← België

Arrest 147430 - - 07/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.430 Rolnummer: Zaak: Arrest 147430 - - 07/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 21:31 Fiche Arrest nr 147.430 van 7 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.430 van 7 juli 2005 in de zaken A. 151.820/XIV-19.601 151.823/XIV-19.

  1. In zake : I.XXX II.XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat K. VINCKE, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Jan Moritoenstraat 1, bus 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien de verzoekschriften dat XXX en XXX, beide van Joegoslavische nationaliteit, op 13 mei 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 24 februari 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikkingen van 1 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikkingen van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-19.601-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. MOUTON die, loco Advocaat K. VINCKE verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de procedure. Overwegende dat XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van de beslissing waarbij hun de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen steunt op de niet-erkenning van XXX, haar echtgenoot; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
  3. Over de gegrondheid van de beroepen. 2.
  4. Wat het beroep van Ajet MUCAJ betreft: 2.1.
  5. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van het “Verdrag van Genève betreffende de vluchtelingen en staatlozen, ondertekend op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953", van het “protocol betreffende de status der vluchtelingen, opgemaakt te New York op 31 januari 1967", van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het gelijkheidsbeginsel en van “het beginsel dat elke bestuurshandeling door een materieel motief moet gedragen worden”, verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, middels verwijzing naar de Resolutie 1244 en de inspanningen van de internationale gemeenschap, ten onrechte stelt dat zijn problemen puur sociaal-economisch zouden zijn en dat het onder internationaal toezicht en bestuur plaatsen van Kosovo zou impliceren dat er een einde is gesteld aan alle daden van vervolging door de Servische milities ten aanzien van de etnische Albanezen en in het bijzonder van de leden van de LDK-milities, dat uit recente persartikelen blijkt dat de KFOR-troepen niet in staat zijn een efficiënte bescherming te bieden, dat hij evenmin zekerheid heeft inzake zijn lopend proces in Kosovo, daar de onafhankelijkheid van de rechtspraak ver te zoeken is, zoals ook blijkt uit rapporten van Amnesty International, dat nergens in de bestreden beslissing zijn asielrelaas als kennelijk onwaar of bedrieglijk wordt omschreven en de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen geen verder persoonlijk onderzoek heeft verricht omdat volgens haar de situatie zou zijn opgelost, dat het niet kunnen beschikken over een woning weliswaar XIV-19.601-2/5 een socio-economisch probleem is, doch ook impliceert dat hij zich moeilijk of niet kan beschermen tegen de Servische agressie en dat de toekomst van zijn drie kinderen zwaar zal worden gehypothekeerd, onder meer omdat zij de Albanese of Servische taal niet of niet meer beheersen en het onderwijs in Kosovo niet van hetzelfde niveau is; 2.1.
  6. Overwegende dat in zijn enig middel verzoeker gewoon quasi letterlijk zijn verweer herhaalt, ontwikkeld in zijn beroepschrift voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zonder enigszins in te gaan op de redenen waarom deze argumentatie door dit rechtscollege wordt verworpen, met name omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- “de actuele toestand in Kosovo van die aard is dat appellant(e) niet langer problemen met de Servische autoriteiten kan blijven inroepen” en “voor terugkerende etnisch Albanese vluchtelingen, die vrezen een geïndividualiseerd slachtoffer te kunnen worden van misdadig gedrag van Serviërs die nog steeds op Kosovaars grondgebied verblijven, een duidelijk binnenlands vestigingsalternatief aanwezig is”, omdat zijn bewering dat hij geen zekerheid heeft in Kosovo, geen grondslag heeft, omdat het niet beschikken over een woning een socio-economisch probleem betreft dat geen verband houdt met één van de criteria van het Vluchtelingenverdrag en omdat zijn grief dat de toekomst van zijn drie kinderen in hun land van herkomst zwaar zal worden gehypothekeerd en een schending van de rechten van het kind inhoudt, niet wordt geëxpliciteerd; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de door verzoeker ter staving van zijn aanvraag ingeroepen feiten en gegevens onder ogen heeft genomen, doch in het licht van de gewijzigde situatie in het land van herkomst en het voorhanden zijn van een binnenlands vluchtalternatief als niet langer relevant afgewezen; dat zodoende zijn aanvraag wel degelijk individueel werd onderzocht; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de situatie in het land van herkomst dusdanig gewijzigd is dat verzoeker er zonder vrees voor vervolging naar kan terugkeren en of er een binnenlands vestigingsalternatief voorhanden is; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat in de bestreden beslissing er volkomen terecht wordt op gewezen dat de ingeroepen socio- economische overweging, met name het gebrek aan huisvestiging, “geen verband houdt met een der criteria van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951"; dat de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen haar bevoegdheid zou overschrijden mocht zij, wegens het belang van de zaak voor hem, een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden, toch als vluchteling erkennen omwille van het niet beschikken over een woning; dat voor zover verzoeker poogt te verduidelijken waarom een terugkeer naar zijn land van herkomst een zware hypotheek op de toekomst van zijn kinderen zal leggen, deze verklaring door de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in aanmerking kan worden genomen, aangezien zij niet te gelegener tijd aan het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is onderworpen; dat, voor zover het middel ertoe strekt de feitelijke beoordeling van de zaak, inzonderheid in verband met de situatie van etnische Albanezen in Kosovo, over te doen, het niet in aanmerking kan worden genomen, omdat dit buiten de XIV-19.601-3/5 bevoegdheid van de administratieve cassatierechter valt; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.
  7. Wat het beroep van XXX betreft: 2.2.
  8. Overwegende dat verzoekster hetzelfde middel aanvoert als haar echtgenoot; 2.2.
  9. Overwegende dat er niet wordt betwist dat verzoekster haar asielaan- vraag heeft verbonden aan de asielaanvraag van haar echtgenoot; dat de te haren opzichte genomen beslissing dan ook voldoende gemotiveerd is door de verwijzing naar de niet- erkenning van haar echtgenoot als vluchteling; dat indien het beroep van haar echtgenoot wordt verworpen, de te zijnen opzichte genomen beslissing definitief wordt en niet langer de onwettigheid ervan kan worden aangevoerd;
  10. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De zaken nrs. A. 152.820/XIV-19.601 en 151.823/XIV-19.603 worden gevoegd. Artikel
  12. De beroepen worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-19.601-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juli tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.601-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.