerde voordracht aan de minister van Binnenlandse Zaken -artikel 6-. 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 29 december 2000 wordt de omzendbrief ZPZ 11 van 21 december 2000 “betreffende de instelling van de lokale politie - Bestuurlijke aspecten” bekendgemaakt. In die omzendbrief vestigt de minister van Binnenlandse Zaken - met name onder punt 4.2 (“Aanstellen van de zonechef”) - de aandacht op de IX-3300-3/18 bepalingen van het koninklijk besluit van 31 oktober
- Hij deelt tevens mee dat hij en zijn collega van Justitie in toepassing van artikel 3, § 2, van voornoemd besluit het algemeen profiel van de korpschef hebben bepaald. Dat functieprofiel dat als bijlage bij de omzendbrief gevoegd is, bestaat uit : - een luik “algemene functieomschrijving”, dat een overzicht bevat van de taken en verantwoordelijkheden van de korpschef zoals die reeds blijken uit de WGP; - een luik “algemene voorwaarden”, waarin enerzijds de voorwaarden worden opgesomd die reeds voorkomen in artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, en waarin anderzijds als voorwaarde wordt gesteld : “beantwoordt aan de profielvereisten van een chef van een korps van de lokale politie”; - een luik “specifieke voorwaarden”, waarin gedetailleerd wordt aangegeven over welke (al dan niet grondige) kennis, vaardigheden en attitudes de kandidaten moeten beschikken, en welke specifieke vereisten aan hen worden gesteld (cognitief engagement, sociaal engagement enz.). 1.
- Het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 wordt bij koninklijk besluit van 5 februari 2001 gewijzigd. De selectiecommissie waarvan sprake in artikel 3, § 1, wordt aangevuld met een expert aangewezen door de minister van Binnen- landse Zaken en de wijze van besluitvorming in de selectiecommissie wordt gewijzigd. Voorts wordt bepaald dat kandidaten die eenmaal geslaagd zijn voor het assessment center voor een benoeming in een bepaalde zone, van die proef vrijgesteld worden in het kader van een selectieprocedure voor een andere zone. 1.
- Op 26 januari 2001 beslist het politiecollege van de politiezone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen (hierna : de politiezone “kanton Bor- gloon”) de selectieproeven voor de eerste aanstelling van de korpschef van de lokale politie te starten en de vacante betrekking onmiddellijk bekend te maken. Op 9 maart 2001 stelt het politiecollege van de politiezone “kanton Borgloon” (hierna : het politiecollege) de selectiecommissie samen en op 23 maart 2001 beslist het de testen van het type “assessment” toe te vertrouwen aan SELOR. IX-3300-4/18 1.
- Op 19 april 2001 stelt de selectiecommissie vast dat negen kandidaatstellingen (waaronder die van verzoeker, Eddy MAES en Benny REE- NAERS) tijdig zijn ingediend, dat zij ontvankelijk kunnen verklaard worden, dat zij in overeenstemming zijn met de objectieve voorwaarden van het vereiste profiel en dat zij bijgevolg worden overgemaakt aan SELOR. Verzoeker en Eddy MAES zijn, op grond van artikel 8bis van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, ingevoegd bij koninklijk besluit van 5 februari 2001, vrijgesteld van de proef van het type “assessment center”, vermits zij reeds geschikt werden bevonden bij een proef van hetzelfde type die georganiseerd werd door een andere politiezone. Benedict REENAERS wordt, in een met redenen omkleed advies van 21 mei 2001, geschikt bevonden. 1.
- Blijkens het proces-verbaal van de vergadering van de selectie- commissie met betrekking tot het “mondelinge examen” van 6 september 2001, neemt deze commissie op die datum kennis van de assessmentverslagen van alle kandidaten, gaat zij over tot bekrachtiging ervan, en komt zij, na het horen van de nog in aanmerking komende kandidaten, tot de volgende eindbeoordeling : verzoeker wordt als enige in de categorie “zeer geschikt” gerangschikt, Eddy MAES en Benny REENAERS worden in de categorie “geschikt” gerangschikt, een vierde kandidaat wordt in de categorie “ongeschikt” gerangschikt. 1.8.
- Op 19 september 2001 beslist de politieraad van de politiezone “kanton Borgloon” (hierna : de politieraad) Benedict REENAERS voor te dragen als korpschef. 1.8.
- Met een brief van 1 oktober 2001 deelt de gouverneur van de provincie Limburg aan het politiecollege mee dat tegen het voordrachtbesluit van 19 september 2001 klacht werd ingediend. Het politiecollege wordt verzocht drie voor eensluidend verklaarde afschriften van het besluit samen met de bijbehorende dossiers te bezorgen. In fine van de brief wordt erop gewezen dat het opvragen hiervan de wettelijke toezichtstermijn stuit. IX-3300-5/18 Met een brief van 11 oktober 2001 bezorgt het politiecollege het besluit van 19 september 2001 en het desbetreffend dossier aan het provinciebestuur. 1.8.
- Bij besluit van 8 november 2001 van de gouverneur van de provincie Limburg wordt het besluit van 19 september 2001 van de politieraad houdende voordracht van Benedict REENAERS als korpschef voor de politiezone in zijn uitvoering geschorst. Op 21 november 2001 beslist de politieraad zijn geschorste besluit van 19 september 2001 gemotiveerd te rechtvaardigen. Hij formuleert een voorbehoud over de rechtsgeldigheid van het schorsingsbesluit van de provincie- gouverneur om reden dat het laattijdig genomen zou zijn. Met een brief van 23 november 2001 wordt dat rechtvaardigings- besluit naar de minister van Binnenlandse Zaken gestuurd. In het begeleidend schrijven wordt de bijzondere aandacht van de minister gevestigd op artikel 3 van het rechtvaardigingsbesluit, waarin de politieraad de juridische geldigheid van het schorsingsbesluit betwist, met name omdat de schorsingstermijn uiterlijk op 26 oktober 2001 zou zijn verstreken. Met een brief van 26 november 2001 dient verzoeker bij de minister van Binnenlandse Zaken klacht in tegen het besluit van 21 november 2001 van de politieraad houdende een nieuwe motivering met betrekking tot de voordracht van de “geschikt” bevonden kandidaat. Met een brief van 4 januari 2002 deelt de minister aan verzoeker mee dat hij beslist heeft om niet tot de vernietiging van het besluit van 19 september 2001 over te gaan vermits hij het door de politieraad aangevoerde argument dat de schorsing door de gouverneur laattijdig is gebeurd, bijvalt - artikel 88, § 2, WGP zou geen mogelijkheid bevatten om de schorsingstermijn te stuiten - en dat hij zijn administratie dan ook de opdracht heeft gegeven om het dossier te deblokkeren en de procedure tot aanstelling van een zonechef verder te zetten. 1.
- Bij koninklijk besluit van 17 februari 2002 wordt Benedict REENAERS aangewezen voor een termijn van vijf jaar in de functie van korpschef van de lokale politie van de politiezone “kanton Borgloon”. Dat besluit, dat met een IX-3300-6/18 aangetekende brief van 22 februari 2002 aan verzoeker wordt betekend, maakt het eerste voorwerp uit van het onderhavige beroep. De in dat besluit besloten impliciete weigering om verzoeker aan te wijzen in de functie van korpschef van de lokale politie van de politiezone “kanton Borgloon” maakt het tweede voorwerp uit van het onderhavige beroep; 2.
- Overwegende dat verzoeker de ontvankelijkheid ratione materiae van het beroep tegen de impliciete weigering om hem tot korpschef te benoemen als volgt bepleit: de ontvankelijkheid is afhankelijk van de vraag of hij hetzij een middel aanvoert waarvan het gegrond bevinden voor de verwerende partij de rechtsplicht inhoudt om wat hem geweigerd werd alsnog te geven, hetzij aantoont dat zijn titels en verdiensten foutief gewaardeerd zijn; hij beroept zich op de tweede mogelijkheid en verwijst daarvoor naar zijn eerste middel, derde en vijfde onderdeel -waarin de exceptie van onwettigheid wordt aangevoerd doordat de provinciegouverneur in strijd met het onpartijdigheidsbeginsel als lid van de selectiecommissie wordt aangewezen -artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000- en doordat de in artikel 6 voorziene mogelijkheid om bij de voordracht te kiezen tussen een zeer geschikte en een geschikte kandidaat discriminerend is- evenals naar zijn vierde middel -waarin verschillende onregelmatigheden ten aanzien van de handelwijze van de selectiecommissie worden uiteengezet; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat verzoeker geen middel aanvoert waarvan het gegrond bevinden voor het bestuur de rechtsplicht zou vestigen om verzoeker in de functie van korpschef aan te stellen, zodat de vordering wat het tweede voorwerp betreft onontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat hij zich in het geval bevindt bedoeld in de overweging 5.4 van het arrest TIBAX van 30 september 1980, in welk geval de vraag naar het ontstaan van een rechtsplicht voor het bestuur niet terzake doet; dat hij uiteenzet dat een vernietiging van de impliciete weigering IX-3300-7/18 om hem aan te stellen hem waarborgt dat “de waardering van zijn verdiensten geen tweede keer foutief zal gebeuren”; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie bevestigt dat een vernietigingsarrest in hoofde van de verwerende partij niet de rechtsplicht zal doen ontstaan hem te benoemen maar dat zulks niet belet dat het beroep tegen de weigering om hem te benoemen ontvankelijk is, aangezien hij “de dwaling in rechte of in feite bij de toetsing van zijn titels en verdiensten heeft ingeroepen”; dat hij er opnieuw de aandacht op vestigt dat in het arrest TIBAX uiteengezet is dat de vernietiging van een impliciete weigering die steunt op een dwaling bij de waardering van de aanspraken van een teleurgestelde kandidaat, aan de betrokkene de waarborg biedt dat, in geval een nieuwe benoemingsprocedure wordt ingezet, de waardering van zijn verdiensten geen tweede keer foutief zal gebeuren en dat die rechtspraak in een aantal arresten van de XIIe kamer bijgevallen is; dat hij er nu ook op wijst dat in het arrest TIBAX aangenomen is dat een annulatieberoep de juridische toestand van de kandidaten kan wijzigen, in die zin dat, wegens de berusting van de andere teleurgestelde kandidaten, nog alleen degene die een annulatieberoep ingediend heeft voordeel kan halen uit het gegrond bevinden van de middelen die ter ondersteuning van het beroep tegen de impliciete weigering aangevoerd zijn; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het auditoraatsverslag bijvalt waarin gesteld is dat de rechtspraak, na het arrest in de zaak TIBAX, op enkele uitzonderingen na, aangenomen heeft dat een vernietiging van een impliciete weigering enkel nut heeft wanneer ermee vastgesteld wordt dat het bestuur de rechtsplicht heeft om de verzoeker te benoemen; dat zij ook stelt dat de uitzonderingen betrekking hebben op gevallen waarin de Raad van State voorheen reeds had vastgesteld dat het bestuur de kandidaturen niet deugdelijk onderzocht had en dat de rechtspraak die door verzoeker wordt aangevoerd geen betrekking had op benoemingen maar op cumulatieregelingen; 2.
- Overwegende dat het gelijktijdig bestrijden van een benoemings- besluit en van de daarmee tot uiting gebrachte weigering om de verzoeker te IX-3300-8/18 benoemen slechts nuttig is wanneer de vernietiging van die impliciete weigering de grondslag kan opleveren voor een ruimer rechtsherstel; dat zulks het geval is wanneer uit het vernietigingsmotief blijkt dat het bestuur de rechtsplicht had om de verzoeker te benoemen; dat het bestaan van die rechtsplicht aangetoond moet zijn; dat in dit geval verzoeker dat bewijs niet levert en dat de gegevens van het dossier ook niet op het bestaan van dergelijke rechtsplicht wijzen; dat verzoeker integendeel bevestigt dat hij niet beweert dat de verwerende partij “de gebonden bevoegdheid zou hebben om specifiek hem te benoemen”; dat de omstandigheid dat een vernietigingsarrest voor het bestuur de verplichting zal inhouden om, bij het hernemen van de aanstellings- procedure, de verdiensten van de verzoeker niet meer op dezelfde wijze in haar besluitvorming te betrekken of om, nog ruimer, de benoemingsprocedure te herbeginnen of vanaf een bepaald punt te hernemen, hem geen voordeel oplevert dat de enkele vernietiging van het benoemingsbesluit overstijgt; dat overigens in het onderhavige geval, waarin de aanstelling van een korpschef voor de lokale politiezone voor het bestuur een wettelijke verplichting uitmaakt, de vernietiging van het benoemingsbesluit voor het bestuur de verplichting inhoudt om de procedure voort te zetten; 2.
- Overwegende dat het beroep, wat het tweede voorwerp betreft, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de “exceptie van onwettigheid overeenkomstig artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet” aanvoert; dat hij in het eerste onderdeel van dat middel betoogt dat het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, de wijzigingen die met het koninklijk besluit van 5 februari 2001 daarin zijn aangebracht, evenals de omzendbrief ZPZ 11 van 21 december 2000 in dit geval geen toepassing hadden mogen krijgen, aangezien zij totstandgekomen zijn met miskenning van artikel 3, § 1, eerste lid en artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat hij dat eerste onderdeel van het middel als volgt adstrueert : - de omzendbrief ZPZ 11 heeft een verordenend karakter maar hij is niet aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd; IX-3300-9/18 - ook het koninklijk besluit van 5 februari 2001 is niet aan het advies van de afdeling wetgeving voorgelegd; in de aanhef van dat besluit wordt wel verwezen naar de hoogdringendheid maar uit de motivering van die hoogdringendheid blijkt niet dat het onmogelijk was om de afdeling wetgeving om het uitbrengen van een advies binnen een termijn van drie dagen te verzoeken zonder de doelmatigheid van de beoogde maatregelen of de verwezenlijking van het beoogde doel in het gedrang te brengen; uit de motivering blijkt dat het de bedoeling was rekening te houden met het verstrijken, op 1 en/of 29 januari 2001, van bepaalde door de wetgever vastgestelde termijnen maar het koninklijk besluit van 5 februari 2001 kon daar in ieder geval niet toe bijdragen en bovendien wekt de motivering -misleidend- de indruk dat de politieraden ten laatste op 29 januari 2001 verkozen zouden worden, maar dat is, wat de aanwijzing van de korpschefs van de lokale politie in de meergemeentezones betreft, een niet pertinent argument aangezien het mandaat van de leden van de politieraad overeenkomstig artikel 20 WGP een aanvang nam op 1 april 2001; - het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 is wel aan de afdeling wetgeving voorgelegd, maar er is daarbij toepassing gemaakt van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en de motivering van de hoogdringendheid in de aanhef van dat besluit is identiek aan deze vermeld in de aanhef van het besluit van 5 februari 2001; de motivering van het koninklijk besluit van 5 februari 2001 kan dan ook gezien worden als “het declaratieve feit dat doet blijken dat de ‘spoedeisendheid’ zoals vermeld in de aanhef van het KB van 31 oktober 2000 in werkelijkheid niet bestaande is”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet wat volgt : - wat de omzendbrief ZPZ 11 betreft: verzoeker heeft er geen belang bij dit middel aan te voeren aangezien, bij ontstentenis van functieprofiel, ook hij niet tot korpschef aangesteld had kunnen worden; voorts betwist verzoeker het functie- profiel inhoudelijk niet en toont hij ook niet aan welk nadeel het profiel hem berokkend heeft, aangezien hij als enige als “zeer geschikt” de toetsing aan dat profiel doorstaan heeft; in ieder geval heeft de omzendbrief geen verordenend IX-3300-10/18 karakter, want hij voegt geen nieuwe rechtsregels aan de bestaande toe maar bevat enkel “een aantal nadere richtlijnen (...) inzake de bestuurlijke aspecten van de instelling van de lokale politie” en het functieprofiel, dat als bijlage bij de omzendbrief gevoegd is, is te bekijken als een “cumul van individuele vacatures” hetgeen niet als een reglementair besluit kan worden aangemerkt; - wat het koninklijk besluit van 5 februari 2001 betreft: zo de voordrachten voor de functie van korpschef in de meergemeentezones, wegens de installatie van de politieraden op 1 april 2001, slechts vanaf die datum kunnen gebeuren, dient opgemerkt dat aan de voordracht een gehele selectieprocedure voorafgaat; de aspecten van de selectieprocedure die met het besluit van 5 februari 2001 gewijzigd zijn hebben betrekking op die selectieprocedure, die toen reeds aangevangen was; elke vertraging kon verhinderen dat het besluit nuttige gevolgen zou hebben; bovendien is de verwijzing naar de datum van de verkiezing van de politieraad -29 januari 2001- wel degelijk pertinent, aangezien artikel 247bis WGP bepaalt dat de politieraad voor het einde van de derde maand na zijn installatie de voordracht doet; - wat het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 betreft: het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State is gevraagd en de afdeling heeft geen opmerkingen gemaakt over de ingeroepen hoogdringendheid, zodat zij er mocht van uitgaan dat de aangehaalde redenen overtuigend waren; dat de motivering van de hoogdringendheid ten aanzien van dit besluit overeenstemt met deze vermeld in het koninklijk besluit van 5 februari 2001, belet niet dat zij de hoogdringendheid niet kan verantwoorden, aangezien de benoemingsprocedure reeds vanaf het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 ingezet kon worden; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de volgende repliek naar voren brengt: het middel dat hij tegen de omzendbrief ZPZ 11 aanvoert is van openbare orde, zodat hij dat middel kan doen gelden zonder blijk te geven van een persoonlijk belang; volledig ten onrechte reduceert de verwerende partij de toetsingsbevoegdheid van de afdeling administratie tot een marginaal toezicht; IX-3300-11/18 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat hij wel degelijk belang heeft bij het buiten-toepassing laten van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 omwille van het rechtsherstel dat hem na een vernietigingsarrest gegeven zal moeten worden; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat de omzendbrief ZPZ 11 geen reglementair karakter heeft, aangezien het profiel van de functie van korpschef “reeds scherp afgelijnd is in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, waar gesteld wordt dat het dient te gaan om managementscompetenties, technische competenties en persoonlijkheids- kenmerken die onontbeerlijk zijn om de geambieerde functie te vervullen binnen en in de geest van de nieuwe geïntegreerde politiedienst” en aangezien het voorschrift betrekking heeft op een aantal “individuele vacatures” in die zin dat het gaat om de eerste aanstelling tot korpschef in de politiezones; 3.
- Overwegende dat verzoeker zich rechtsgeldig op dit middel kan beroepen; dat immers, zelfs indien het gegrond bevinden ervan tot gevolg heeft dat, rebus sic stantibus, de selectiecommissie ook zijn kandidatuur niet in aanmerking zal kunnen nemen, het rechtsherstel waartoe het vernietigingsarrest de verwerende partij verplicht, haar in ieder geval moet brengen tot het opnieuw vaststellen van het functieprofiel en tot het uitwerken van een nieuwe benoemingsregeling met inachtneming van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest; dat verzoeker dan een nieuwe kans krijgt om door de politieraad voorgedragen te worden; 3.6.
- Overwegende dat artikel 247 WGP -dat deel uitmaakt van titel VIII : Overgangsbepalingen- voorschrijft dat de Koning met een in ministerraad overlegd besluit “de voorwaarden en de nadere regels van de eerste aanstelling voor de functies van (...) korpschef van de lokale politie (bepaalt)”; dat het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de lokale politie die aanstellingsvoorwaarden heeft vastgesteld en de te volgen procedure concreet IX-3300-12/18 geregeld heeft; dat dit koninklijk besluit de reglementaire basis is waarop de individuele aanstellingen tot korpschef in de lokale politiezones steunen; 3.6.2.
- Overwegende dat verzoeker het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 onwettig acht omdat de opgegeven verantwoording van het spoedeisend karakter, waarmee de adviesaanvraag bij de afdeling wetgeving ingediend is, niet deugdelijk zou zijn; 3.6.2.
- Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de verwerende partij het advies van de afdeling wetgeving ingewonnen heeft, dat zij daarbij gevraagd heeft om, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een advies te verkrijgen binnen de drie dagen en dat zij het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag gemotiveerd heeft zoals in de aanhef van het koninklijk besluit vermeld; Overwegende dat, in weerwil van de mogelijkheid waarover de afdeling wetgeving in die omstandigheden beschikte om overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten alleen de rechtsgrond en de bevoegdheid van de steller van de handeling te onderzoeken en na te gaan of aan de voor- geschreven vormvereisten is voldaan, zij in haar advies nr. 30.765/2 van 13 oktober 2000 het ontwerp zonder enig voorbehoud onderzocht heeft en inhoudelijke opmerkingen gemaakt heeft; dat de afdeling wetgeving, nu zij er op geen enkele wijze blijk van geeft dat de vraag om voorrang waarmee de adviesaanvraag was ingediend, haar gehinderd heeft in de normale uitvoering van haar opdracht, daarmee haar adviesbevoegdheid heeft uitgeput; dat de omstandigheid dat de afdeling wetgeving de adviesaanvraag van 9 oktober 2000 mogelijk niet inhoudelijk had mogen behandelen, het advies niet vitieert, en dat bijgevolg de vraag of de verwerende partij deugdelijke redenen had om de spoedbehandeling te vragen, niet meer relevant betrokken kan worden bij de vraag of de verwerende partij bij de totstandkoming van het besluit van 31 oktober 2000 een wettelijke pleegvorm miskend heeft; IX-3300-13/18 3.6.2.
- Overwegende dat de redenen waarom volgens verzoeker de Raad van State het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 buiten toepassing zou moeten laten niet bijgevallen worden; 3.6.3.
- Overwegende dat het koninklijk besluit van 5 februari 2001, waarbij het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 gewijzigd is, niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd is; dat de verwerende partij gemeend heeft dit substantieel vormvoorschrift niet te moeten naleven wegens de hoogdringendheid van de zaak die in de aanhef van het besluit als volgt wordt verantwoord : “Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandig- heid dat de inplaatsstelling van de geïntegreerde politie de voorafgaande aanwijzing veronderstelt van de korpschefs van de lokale politie, op straffe van de organisatie van de nieuwe structuren en a fortiori de beschikbaarheid van de politiediensten in het gedrang te brengen; dat de datum van inwerkingtreding van de federale politie, gelet op artikel 260 van bovenvermelde wet van 7 december 1998, niet later mag vallen dan 1 januari 2001; Overwegende dat de inplaatsstelling van de lokale politiekorpsen op diezelfde datum kan geschieden; dat de Koning die de lege late de bevoegheid heeft de voorwaarden en nadere regelen van deze aanwijzing vast te leggen, die mandatarissen moet aanwijzen na afloop van ingewikkelde selectieprocedures; dat die procedures bijgevolg zonder verwijl moeten worden aangevat teneinde de door de wetgever vastgelegde termijnen te eerbiedigen. Overwegende dat de chef van het lokale politiekorps door de Koning wordt aangewezen op gemotiveerde voordracht van de gemeenteraad of van de politieraad; dat de verkiezing van de leden van de politieraad plaatsheeft in openbare vergadering de derde maandag nadat de gemeenteraad werd geïnstalleerd, d.w.z. ten laatste op 29 januari 2001”; 3.6.3.
- Overwegende dat het bestreden besluit wijzigingen brengt aan de samenstelling van en aan de besluitvorming binnen de selectiecommissie, terwijl er ook wordt bepaald dat kandidaten die reeds in een assessmentproef voor een primobenoeming bij de federale of de lokale politie slaagden, vrijgesteld worden van die proef; dat, rekening houdend met de bekommernis van de verwerende partij om, parallel met de instelling van de federale politie, de lokale politiekorpsen zo vlug mogelijk in hun nieuwe patroon te laten werken, het voor de hand ligt dat zij de belangrijke wijzigingen aan het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 met de IX-3300-14/18 grootste spoed wenste te realiseren, teneinde de politiezones die de selectieprocedure zodra mogelijk na de installatie van de bevoegde organen zouden opstarten volgens de regeling van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, niet voor grote moeilijkheden te plaatsen; dat in dat algemene kader en hoewel weinig nauwkeurig geformuleerd, de verwijzing naar de inplaatsstelling van de federale politie op 1 januari 2001 en de verkiezing van de politieraad op 29 januari 2001 die op het einde van de selectieprocedure een voordracht moet doen, deugdelijke criteria zouden kunnen zijn om het spoedeisend karakter van de uitvaardiging van de nieuwe regeling te verantwoorden; 3.6.3.
- Overwegende dan weer, dat de minister van Binnenlandse Zaken in het Belgisch Staatsblad van 27 januari 2001 de omzendbrief PLP 3 betreffende de procedure tot aanstelling van zonechef heeft laten bekendmaken waarin hij mededeelt: “Een nieuw koninklijk besluit, ter wijziging van het voorgaande, is klaar en vervolgt zijn gewone rechtsgang”; dat hij in die omzendbrief ook uiteenzet welke wijzigingen aan het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 zullen aangebracht worden en aan de burgemeesters vraagt “even geduld te oefenen bij (...) de bijeen- roeping van de lokale selectiecommissies”; dat, door deze kennisgeving, de minister aan de aangelegenheid haar hoogdringend karakter ontnomen heeft, in die zin dat de lokale politiezones nu ervan op de hoogte waren dat het geen zin had verder te werken aan de benoemingsprocedure volgens de bestaande regeling; dat, met dat gegeven voor ogen, de verantwoording van de hoogdringendheid niet deugdelijk is, zeker niet in het licht van de mogelijkheid waarover de minister beschikte om, overeenkomstig het toenmalige artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het advies van de afdeling wetgeving in te winnen binnen de drie dagen; IX-3300-15/18 3.6.3.
- Overwegende dat het koninklijk besluit van 5 februari 2001 totstandgekomen is met miskenning van een substantieel vormvoorschrift; dat de Raad van State dat onwettig reglement buiten toepassing moet laten; dat, betrokken op het onderhavige geval, zulks betekent dat de selectiecommissie, nu zij sameng- esteld was en ook beraadslaagd heeft overeenkomstig de nieuwe regeling, geen rechtsgeldige beslissingen heeft kunnen nemen; dat zij ook niet rechtsgeldig een aantal kandidaten heeft kunnen vrijstellen van deelname aan de assessmentproef om reden dat zij reeds eerder geslaagd waren in een gelijkaardige proef voor een andere primobenoeming bij de politie; 3.6.4.
- Overwegende dat artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 30 oktober 2000 luidt als volgt : “De Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie bepalen het algemeen profiel waaraan de kandidaten dienen te voldoen voor elke categorie van mandaten. Dit profiel legt de nadruk op de managementscompetenties, technische competenties en persoonlijkheidskenmerken die onontbeerlijk zijn om de geambieerde functie te vervullen binnen en in de geest van de nieuwe geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus”; Overwegende dat die bepaling de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie ertoe verplicht gezamenlijk het algemeen profiel te bepalen waaraan een korpschef bij de lokale politie moet voldoen; dat daarmee aan de beide ministers een verordenende bevoegdheid is verleend, waarbij zij op algemene wijze de normen vastlegt waaraan de kandidaturen getoetst moeten worden; dat de uitvoerende macht haar regelgevende bevoegdheid moet uitoefenen met inachtneming van de terzake vastgestelde wettelijke bepalingen; dat een van die bepalingen de ministers ertoe verplicht hun reglementaire besluiten, waarbij nieuwe regels aan de bestaande rechtsorde worden toegevoegd, aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State te onderwerpen; 3.6.4.
- Overwegende dat in dit geval, blijkens de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2000, het functieprofiel van de korpschef opgenomen is als bijlage bij de omzendbrief ZPZ 11 van 21 december 2000 van IX-3300-16/18 minister van Binnenlandse Zaken; dat, daargelaten de vaststelling dat een omzend- brief geen nieuwe regels aan de rechtsorde kan toevoegen en dat overigens ook niet blijkt dat het profiel een gezamenlijk initiatief is van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, de verwerende partij in ieder geval niet aantoont dat zij het functieprofiel voor advies aan de afdeling wetgeving voorgelegd heeft; dat de minister van Binnenlandse Zaken aldus de reglementaire opdracht, die hem door artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 was verleend, niet uitgeoefend heeft met inachtneming van artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State; dat het functieprofiel niet rechtsgeldig vastgesteld is en dat het geen gelding kan hebben in het rechtsverkeer; 3.6.4.
- Overwegende dat, overeenkomstig artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, de selectiecommissie tot eerste opdracht heeft de kandidaturen te toetsen aan “de objectieve voorwaarden van het vereiste profiel” en te bepalen welke kandidaten in aanmerking komen voor de verdere selectie; dat zij vervolgens, na afloop van de assessmentproef, de geschikte kandidaten met inachtneming van datzelfde profiel moet rangschikken voor de concrete betrekking in haar zone; dat, bij ontstentenis van een rechtsgeldig functieprofiel, de selectie- commissie niet regelmatig haar bevoegdheid op het vlak van de selectie van de kandidaten heeft kunnen uitoefenen; 3.6.
- Overwegende dat, in de hiervoor uiteengezette mate, het eerste onderdeel van het middel gegrond is; dat het leidt tot de vernietiging van het besluit waarbij de tussenkomende partij tot korpschef aangewezen is, IX-3300-17/18 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 17 februari 2002 waarbij Benedict REENAERS voor een termijn van vijf jaar wordt aangewezen tot korpschef van de lokale politie van de politiezone Alken/Borgloon/Heers/Kortessem/Wellen. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3300-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.283 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.