← België

Arrest 147502 - - 08/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.502 Rolnummer: A. 151731/XIV-19584 Zaak: Arrest 147502 - - 08/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 21:36 Fiche Arrest nr 147.502 van 8 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.502 van 8 juli 2005 in de zaak A. 151.731/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. VAN REUSEL, kantoor houdende te 2850 BOOM, Beukenlaan 114 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 12 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 5 april 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 1 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-19.584-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VAN REUSEL, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel verzoeker aanvoert dat zijn rechten van verdediging werden geschonden doordat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beslissing heeft genomen “op basis van een 15-tal technisch geïnspireerde vragen over partijstructuren en namen van voorzitters” die niet tot de vaststelling kunnen leiden “dat verzoeker vrijwillig en zonder enig vrees voor vervolging op eigen houtje en moederziel alleen op het vliegtuig naar België gestapt is”, en doordat hij nooit in de mogelijkheid is gesteld om kennis te nemen van het administratief dossier; 1.1.
  4. Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins besluit op basis van de vastgestelde gebrekkige kennis “dat verzoeker vrijwillig en zonder enige vrees voor vervolging op eigen houtje en moederziel alleen op het vliegtuig naar België gestapt is”; dat waar, onder meer, wordt overwogen dat appellant ook ter zitting blijkt geeft van onjuiste kennis (betreffende het al dan niet bestaan van een aparte groepering voor jongeren en vrouwen) en evenmin bekend is met de afbeeldingen in het nationaal embleem van de SDF door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen duidelijk wordt aangegeven dat deze flagrante onwetendheid en onjuistheid niet kan worden aanvaard van iemand die beweert zeer politiek actief te zijn geweest op het plaatselijk niveau in Limbe en die daarenboven voorhoudt tot tweeëntwintig-drieëntwintigjarige leeftijd school te hebben gelopen en derhalve niet als analfabeet mag worden beschouwd; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de aan de vreemdeling gestelde vragen wel aangepast waren aan diens leeftijd en of op basis van deze vragen kan worden getwijfeld aan verzoekers lidmaatschap van de SCNC en SDF; dat deze beoordeling door de Raad van State als administratieve cassatierech- ter niet kan worden overgedaan; dat verzoeker niet voor het eerst voor de administratieve cassatierechter kan inroepen dat zijn rechten van verdediging door de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen zijn geschonden omdat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het administratief dossier; dat dit bezwaar slechts in aanmerking had kunnen worden genomen indien hij het te gelegener tijd voor de feitenrechter had opgeworpen, hetgeen hij evenwel verzuimd heeft te doen; dat, in zoverre met de kennisname van “het administratief dossier” XIV-19.584-2/5 bedoeld wordt dat verzoeker geen kennis heeft gekregen van het SDF-rapport, het middel feitelijke grondslag mist; dat verzoeker immers ter zitting van dit verslag in kennis werd gesteld; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht, verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tot de ongegrondheid van zijn aanvraag besluit zonder dit afdoende te motiveren; 1.2.
  6. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- hij geen enkel begin van bewijs bijbrengt betreffende zijn identiteit, zijn reisweg en het door hem voorgehouden feitenrelaas en omdat geen geloof wordt gehecht aan dit feitenrelaas; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende met redenen is omkleed; dat het niet volstaat op algemene wijze te beweren dat de bestreden beslissing is genomen “op grond van algemene motieven of zelfs op grond van foutieve gevolgtrekkingen”; dat in het middel in concreto moet worden aangegeven welke motieven té algemeen zouden zijn of welke foutieve gevolgen de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zou hebben getrokken “uit het jeugdig fanatisme waarmee verzoeker bestookt is”; dat bij ontstentenis van deze toelichting dit onderdeel van het middel niet in aanmerking kan worden genomen; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. XIV-19.584-3/5 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-19.584-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.584-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.502 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.