← België

Arrest 147424 - - 07/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.424 Rolnummer: A. 152279/XIV-19714 Zaak: Arrest 147424 - - 07/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Fiche Arrest nr 147.424 van 7 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.424 van 7 juli 2005 in de zaak A. 152.279/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. VERHELST, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Lange Herentalsestraat 122, bus 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 28 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 16 april 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 10 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. VERHELST, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.714-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht, verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchteling- en stelt dat het door hem neergelegde arrestatiebevel geen bewijswaarde heeft zonder echter aan te tonen dat dit effectief het geval is, dat hij door middel van deze documenten en een krantenartikel nochtans het bewijs bijbrengt dat hij door de politie wordt gezocht, dat het bovendien een welbekend feit is dat gewone mensen in Nepal ontvoerd worden door de Maobadi, dat de door hem in bijlage bij het verzoekschrift tot nietigverklaring gevoegde overtuigingsstukken aantonen dat mensen zonder veel redenen gearresteerd worden door de Nepalese politie en dat zijn karateleraar werd aangevallen door Maobadi, en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen “veel beter geplaatst is om via diplomatieke weg, en op eenvoudig verzoek, de waarde van deze documenten te laten controleren”; 1.1.
  4. Overwegende dat het niet is omdat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bewijskracht aan de aangebrachte stukken weigert, dat uit haar beslissing moet blijken dat deze niet authentiek zijn; dat, zoals zij in de bestreden beslissing overigens volkomen terecht stelt, het “tot de bevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie (...) om de bewijswaarde van neergelegde documenten en getuigschriften te beoordelen (...)” behoort en zij zich kan “uitspreken over de bewijswaarde van de neergelegde stukken zonder klacht te moeten indienen bij het parket wegens valsheid in geschriften en te moeten wachten op de uitspraak van het bevoegd rechtscollege in dit verband”; dat aan de voorgelegde stavingsstukken ook om andere redenen dan hun gebrek aan authenticiteit bewijskracht kan worden ontzegd, bijvoorbeeld omdat ze geen officieel karakter hebben of omdat ze op aanvraag kunnen worden gepubliceerd; dat in tegenstelling tot wat verzoeker meent, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins “laconiek” stelt dat de door hem voorgelegde stukken geen bewijswaarde hebben, doch zij omstandig aangeeft waarom dit volgens haar het geval is, met name omdat -wat het aanhoudingsbevel betreft- zijn verklaringen hieromtrent niet eensluidend zijn, omdat -wat de brief van een advocaat betreft- deze brief geen officieel karakter heeft, en omdat -wat het krantenartikel betreft- “een dergelijk artikel geen officieel document is”, “het op aanvraag gepubliceerd kan worden” en “geen bewijs is van de aangehaalde feiten”; dat haar geen onzorgvuldigheid kan worden verweten; dat, voor zover verzoeker thans voor de Raad van State nieuwe stukken bijbrengt waaruit moet blijken dat hij wel degelijk voor erkenning in aanmerking komt, deze stukken niet in aanmerking kunnen worden genomen, vermits ze niet te gelegener tijd aan de XIV-19.714-2/4 feitenrechter werden voorgelegd en het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen over de bewijswaarde van de hem voorgelegde stukken waaruit de feitelijke toedracht van de zaak zou moeten blijken; dat deze beoordeling niet door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, kan worden overgedaan; dat geen enkele bepaling van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 de met het onderzoek van de aanvragen om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling belaste instanties verplicht de vreemdeling bij te staan in zijn inspanningen om het statuut van vluchteling te bekomen en de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling zelf op te vullen door bijvoorbeeld “via diplomatieke weg, en op eenvoudig verzoek, de waarde van deze documenten te laten controleren”; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin- gen, verzoeker integraal verwijst naar de uiteenzetting van het eerste middel en hij daaraan toevoegt dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een voorbeeld is van een stereotiepe, geijkte en gestandaardiseerde motivering, dat een individuele benadering in elk geval ontbreekt, dat de voorgelegde documenten zeer volledig en concreet aanduiden wie verzoeker is en het “veel werk en vooral fraude (zou) vergen wanneer ze ‘door iedereen probleemloos verkregen kunnen worden’”, dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van een verkeerde premisse vertrekken, te weten het leveren van een materieel onmogelijk bewijs, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen weigert de voorgelegde stukken te onderzoeken of voor te leggen via een diplomatieke post, en dat “de aangehaalde feiten en voorgelegde documenten (...) ernstig genoeg zijn om te controleren op waarheid door het opvragen van nodige bewijsstukken en documenten ter controle van de voorgelegde documenten”; 1.2.
  6. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat het tweede middel niet ontvankelijk is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-19.714-3/4 Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.714-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.424 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.