id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.427 Rolnummer: A. 148894/XIV-18978 Zaak: Arrest 147427 - - 07/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Fiche Arrest nr 147.427 van 7 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.427 van 7 juli 2005 in de zaak A. 148.894/XIV-18.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 178 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Iraanse nationaliteit, op 16 maart 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 februari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 24 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 11 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; XIV-18.978-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. KIWAKANA die, loco Advocaat V. VEREECKE verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX en XXX, beide van Iraanse nationaliteit, zijn België binnengekomen op 30 december 2000 en hebben zich op 5 december 2003 een derde keer vluchteling verklaard. 1.
- Op 18 februari 2004 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Deze beslissingen luiden als volgt: Wat XXX betreft: “(...) BESLISSING TOT WEIGERING VAN VERBLIJF MET BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN In uitvoering van artikel 75, § 2, 1 de artikelen 81 en 75, § 2,
(1)van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 mei 1993, wordt het verblijf in het Rijk geweigerd aan : de persoon die verklaart te heten XXX geboren te Teheran , op 29/12/1956 en van nationaliteit te zijn : Iran REDEN VAN DE BESLISSING . ZIE BIJLAGE
(1)In uitvoering van artikel 7, lid 1,2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt aan de betrokkene bevel gegeven het grondgebied te verlaten / binnen (vijf) dagen. (...) BIJLAGE BIJ EEN BESLISSING TOT WEIGERING VAN VERBLIJF Betreft: de persoon die verklaart te heten XXX geboren te Teheran , op 29/1211956 en van nationaliteit te zijn : Iran XIV-18.978-2/5 Toepassing van artikel 52 van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993 en 15 juli 1996 : daar de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; Betrokkene verklaart dat hij in oktober 2002 deelnam aan een manifestatie In Gent. Hij zou vanaf 06/11/03 hebben deelgenomen aan de actie van Iraanse vluchtelingen in Gent en aan enkele manifestaties in het kader daarvan. Hij zou er niet continu aanwezig zijn geweest. Hij verklaart verder geen activiteiten te voeren in België. In verband met zijn problemen in Iran verklaart betrokkene nog dat zijn zus de eigendommen die ze als borg stelde voor zijn vrijlating niet kan terugkrijgen. Betrokkenes eerste asielaanvraag werd op 08/02101 afgesloten met eert negatieve beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en cie Staatlozen omdat zij gebaseerd bleek op bedrieglijke verklaringen. Een tweede asielaanvraag werd aanvankelijk ontvankelijk verklaard door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en cie Staatlozen, Uiteindelijk worden betrokkene en zijn echtgenote door deze instantie niet erkend als vluchteling (beslissing d.d. 20/01/03). Een beroep bij de Vaste Beroepscommissie werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard, Betrokkene baseert zijn derde asielaanvraag op zijn deelname aan de acties van Iraanse vluchtelingen in Gent. Hij verschaft hierover echter weinig informatie. De foto's en eigen videobeelden die hij aanbrengt tonen wel aan dat betrokkene bij ten minste een gedeelte van de acties betrokken was, maar wijzen er niet op dat betrokkenes autoriteiten op de hoogte zouden zijn van zijn deelname aan de acties. Betrokkene kan dan ook niet aannemelijk maken dat hij bij een eventuele terugkeer naar zijn land van herkomst zou worden geviseerd omwille van deze activiteiten. Aangezien de elementen die betrokkene aanbrengt niet getuigen van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, is zijn asielaanvraag niet ontvankelijk. (...).”. Wat XXX betreft: “(...) BESLISSING TOT WEIGERING VAN VERBLIJF MET BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN In uitvoering ven artikel 75. § 2, 1 de artikelen 81 en 75, § 2,
(1)van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 mei 1993, wordt het verblijf in het Rijk geweigerd aan : de persoon die verklaart te heten XXX geboren te Noushahr , op 21/10/1977 en van nationaliteit te zijn : Iran REDEN VAN DE BESLISSING ZIE BIJLAGE
(1)In uitvoering van artikel 7, lid 1,2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt aan de betrokkene bevel gegeven het grondgebied te verlaten / binnen (vijf) dagen, Brussel, 16/02/2004 (...) BIJLAGE BIJ EEN BESLISSING TOT WEIGERING VAN VERBLIJF Betreft : de persoon die verklaart te heten XXX geboren te Noushahr, op 21/10/1977 en van nationaliteit te zijn : Iran Toepassing van artikel 52 van cie wet ven 15 december 1980, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993 en 15 juli 1996 : daar de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. l, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; XIV-18.978-3/5 Betrokkene verklaart dat haar echtgenoot als vertegenwoordiger van de familie deelnam aan de acties van Iraanse vluchtelingen in Gent. Zij was er slechts af en toe aanwezig omwille van de zorg voor haar twee kinderen. Betrokkenes eerste asielaanvraag werd op 08/02/01 afgesloten met een negatieve beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen omdat zij gebaseerd bleek op bedrieglijke verklaringen. Een tweede asielaanvraag werd aanvankelijk ontvankelijk verklaard door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Uiteindelijk worden betrokkene en haar echtgenoot door deze instantie niet erkend als vluchteling (beslissing d.d. 20/01/03). Een beroep bij de Vaste Beroepscommissie werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Betrokkene baseert haar derde asielaanvraag voornamelijk op de deelname van haar echtgenoot aan de actie in Gent. Haar echtgenoot maakte echter niet aannemelijk dat hij of zijn gezin zouden worden geviseerd omwille van deze actie. Bijgevolg is ook betrokkenes asielaanvraag niet ontvankelijk. (...).”.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering tot schorsing en het verzoek tot nietigverklaring onontvankelijk zijn doordat de bestreden beslissing een uitvoeringsmaatregel is en omdat tegen de bestreden beslissing een administratief beroep openstaat dat niet werd uitgeput; 2.
- Overwegende dat verzoekers het georganiseerd beroep dat tegen de huidige bestreden beslissingen openstond bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, niet hebben uitgeput zodat het beroep als onontvankelijk moet worden beschouwd;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- XIV-18.978-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-18.978-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.427 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div