id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.285 Rolnummer: A. 75580/IX-256 Zaak: Arrest 147285 - - 05/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 20:55 Fiche Arrest nr 147.285 van 5 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.285 van 5 juli 2005 in de zaak A. 75.580/IX-
- In zake : de NV DIERICKX, die woonplaats kiest bij advocaat H. RIEDER, kantoor houdende te GENT, Recollettenlei 39-40 tegen :
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid,
- het Instituut voor Veterinaire Keuring, thans het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, die woonplaats kiezen bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te SINT-KRUIS (BRUGGE), Karel Van Manderstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV DIERICKX op 5 september 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 25 augustus 1997 van de minister van Volksgezondheid dat luidt als volgt : “Ik heb beslist dat, met ingang van heden alle vlees dat in uw inrichting aanwezig is, deze niet mag verlaten noch in de handel gebracht teneinde een ernstig en dreigend gevaar voor de volksgezondheid uit te sluiten. Deze maatregel geldt eveneens voor alle vlees bekleed met uw hogergenoemd identificatiekenmerk, ongeacht de plaats waar het zich bevindt.”; Gelet op het arrest nr. 68.240 van 22 september 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijk- heid van het bestreden besluit wordt verworpen; IX-256-1/17 Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 16 oktober 1997 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2005, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 6 juni 2005, datum waarop de zaak wordt uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 13 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. RIEDER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. HOSTE die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-256-2/17
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster is een vleesuitsnijderij-groothandel die gespecialiseerd is in de in- en uitvoer van vlees. Zij kreeg tijdelijke erkenningen als uitsnijderij voor vers vlees van slachtdieren en als inrichting voor het bevriezen van gortig vlees van varkens, schapen en runderen, onder het nummer F
- 1.
- In het kader van het indammen van de dolle koeienziekte verbiedt een koninklijk besluit van 4 augustus 1996 de invoer van sommige voedingsmiddelen en andere producten afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk. Dat besluit stelt ook beperkingen aan de invoer van vlees afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk. 1.
- Op 11 juli 1997 wordt bij verzoekster een partij vlees verzegeld omdat ze vermoedelijk afkomstig is van een niet gekeurde noodslachting. Op 7 augustus 1997 wordt te dien aanzien een aanvullend proces- verbaal opgemaakt door de inspecteur-hoofd van dienst van het IVK, keurkring Dendermonde. Aan verzoekster wordt verweten dat zij niet door het IVK gekeurde en gestempelde karkassen van runderen afkomstig van het slachthuis DE RESE te Zedelgem zijn aangevoerd en versneden in verzoeksters uitsnijderij. 1.
- In een proces-verbaal van 21 augustus 1997 stelt de inspecteur-hoofd van dienst bij het IVK vast dat in een treinlading vlees, toebehorend aan verzoekster en bestemd voor Wit-Rusland, identificatiemerktekens van een Britse uitsnijderij vervangen zijn door het merkteken van verzoekster en dat de inhoud van de treinwagons niet overeenstemt met de vermeldingen op het gezondheidscertificaat, in die zin dat er niet op vermeld is dat het vlees ook afkomstig was van een Britse uitsnijderij. 1.
- Op 25 augustus 1997 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Zij is als volgt gesteld : IX-256-3/17 “Uit onderzoeken uitgevoerd door de Inspectiedienst van het Instituut voor veterinaire keuring, is gebleken dat : - niet door het Instituut gekeurde en gestempelde karkassen van runderen afkomstig van het slachthuis DE RESE te Zedelgem zijn aangevoerd in uw uitsnijderij (Pro Justitia van Dr. Lic. N. VAN DER STEDE van 7/8/1997). - voor vlees dat voorzien was voor Wit-Rusland, het identificatiemerk werd afgerukt en vervangen door uw eigen identificatiemerk (F 261) behorend aan de N.V. DIERICKX (Pro Justitia van Dr. WITTERS van 13/08/1997). Het staat bijgevolg vast dat de gevraagde garanties met betrekking tot de noodzakelijke kwaliteitsvereisten ter bescherming van de volksgezondheid ontbreken. In deze omstandigheden kan daaruit afgeleid worden dat het vlees dat momenteel in uw inrichtingen met erkenningsnummer F 261 aanwezig is, of zich op andere plaatsen bevindt onder dekking van uw identificatiemerk, geen sluitende garanties biedt met betrekking tot de bescherming van de volks- gezondheid. Daarom wens ik de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, toe te passen, meer bepaald artikel 6bis. Ik heb beslist dat, met ingang van heden alle vlees dat in uw inrichting aanwezig is, deze niet mag verlaten noch in de handel gebracht teneinde een ernstig en dreigend gevaar voor de volksgezondheid uit te sluiten. Deze maatregel geldt eveneens voor alle vlees bekleed met uw hogergenoemd identificatiemerk, ongeacht de plaats waar het zich bevindt.”; 1.
- Uit een aanvullend proces-verbaal van 1 september 1997 blijkt dat naast de vervanging van de identificatiegegevens, eveneens keurmerken werden weggesneden op het vlees van de sub 1.4 vermelde lading; 2.
- Overwegende dat de raadsman van verzoekster ter terechtzitting vraagt dat de behandeling van de zaak sine die uitgesteld zou worden; dat hij daarvoor verwijst naar een vonnis van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 17 juni 2004 waartegen een hoger beroep ingesteld is dat nog niet behandeld is; dat volgens hem de uitkomst van deze strafrechtelijke zaak repercussies zou kunnen hebben op het onderhavige geding in die zin
(1)dat het vonnis van 17 juni 2004 -pag. 15 en16- duidelijk aangeeft dat de overheid lang voor de bestreden maatregel genomen werd wist dat er karkassen van noodslachtingen uit het slachthuis DE RESE bij verzoekster waren aangevoerd, zodat het niet uitgesloten is dat in de uitspraak over het beroep een andere visie ontwikkeld wordt over de feitelijke IX-256-4/17 gegevens van deze zaak,
(2)dat de afgevaardigd bestuurder van verzoekster vrijgesproken is voor de overtreding van artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 4 juli 1996,
(3)dat de afgevaardigd bestuurder en P. DIERICKX ook vrijgesproken zijn voor de feiten die hen met betrekking tot het verwijderen van etiketten op dozen vlees uit Groot-Brittannië ten laste waren gelegd en
(4)dat op het ogenblik van de besteden beslissing reeds vaststond dat de dozen geen Brits vlees bevatten; 2.2.
- Overwegende, vooraf, dat het vonnis waarnaar verzoekster verwijst, geen definitief standpunt van de rechter bevat, aangezien het Hof van Beroep die zienswijze nog kan bijvallen of ontkennen; 2.2.
- Overwegende dat een van de feitelijke gegevens waarop het bestreden besluit steunt gelegen is in de vaststelling dat niet-gekeurde en gestempelde karkassen van runderen afkomstig van het slachthuis DE RESE waren aangevoerd in de uitsnijderij van verzoekster; dat de correctionele rechtbank in overweging 4.1.
- van haar vonnis overweegt: “Het staat voor de rechtbank vast dat 1.628 kg ongekeurd vlees vertrokken is vanuit de slachterij DE RESE en werd binnen gebracht bij de firma DIERICKX en daar werd ontbeend en versneden”; dat de omstandigheid dat de rechter in zijn verdere overwegingen zou hebben laten uitschijnen dat de overheid reeds geruime tijd vóór de dag waarop het bestreden besluit getroffen is de betreffende karkassen had geïdentificeerd en geïndividualiseerd, irrelevant is ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit onwettig is, aangezien dat besluit uitgaat van de idee dat, gelet op de gemaakte vaststelling, er twijfel bestond over de betrouwbaarheid van de andere partijen vlees die bij verzoekster waren verwerkt; Overwegende dat een ander feitelijk gegeven waarop het bestreden besluit steunt, betrekking heeft op het manipuleren van de etiketten op dozen vlees die uit Groot-Brittannië waren ingevoerd; dat die feiten voor de verwerende partij aanleiding waren om de betrouwbaarheid van het vlees dat verzoekster verhandelde in twijfel te trekken; dat, afgaande op dat motief, de vraag of het vlees waarop die manipulaties betrekking had wettig kon worden ingevoerd of bewerkt, evenzeer irrelevant is; IX-256-5/17 2.2.
- Overwegende dat verzoekster voorts ook verwijst naar de vrijspraken die het vonnis bevat; dat evenwel die vrijspraken op zich de conclusie niet wettigen dat de inbreuken waarop de strafrechtelijke tenlasteleggingen gebaseerd waren niet bewezen zijn; dat integendeel, wat het binnenbrengen betreft van ongekeurd vlees in de uitsnijderij, uit het hierboven geciteerde punt 4.1.
- van het vonnis duidelijk blijkt dat de rechtbank de materialiteit van de inbreuk duidelijk bewezen acht en dat de vrijspraak van de afgevaardigd bestuurder steunt op de vaststelling dat zij de feiten niet heeft gepleegd; dat, wat de tenlasteleggingen betreft die betrekking hadden op het aanbrengen van etiketten op dozen vlees die uit Groot- Brittannië kwamen -tenlasteleggingen H1 en H2-, uit de overwegingen 4.4.3 tot 4.4.
- van het vonnis evenzeer blijkt dat de rechter de materialiteit van de feiten deugdelijk bewezen achtte, terwijl de vrijspraak steunt op de bijzondere omstandigheid dat de inbreuk niet was begaan ter gelegenheid van het slachten van de dieren; 2.2.
- Overwegende aldus dat het vonnis dat verzoekster ter terechtzitting ter sprake brengt geen aanleiding moet zijn om de verdere behandeling van het onderhavige beroep te verdagen; 3.
- Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977 betreffende de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten; dat zij, samengevat, stelt
(1)dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is nu zij verwijst naar twee processen- verbaal die haar niet betekend werden of niet integraal ter kennis waren gebracht,
(2)dat er geen enkel motief wordt opgegeven waarom geen vlees nog de inrichting van verzoekster mag verlaten of in de handel mag worden gebracht, terwijl de processen- verbaal betrekking hadden op twee “specifiek geïdentificeerde vleespartijen” en al het andere vlees van haar inrichting de vereiste controles had ondergaan en terwijl de verwerende partij haar zelfs de toelating heeft gegeven om in de zending naar Wit- Rusland de dozen waarvan de identificatiegegevens gewijzigd waren te vervangen IX-256-6/17 door dozen uit haar voorraad die “anterieur aan de beslissing van de minister werden aangekocht en verwerkt” en
(3)dat er ook niet wordt uiteengezet waarom de bestreden maatregel noodzakelijk was, meer bepaald waarom de andere maatregelen waarin de wet voorziet en waarvan reeds toepassing was gemaakt -de verzegeling zowel van het vlees afkomstig van het slachthuis DE RESE als het vlees dat naar Wit-Rusland uitgevoerd zou worden-, niet konden volstaan om te beletten dat het verdachte vlees in de handel zou komen, ofschoon zij met certificaten het bewijs levert dat zowel het vlees dat uit Groot-Brittannië ingevoerd is als het ander vlees dat zij verhandelt, de sluitende garantie biedt dat de volksgezondheid niet in het gedrang is; 3.2. Overwegende dat de verwerende partijen in hun memorie van antwoord uiteenzetten dat de bestreden beslissing ook zonder verwijzing naar twee processen-verbaal afdoende gemotiveerd is, dat verzoekster de motieven kende die het bestuur tot het bestreden besluit hebben gebracht en dat zij zich dienaangaande heeft kunnen verdedigen; dat zij de volgende toelichting geeft: de twijfel die, wegens de inbreuken die bij verzoekster waren vastgesteld, gerezen was over de herkomst van het vlees dat door verzoekster in de handel werd gebracht was voldoende om het bestreden besluit te treffen en om dat besluit ook te laten gelden voor al het vlees dat door verzoekster behandeld was; de noodzakelijkheid van de maatregel wordt verklaard door de nood aan sluitende garanties, en in ieder geval duidt verzoekster niet aan welke andere afdoende maatregel zij in het kader van de wet van 24 januari 1977 had kunnen nemen; 3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord betoogt dat zij geen kennis had van de inhoud van de processen-verbaal waarnaar het bestreden besluit verwijst, dat er “onjuiste motieven worden gegeven” in die zin dat er nooit is vastgesteld dat er bij haar “niet gekeurde karkassen werden aangevoerd” -zij legt daarvoor een stuk neer- en dat de vernietiging van identificatiegegevens op het uit Groot-Brittannië ingevoerde vlees “conform de wet” gebeurd is, aangezien zij de betreffende dozen -in het kader van de verwerking ervan in haar inrichting- moest openen en zij daarna haar eigen stickers op de verpakking heeft aangebracht, terwijl IX-256-7/17 niet wordt uiteengezet welke garanties zij daarbij over het hoofd zou hebben gezien; dat zij de motivering van het bestreden besluit ook nog bekritiseert omdat er niet wordt uiteengezet welke voedingsmiddelen worden bedoeld en waarin het ernstig en dreigend gevaar voor de volksgezondheid concreet bestaat, zeker ten aanzien van het vlees dat niets met de twee aangevoerde inbreuken te maken heeft; 3.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog aanstipt dat de minister geenszins onredelijk heeft gehandeld door, na vastgesteld te hebben dat er bij verzoekster niet gestempeld vlees werd aangevoerd en identificatiegegevens vervangen werden door haar eigen merktekens, al het door verzoekster verhandelde vlees uit de handel te nemen; dat zij ook stelt dat de in aanmerking genomen inbreuken bewezen worden door processen-verbaal van bevoegde ambtenaren die bewijswaarde hebben tot het tegendeel bewezen is; 3.5.1. Overwegende dat in het sub 1.5 overgeschreven ministerieel besluit uitdrukkelijk wordt aangegeven welke twee inbreuken de verwerende partij als grondslag voor haar beslissing in aanmerking heeft genomen; dat die vermelding duidelijk is, dat zij verzoekster toelaat zicht te krijgen op de feitelijke grondslag van het bestreden besluit en dat het bijgevolg van geen belang is dat de processen- verbaal, die het bewijs van de inbreuken bevatten, niet expliciet vooraf aan verzoekster waren medegedeeld; 3.5.2. Overwegende dat verzoekster betwist dat zij de reglementering betreffende de vleeskeuring overtreden zou hebben en dat de inbreuken derhalve niet bewezen zijn; 3.5.2.1. Overwegende dat verzoekster een verslag van 11 augustus 1997 van inspecteur hoofd van dienst RIEBBELS aan hoofdinspecteur-directeur VAN BREMPT overlegt, waarmee zij meent te kunnen bewijzen dat er niet vastgesteld is kunnen worden dat er bij haar ongekeurde karkassen van noodslachtingen aangevoerd zijn; dat evenwel dat verslag dat bewijs niet bevat; dat de inspecteur hoofd van dienst er wel in uiteenzet dat hij niet heeft gezien dat er IX-256-8/17 ongekeurde karkassen waren aangevoerd, maar dat hij toch ook verwijst naar het “vermoeden” van een overtreding; dat in ieder geval daar tegenover staat dat in het proces-verbaal van 7 augustus 1997 van de terzake bevoegde ambtenaren, dat bewijskracht heeft tot het tegendeel bewezen wordt, wel degelijk sprake is van het versnijden, bij verzoekster, van niet gekeurde karkassen; dat de omstandigheid dat de aangestelden van verzoekster mogelijk niet opzettelijk de niet gekeurde karkassen tezamen met ander vlees hebben laten versnijden te dezen van geen belang is, aangezien het bestreden besluit zich beperkt tot de vaststelling van een onregelmatige verrichting; 3.5.2.2. Overwegende, wat de onregelmatigheden betreft ten aanzien van het vlees dat bestemd was voor uitvoer naar Wit-Rusland, dat verzoekster de vaststellingen betreffende het verwijderen en het vervangen van etiketten als zodanig niet ontkent; dat zij er wel een verantwoording voor probeert te geven doordat zij niets onwettigs heeft gedaan en dat het betrokken vlees zeker geen Brits vlees is; dat verzoekster evenwel wist dat het verboden is etiketten van een verpakking -in dit geval kartonnen dozen- af te scheuren en ze te vervangen door haar eigen identificatiemerk F261; dat dit haar immers nog was medegedeeld in de brief van 25 juli 1997 van inspecteur hoofd van dienst RIEBBELS; dat artikel 7 van het koninklijk besluit van 4 juli 1996 betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van slachthuizen en andere inrichtingen onder meer bepaalt dat het verboden is een keurmerk of een identificatiemerk aan te brengen of door een ander te vervangen in strijd met de reglementering dan wel met de instructies van de keurder; dat het absurd zou zijn te veronderstellen dat het de Britse versnijderij nr. 6064 zou zijn die de etiketten heeft verwijderd; dat, in acht genomen het in artikel 7 van het koninklijk besluit van 4 juli 1996 vermelde verbod op het aanbrengen of vervangen van keurmerken, verzoekster op geen enkele wijze duidelijk maakt dat haar activiteiten haar toelieten de identificatiegegevens van bij haar inkomend vlees gewoon te verwijderen en ze te vervangen door haar eigen merken; dat, waar zij verwijst naar de mogelijkheid om een keurmerk van vlees te verwijderen alvorens het versneden wordt -teneinde aldus te vermijden dat de inkt in het te consumeren vlees terechtkomt- in ieder geval opgemerkt dient te worden dat het hier IX-256-9/17 niet om dergelijk geval ging, aangezien de betrokken partij vlees door haar niet verwerkt werd maar dat zij het onder zich had met het oog op de uitvoer naar Wit- Rusland; 3.5.3.1. Overwegende dat de regel volgens dewelke karkassen gestempeld moeten zijn alvorens versneden te worden en de regel volgens dewelke in principe geen identificatiemerken mogen worden afgerukt om te worden vervangen door het eigen identificatiemerk, erop gericht zijn om garanties in te bouwen met het oog op de bescherming van de volksgezondheid; dat, wanneer de minister vaststelt dat deze regels werden miskend, het niet onjuist en ook niet kennelijk onredelijk is dat hij daaruit het besluit haalt dat de gevraagde garanties met betrekking tot de nood- zakelijke kwaliteitsvereisten ter bescherming van de volksgezondheid ontbreken, alleszins wat de aangevoerde karkassen zonder stempels betreft en de ladingen dozen waarvan de etiketten afgescheurd waren en die bedoeld waren om geëxporteerd te worden naar Wit-Rusland; 3.5.3.2. Overwegende dat verzoekster weliswaar ook stelt dat de bestreden beslissing niet voldoende gemotiveerd is in zoverre niet wordt aangegeven waarom al het vlees dat uit haar inrichting afkomstig is -ook het vlees dat niet in verband kan worden gebracht met de vastgestelde inbreuken- niet in de handel gebracht mag worden; dat zij in dat verband ook doet gelden dat niet wordt gemotiveerd waarom een dergelijk vergaande maatregel noodzakelijk is, terwijl de minister ook andere maatregelen had kunnen nemen -en overigens ook nam, met name de verzegeling van de verdachte partijen vlees- die volstaan om de volksgezondheid te beschermen; 3.5.3.2.1. Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten; dat die bepaling luidt als volgt : “Wanneer bepaalde voedingsmiddelen of andere produkten een ernstig en dreigend gevaar betekenen voor de volksgezondheid en dit gevaar niet of onvoldoende kan worden bestreden op grond van deze wet of de besluiten IX-256-10/17 genomen ter uitvoering van deze wet, kan de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort, bij een met redenen omklede beslissing en zonder het inwinnen van de in deze wet voorgeschreven adviezen, maatregelen nemen die beletten dat ze in de handel komen of blijven. De aldus genomen maatregel vervalt ten laatste bij het einde van de derde maand die volgt op deze waarin hij in werking is getreden. Deze maatregel kan hoogstens voor één periode van dezelfde duur worden verlengd.”; Overwegende dat de minister van Volksgezondheid in die bepaling een ruime discretionaire bevoegdheid vindt om veiligheidsmaatregelen te treffen ter bescherming van de volksgezondheid; dat dergelijke veiligheidsmaatregelen een preventief karakter hebben, dat het opleggen ervan niet afhankelijk is van vastgestelde fraude of kwaad opzet en dat de aard en de omvang van de maatregel niet beoordeeld moet worden in functie van de vastgestelde onregelmatigheid maar in functie van het door de wetgever vooropgestelde doel; dat overigens het opleggen van een veiligheidsmaatregel, die van beperkte duur moet zijn, niet belet dat de desbetreffende goederen, na het verstrijken of het opheffen van de maatregel, alsnog op een normale manier in de handel kunnen worden gebracht; 3.5.3.2.2. Overwegende dat het bestreden besluit uitdrukkelijk verwijst naar artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977 en dat het motief waarom al het vlees van verzoekster uit de handel genomen is, ligt in de bescherming van de volksgezondheid; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister uit de omstandigheid dat niet gestempeld vlees werd aangevoerd en de omstandigheid dat identificatiemerken werden afgerukt en vervangen door het eigen identificatiemerk, afleidt “dat het vlees dat momenteel in uw inrichting met erkenningsnummer F261 aanwezig is, of zich op andere plaatsen bevindt onder dekking van uw identificatiemerk, geen sluitende garanties biedt met betrekking tot de bescherming van de volksgezondheid”; dat het niet onjuist en niet kennelijk onredelijk is dat de minister uit de vaststelling van bepaalde feiten met betrekking tot het vlees dat verzoekster verhandelt afleidt dat al het vlees dat zij verhandelt geen sluitende garanties meer biedt met het oog op de bescherming van de volksgezondheid; dat de getroffen maatregel, zoals reeds gezegd, een bewarende maatregel is en dat de minister in de vaststelling van bepaalde IX-256-11/17 verdachte feiten -die doen twijfelen aan het sluitend karakter van de verrichtingen die verzoekster dient uit te voeren met het oog op het waarborgen van de veiligheid van de voedselketen- in alle redelijkheid een voldoende motief kan vinden om op een algemene wijze het zekere voor het onzekere te nemen met betrekking tot het vlees dat verzoekster verhandelt, en dus al het vlees voorlopig uit de handel te nemen; dat het niet is omdat de verdachte partijen vlees ondertussen afgezonderd zijn dat er redelijkerwijze geen twijfels kunnen rijzen omtrent de betrouwbaarheid van al het vlees dat verzoekster verhandelt; dat verzoekster ook niet aanduidt welke andere bewarende maatregel de minister had kunnen nemen; dat het argument dat het vlees dat niet het voorwerp vormt van de vastgestelde inbreuken reeds werd gecontroleerd en gekeurd niet relevant is; dat immers de bestreden bewarende maatregel opgelegd is wegens de verdenking die verzoekster, als gevolg van de inbreuken die in haar inrichting zijn vastgesteld, op zich geladen heeft en de logische conclusie daaruit dat al het vlees van verzoekster niet meer de vereiste garanties bood; dat ook het argument dat ambtenaren van het IVK verzoekster toegelaten hebben de verdachte dozen vlees in de treinwagons met het oog op de uitvoer naar Wit-Rusland te vervangen door andere niet dienend is, aangezien de minister bij het overwegen van een bewarende maatregel in het belang van de volksgezondheid niet gebonden is door de houding die ambtenaren van het IVK hebben aangenomen in het kader van de uitoefening van hun politionele opdracht; 3.5.4. Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 4.1. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van “artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977, minstens schending van het evenredigheidsbeginsel, redelijkheidsbeginsel (
- en)machtsafwending”; dat zij in essentie betoogt dat de bestreden beslissing slechts getroffen had mogen worden nadat gebleken was dat de reeds genomen maatregel -te weten de verzegeling van het verdachte vlees- onvoldoende was om de volksgezondheid te vrijwaren en dat voorts slechts maatregelen getroffen mogen worden ten aanzien van “bepaalde” en geïdentificeerde voedingsmiddelen en niet ten aanzien van de voedingsmiddelen waaromtrent geen vaststellingen werden gedaan en die sluitende garanties bieden op IX-256-12/17 het vlak van de volksgezondheid; dat zij dan ingaat op de feiten die aan de basis liggen van het bestreden besluit; dat, wat de aanvoer betreft van ongestempelde karkassen, zij erop wijst dat het vlees eerst werd ingevroren en vervolgens verzegeld, dat het slachthuis dat de karkassen naar haar inrichting heeft opgestuurd, bevestigd heeft dat er foutief gehandeld was en dat overigens de karkassen nooit gefactureerd werden; dat, wat het vlees betreft bestemd voor Wit-Rusland, zij betoogt dat een aantal dozen beschadigd werden door het wettelijk toegelaten verwijderen van het etiket, dat het vlees werd opgeslagen in een vrieshuis om vervolgens onderzocht te worden, dat Engelse etiketten werden aangetroffen omdat een Britse versnijderij vlees had versneden dat zij uit Europa had ingevoerd en vervolgens naar haar inrichting had verzonden en dat die partijen vlees voorzien waren van een gezondheidscertificaat; dat zij ook stelt dat de omstandigheid dat er sporen gevonden zijn van verwijderde etiketten nog niet bewijst dat er Brits vlees werd ingevoerd en dat de omstandigheid dat er op bepaalde stukken vlees zichtbaar stempels waren verwijderd evenmin iets bewijst aangezien de Engelse wet de verwijdering toestaat, waaruit zij dan afleidt dat het zelfs niet bewezen is dat de geïdentificeerde stukken vlees -laat staan al het vlees van verzoekster- een gevaar kunnen betekenen voor de volksgezondheid; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de verzegeling van de partij vlees door het IVK -die voor het overige niet kan beletten dat voedingsmiddelen in de handel worden gebracht- een bewarende maatregel was om te vermijden dat bewijsmateriaal verdoezeld of gemanipuleerd zou worden; dat zij betoogt dat artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977 niet vereist dat eerst alle bewarende maatregelen die voorzien zijn in andere wetgevingen uitgeput moeten zijn, terwijl er ook geen andere maatregelen bestaan die hetzelfde effect bezitten als de getroffen maatregelen en dat de toepassing van artikel 6bis niet beperkt moet blijven tot specifieke loten goederen; dat zij stelt dat het verwijderen van de identificatie- kenmerken op de dozen waarin het vlees, ingevoerd uit Groot-Brittannië, verpakt was en het feit dat in veel gevallen stempels waren weggesneden, wijzen op een mogelijkheid van bedrog en onzekerheid van de herkomst van het vlees, hetgeen een gevaar voor de volksgezondheid vormt, aangezien er geen enkele garantie meer IX-256-13/17 bestaat over de herkomst van het vlees, wat dan de vraag oproept of het vlees in de dozen ook wel het vlees is waarop de oorspronkelijke documenten sloegen; 4.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord nog stelt dat de in aanmerking genomen feiten niet konden verantwoorden dat de minister de volksgezondheid bedreigd achtte en dat er bij haar nooit goederen aangetroffen zijn die de volksgezondheid in gevaar brachten; dat zij ook nog uitvoerig ingaat op de opstelling van het hoofd van de keurkring VAN BREMPT, die volgens haar zichzelf heeft willen indekken en zich heeft willen bemoeien met contractuele relaties tussen handelaars, hetgeen niets te maken heeft met de volksgezondheid; 4.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog aanstipt dat de minister een veiligheidsmaatregel genomen heeft en dat de gehele uiteenzetting over hoofdinspecteur-directeur VAN BREMPT niet belet dat de feiten waarop het bestreden besluit steunt vaststaan en dat die feiten een maatregel in het belang van de volksgezondheid verantwoordden; 4.5.1. Overwegende dat het bestreden besluit wel degelijk betrekking heeft op “bepaalde” voedingsmiddelen, zoals vereist door artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977; dat het namelijk betrekking heeft op al het vlees dat in de inrichting van verzoekster aanwezig is alsook op al het vlees bekleed met haar identificatiemerk, ongeacht de plaats waar het zich bevindt; dat al dit vlees nauwkeurig bepaalbaar en identificeerbaar is aangezien het ofwel nog in de inrichting van verzoekster aanwezig is, ofwel haar identificatiemerk F 261 draagt; dat uit artikel 6bis van de wet van 24 januari 1977 niet blijkt dat alleen partijen vlees waaromtrent een proces-verbaal opgesteld is het voorwerp kunnen uitmaken van een veiligheidsmaatregel; dat, zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel aangegeven is, de minister in redelijkheid tot het besluit kon komen dat de volksgezondheid ermee gediend is om, zonder voorafgaande controle, al het vlees van verzoekster te blokkeren, aangezien het een veiligheidsmaatregel in het belang van de volksgezondheid betreft waarbij ieder uitstel noodlottig kan zijn en een IX-256-14/17 optreden op een te beperkte schaal aan de maatregel elk praktisch nut kan ontnemen; dat de omstandigheid dat een deel van het vlees reeds gekeurd was, de minister niet moest beletten de bestreden veiligheidsmaatregel te nemen, aangezien de vastgestelde feiten in ieder geval twijfels konden laten bestaan over de betrouwbaarheid van ook dat vlees en de sluitende garanties die de desbetreffende identificatiekenmerken nog konden bieden; Overwegende, wat het aanvoeren betreft van de ongestempelde karkassen, dat er reeds op gewezen werd dat de uitleg van verzoekster niet wegneemt dat ongestempeld vlees naar haar inrichting is gebracht met het oog op de verwerking ervan; dat, wat het vlees betreft bestemd voor Wit-Rusland, het in weerwil van wat verzoekster wil doen geloven niet zo vanzelfsprekend is dat het wettelijk toegelaten is etiketten te verwijderen van de verpakking; dat ook reeds werd aangegeven dat artikel 7 van het koninklijk besluit van 4 juli 1996 verbiedt dat een keurmerk of identificatiekenteken wordt aangebracht of vervangen in strijd met de reglementering of met de instructies van de keurder -die terzake in zijn brief van 25 juli 1997 had gewezen op het verbod van heretiketteren van verpakt vlees; dat de omstandigheid dat de Britse versnijderij nr. 6064 vlees uit Europese landen importeert om, na versnijding, bepaalde delen naar Europese landen terug te verzenden, geenszins verklaart waarom er losse etiketten bij verzoekster zijn aangetroffen en waarom er etiketten waren afgerukt en vervangen door identificatie- kenmerken van verzoekster; dat gewis het verwijderen van etiketten op zich niet bewijst dat in de dozen rundvlees van Britse origine stak, maar dat die vaststelling wel twijfel doet ontstaan over de betrouwbaarheid van het vlees dat bij verzoekster wordt aangetroffen; dat overigens in het bestreden besluit nergens wordt gesteld dat verzoekster vlees van Britse origine zou verhandelen; 4.5.2. Overwegende dat verzoekster betoogt dat na controle bevestigd werd dat in de dozen geen Brits vlees zit; dat deze stelling genuanceerd moet worden in die zin dat uit het rapport van de veearts die zij zelf aangesteld heeft om de controles bij te wonen blijkt dat in de dozen veel vlees aanwezig was waarvan de stempels weggesneden waren, hetgeen weliswaar op zich evenmin bewijst dat het om IX-256-15/17 Brits vlees gaat, maar dat zulks toch tot gevolg heeft dat niet meer kan bewezen worden dat het zeker niet om Brits vlees gaat; dat de uitleg van verzoekster, dat het in Groot-Brittannië toegelaten is stempels weg te snijden, geenszins overtuigt aangezien de vraag blijft waarom stempels zouden weggesneden worden uit vlees dat toch niet verwerkt wordt maar geëxporteerd naar Wit-Rusland en aangezien ook niet duidelijk wordt gemaakt waarom op bepaalde stukken vlees de stempel weggesneden is en op andere niet; 4.5.3. Overwegende dat, voor zover verzoekster in haar memorie van wederantwoord uitvoerig ingaat op de problematiek van het wegsnijden van de stempels, opgemerkt kan worden dat het bestreden besluit ook en zelfs in de eerste plaats steunt op het vervangen van identificatiemerken; dat de kritiek die zij uit op het optreden van het hoofd van de keurkring niet dienend is, aangezien vast is komen te staan dat verzoekster een aantal inbreuken heeft begaan die de volksgezondheid in het gedrang konden brengen en een veiligheidsmaatregel verantwoordden; 4.5.4. Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. IX-256-16/17 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-256-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.285 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.68.240 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div