id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.420 Rolnummer: A. 140377/XIV-16363 Zaak: Arrest 147420 - - 07/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-11 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Fiche Arrest nr 147.420 van 7 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 147.420 van 7 juli 2005 in de zaak A. 140.377/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. CALLEWIER, kantoor houdende te 8510 KORTRIJK, Pieter Breughelstraat 25 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 13 augustus 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 september 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten Gelet op de beschikking van 25 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; XIV-16.363-1/6 Gelet op de beschikking van 2 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. CALLEWIER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX bezit de Iraanse nationaliteit en heeft zich op 28 december 2000 vluchteling verklaard. 1.
- Op 6 september 2001 wordt aan verzoeker de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, betekend. 1.
- Op 15 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 september 2001 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een sjiiet, afkomstig uit Bandar Mah-Shahr en van Iraanse nationaliteit. In de periode 1357-1359 (Perzische tijdsrekening; komt overeen met 1978/1979-1980/1981) zou u pamfletten hebben verdeeld voor de 'Tcherikhaye Fedayan Khalghe Iran'. Tijdens deze periode zou u op een dag, toen u affiches aan het plakken was voor de partij waarmee u sympathiseerde, zijn gearresteerd door leden van de Niru-ye Entezami (reguliere politie). U zou ervan beschuldigd zijn affiches van een andere partij van de muur te hebben getrokken, u zou 4 uren zijn vastgehouden en bij uw vrijlating zou u een document hebben moeten ondertekenen waarin u beloofde geen affiches meer te verwijderen en geen pamfletten meer te plakken. In de zomer van 1358
(1979)zou u op weg naar Isfahan zijn gearresteerd. U zou gestopt zijn bij een kleine raffinaderij en daarom zou u ervan verdacht zijn geworden een terroristische aanslag te willen plegen. De wagen waarin u zat zou zijn doorzocht en leden van Sepah (Korps van de Revolutiewachters) of van de Niru-ye Entezami zouden in uw studieboek een verslag hebben gevonden waarin gegevens stonden over uw plakactiviteiten voor de XIV-16.363-2/6 Fedayan-organisatie. U zou 24 uur zijn vastgehouden en zijn mishandeld. In de daaropvolgende jaren, meer bepaald tot 1369 (1990-1991), zou u geen problemen meer hebben gekend in Iran. In laatstgenoemd jaar zou u naar Japan zijn vertrokken om er te werken. In het begin van het jaar 1379
(2000)zou u naar Iran zijn teruggekeerd. Op 07/09/1379 (27 november 2000) zou u samen met een vriend naar Turkije zijn gereisd om er bepaalde aankopen te doen. Na een telefoontje vanuit Istanbul met uw zus in Iran zou u te weten zijn gekomen dat leden van Sepah uw woning tijdens uw afwezigheid hadden doorzocht en 2 verboden boeken van de Mujahedin hadden gevonden. Uw schoonbroer, met wie u een conflict had, zou leden van Sepah hebben ingelicht van het feit dat u verboden cassettes bezat, waarop deze een huiszoeking zou hebben doorgevoerd. De gevonden boeken zouden echter niet van u zijn geweest. U zou ze hebben ontvangen van een vriend, die hoopte dat u ze zou lezen en daarmee uw politieke kennis zou vergroten. Na de huiszoeking zouden uw moeder en broer zijn gearresteerd. Uw broer zou een drie- à viertal dagen zijn vastgehouden. Na dit alles te hebben vernomen, zou u het niet hebben aangedurfd naar Iran terug te keren en zou u naar België zijn gevlucht. Op 25 december 2000 zou u hier zijn aangekomen en op 28 december hebt u hier een asielaanvraag ingediend. Na uw aankomst in België zou u hebben vernomen dat de vriend van wie u destijds de boeken zou hebben geleend, werd aangehouden. Tijdens uw verblijf in België zouden de ordediensten meermaals naar uw woning zijn gekomen en naar uw verblijfplaats hebben geïnformeerd. Op de Dienst Vreemdelingenzaken hebt u de volgende documenten neergelegd: een boekje van burgerlijke stand, een rijbewijs, twee arbeidskaarten uit Japan en een zeemansidentiteitsdocument. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat er tussen uw verschillende verklaringen een aantal tegenstrijdigheden en anomalieën waar te nemen zijn waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in grote mate wordt ondermijnd. Zo repte u op de Dienst Vreemdelingenzaken met geen woord over enige politieke activiteit. U verklaarde er uitdrukkelijk niet geïnteresseerd te zijn in politieke acties of politieke manifestaties (DVZ-gehoorverslag vraag 42), nooit te zijn opgesloten (DVZ-gehoorverslag vraag 44) en nooit het slachtoffer te zijn geworden van een aanslag op uw lichamelijke integriteit (DVZ-gehoorverslag vraag 45). Op het Commissariaat-generaal daarentegen stelde u vroeger wel politieke activiteiten te hebben gehad, meer bepaald in de periode 1357- 1359 voor de 'Tcherikhaye Fedayan Khalghe Iran', én verder beweerde u als gevolg van deze activiteiten tweemaal te zijn gearresteerd (CGVS-gehoorverslag p. 6-11). Tijdens de tweede arrestatie zou u bovendien fysiek zijn mishandeld (CGVS-gehoorverslag p. 11), terwijl u op de Dienst Vreemdelingenzaken stelde dat er nooit een aanslag is geweest op uw lichamelijke integriteit. De verklaringen die u geeft voor deze discrepanties, meer bepaald dat u door stress en angst niet alles hebt kunnen vertellen (vragenlijst dd. 15/04/2002) en dat u pas na het eerste gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken hebt ingezien dat deze zaken van belang konden zijn (CGVS- gehoorverslag p. 11 en 23), zijn volledig ontoereikend. In de eerste plaats dient hier herhaald dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken negatief hebt geantwoord op de expliciete vragen of u ooit werd gearresteerd of het slachtoffer van een aanslag op uw fysieke integriteit werd. Bovendien vond uw interview op de Dienst Vreemdelingenzaken plaats op 4 september 2001, bijna 9 maanden na uw asielaanvraag in België. Uw bewering dat u pas na het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken besefte dat u ook diende te vertellen over uw vroegere politieke activiteiten én de gevolgen hiervan (CGVS-gehoorverslag p. 11 en 23), is volledig ongeloofwaardig, te meer omdat u op het Commissariaat-generaal uw vrees bij uw vlucht naar België en uw vrees bij een eventuele terugkeer naar Iran met deze gebeurtenissen (de twee arrestaties als gevolg van uw politieke activiteiten) verbond. U stelde namelijk dat uw hoofdprobleem is dat u tijdens de twee vroegere arrestaties een document had ondertekend waarin u beloofde af te zien van verdere activiteiten (CGVS-gehoorverslag p. 21) en dat dit zeker tegen u gebruikt zou worden bij de afhandeling van de feiten in
- Het feit dat u dit tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken vergeten bent te vertellen, maakt dit deel van uw asielrelaas dan ook volledig ongeloofwaardig. Wat er ook van zij, uw vrees voor een veroordeling tot een zware gevangenisstraf of zelfs tot de doodstraf omdat er bij uw thuis twee publicaties van de Mujahedin werden gevonden (CGVS-gehoorverslag p. 21), kan niet gelijkgesteld worden met een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Immers, uit XIV-16.363-3/6 informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat het bezit van verboden of aanstootgevend materiaal steeds minder vaak bestraft wordt in Iran. Indien iemand voor een misdrijf wordt gearresteerd en er bij deze persoon verboden boeken of pamfletten of getuigschriften van verboden oppositiegroeperingen, zoals bijvoorbeeld van de Mujaheddin-e Khalq organisatie, worden aangetroffen, zullen deze artikelen wel in beslag worden genomen en het bezit van deze artikelen zal waarschijnlijk wel leiden tot een verzwaring van de aanklacht. Er is echter op dit ogenblik geen actief vervolgingsbeleid ten aanzien van het in bezit hebben van 'bedenkelijk' materiaal. Het handelen in bovengenoemd materiaal kan wel leiden tot gevangenisstraffen van 3 maanden tot één jaar en/of geldboetes. Uw vrees veroordeeld te worden tot een zware gevangenisstraf of zelfs de doodstraf louter op basis van het bezit van deze publicaties, beantwoordt dan ook niet aan enig objectief gegeven. Bovendien haalde u zelf aan dat u de publicaties van de Mujahedin ongevraagd in uw bezit had, u ze niet gelezen hebt en eigenlijk ook niet geïnteresseerd bent in de inhoud ervan (CGVS-gehoorverslag p. 15-16). Ook stelde u na uw verblijf in Japan van 1990 tot 2000 geen politieke activiteiten meer te hebben gehad (CGVS-gehoorverslag p. 12) - in tegenstelling tot uw vriend van wie u de boeken had gekregen (CGVS-gehoorverslag p. 20) - en op dit ogenblik geen communistische sympathieën meer te hebben (CGVS-gehoorverslag p. 23). Uw bewering dat u in Iran geen enkele mogelijkheid zal hebben om uw onschuld te bewijzen en u in die mate gefolterd zal worden dat u wel zal moeten toegeven (CGVS-gehoorverslag p. 23), is louter gebaseerd op een vermoeden dat niet wordt ondersteund door een objectief gegeven. De door u neergelegde documenten uit Japan kunnen geen enkele invloed hebben op bovenstaande vaststellingen, daar uw verblijf in Japan nooit ter discussie stond. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
- Over de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat luidens artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de vordering tot schorsing dient te worden ingesteld bij een afzonderlijke akte die geen deel uitmaakt van het verzoekschrift tot nietigverklaring en die een uiteenzetting van de feiten en de middelen bevat die volgens de indiener ervan het XIV-16.363-4/6 bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat hetzelfde voorschrift ook neergelegd is in artikel 3, 4/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, luidens hetwelk de vordering tot schorsing die binnen de in artikel 20 bepaalde termijn en overeenkomstig artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is ingesteld, een uiteenzetting van de feiten en de middelen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen dient te bevatten; 2.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot zijn middelen in zijn vordering tot schorsing stelt: “Verzoeker heeft tegelijkertijd, doch met een afzonderlijk verzoekschrift een verzoek tot nietigverklaring ingediend, waaruit blijkt dat de door verzoeker aangevoerde middelen tot nietigverklaring ernstig zijn en op het eerste zicht de vernietiging van het bestreden besluit wettigen. De middelen in casu zijn: 1e : Schending van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en der verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de Conventie van Genève, van artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden, afwezigheid van redenen en op zijn minst een manifeste appreciatiefout en schendig van het algemeen principe van de rechten van de verdediging, door dat de bestreden beslissing vooropstelt: “Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is”. 2e : Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 191 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing vooropstelt: “Wat er ook van zij, uw vrees voor een veroordeling tot een zware gevangenisstraf of zelfs tot de doodstraf omdat er bij uw thuis twee publicaties van de Mujahedin werden gevonden, kan niet gelijkgesteld worden met een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève”.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker zich in wezen beperkt tot een verwijzing naar de middelen uiteengezet in het verzoek tot nietigverklaring; dat de uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel als het rechtsbeginsel wordt aangeduid welke zou zijn geschonden als de wijze waarop de bestreden beslissing die rechtsregel of dat rechtsbeginsel zou hebben geschonden; dat dit ten deze niet het geval is; dat de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring twee van elkaar te onderscheiden akten zijn; dat de vordering tot schorsing zelf een voldoende duidelijke uiteenzetting dient te bevatten van de middelen die in het administratief kort geding worden aangevoerd; dat een loutere vermelding van de bepalingen die in het kader van het vernietigingsberoep worden ingeroepen niet volstaat; dat de vordering tot schorsing derhalve niet ontvankelijk is, XIV-16.363-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.363-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div