id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.538 Rolnummer: A. 159685/X-12196 Zaak: Arrest 147538 - - 08/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 21:44 Fiche Arrest nr 147.538 van 8 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.538 van 8 juli 2005 in de zaak A. 159.685/X-12.196. In zake : de n.v. WILMALUC, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DE LAT, kantoor houdende te 9420 ERPE-MERE, Gentsesteenweg 157 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. WILMALUC op 2 februari 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 5 november 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende definitieve bescherming als landschap van de vallei van de Molenbeek te Erpe-Mere en, "voor zover als nodig", van het besluit van 25 september 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende voorlopige bescherming als landschap van de vallei van de Molenbeek te Erpe-Mere; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelings- hoofd P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 29 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.196-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DE LAT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster "voor zover als nodig" de schorsing vordert van het besluit van 25 september 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende voorlopige bescherming als landschap van de vallei van de Molenbeek te Erpe-Mere; Overwegende dat artikel 8, al. 2, 3/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State vereist, hetgeen overigens de rechten van verdediging vergen, dat het voorwerp van de vordering door de verzoekende partij zelf in haar verzoekschrift wordt bepaald; dat verzoekster, door de wijze waarop zij het voorwerp van het beroep formuleert, met name "voor zover als nodig", in strijd met dit voorschrift het aan de Raad van State overlaat het uiteindelijke voorwerp van het beroep te bepalen; dat het beroep wat het tweede voorwerp betreft om deze reden alleen reeds niet ontvankelijk is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit X-12.196-2/5 van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij uiteenzet wat volgt : "Verzoekende partij lijdt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit dd. 4.11.2004. Door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt het eigendoms- recht van verzoekende partij dermate aangetast en wordt onherstelbare financiële schade toegebracht. Immers wordt een zinvolle bestemming van het gebouw door de tenuitvoer- legging van het bestreden besluit onmogelijk gemaakt. Terwijl in de bestreden besluiten nergens kan worden opgemaakt waarom het algemeen belang is gediend met de opname van het kwestieuse (...)gebouw in het beschermd landschap 'Vallei van de Molenbeek' zijn de onomkeerbare nadelige (financiële) effecten voor verzoekende partij manifest. Enkel en alleen een schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit dd. 5.11.2004 kan het ernstig nadeel in hoofde van verzoekende partij herstellen. Tot slot dient nog benadrukt dat het moeilijk te herstellen nadeel mede voortvloeit uit de ernst van de middelen."; Overwegende dat de verwerende partij repliceert als volgt : "28. De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk moet worden onderzocht. De onwettig- heden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te aanvaarden. 29. Met betrekking tot deze tweede cumulatieve voorwaarde bepaalt artikel 8, tweede lid, 5/ P.R.K.G. dat de vordering tot schorsing dient te bevatten 'een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen'. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dien(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.