id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.547 Rolnummer: A. 91727/VII-21340 Zaak: Arrest 147547 - - 08/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 21:48 Fiche Arrest nr 147.547 van 8 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.547 van 8 juli 2005 in de zaak A. 91.727/VII-21.340 In zake : de n.v. PYCK, gevestigd te VLETEREN, Kallestraat 32 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN en P. DEJONCKHEERE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. PYCK op 11 mei 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 13 maart 2000 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 9 september 1999 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij om een veevoederfabriek gelegen te Westvleteren, Kallestraat 32, te veranderen door wijziging en uitbreiding; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederant- woord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKE- RE, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 7 juni 2005 houdende bevel tot neerlegging van het verslag en oproeping van de partijen om te verschijnen op 30 juni 2005; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen; VII-21.340-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De verzoekende partij, de n.v.PYCK, is een veevoederfabriek met eigen varkensfokkerijen. Bij brief van 5 maart 1999 vraagt zij de hernieuwing van de vergunning aan voor haar varkensfokkerij gelegen aan de Kallestraat 32 te Vleteren. 1.
- Op 9 september 1999 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de vergunning voor 1.448 mestvarkens voor een proefperiode van een jaar. De proefperiode moet met name de verzoekende partij in staat stellen om de mestafzetmogelijkheden te bewijzen. 1.
- Op 11 oktober 1999 tekent de Vlaamse Landmaatschappij beroep aan tegen deze beslissing. 1.
- Nadat de vereiste adviezen werden verleend, weigert de bevoegde minister op 13 maart 2000 de vergunning op basis van artikel 4, § 1, 2° van het Vergunningenbesluit van 20 december
- Dit is het bestreden besluit. De weigering is als volgt gemotiveerd : “(...) Overwegende dat artikel 33, § 1 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, gewijzigd bij decreet van 20 december 1995, beperkingen betreffende de productie van dierlijke mest invoert voor de VLAREM-milieuvergunningsaan- vragen ingediend na de datum van publicatie van de vaststelling door de VII-21.340-2/6 Vlaamse regering dat één van de twee maxima inzake mestproductie van de veestapel is bereikt of overschreden zal worden; dat met name voor VLAREM- milieuvergunningsaanvragen ingediend na deze datum als algemene regel geldt dat nog enkel een milieuvergunning kan worden verleend: - voor de verdere exploitatie van een bestaande veeteeltinrichting; - voor de volledige verplaatsing van een bestaande landbouwinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf en voor zover voldaan is aan de bijkomende voorwaarden bedoeld in artikel 34, § 3, 2°/ van hetzelfde decreet; dat het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 waarbij voornoemde overschrijding werd vastgesteld, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1995; dat bedoelde algemene regel bij gevolg van toepassing is op VLAREM-milieuvergunningsaanvragen ingediend na 30 december 1995; Overwegende dat de mestbankaangifte van het aanslagjaar 1993 ontvangen werd op 8 maart 1993 zodat de inrichting beschouwd kan worden als een bestaande inrichting; Overwegende dat de vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk werd verklaard op 15 maart 1999 zodat de bepalingen van artikel 4 van het Vergunningenbesluit van toepassing zijn op onderhavige aanvraag; Overwegende dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een inrichting behorende tot een bedrijf dat niet genotificeerd is als gezinsveeteeltbedrijf; Overwegende dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de hernieu- wing van de vergunning van een inrichting behorende tot een niet-gezinsveeteel- bedrijf en derhalve de bepalingen van artikel 4, § 1, 2° van toepassing zijn; dat niet voldaan wordt aan alle criteria van bovenvermeld artikel aangezien de som van de grondgebonden afzet, de afzet via verwerking en de afzet via export, samen 1.543 kg P205, niet minstens even groot is als de som van de gewenste vergunde mestproductie van het bedrijf waartoe de inrichting behoort, zodat de aanvraag niet verenigbaar is met de bepalingen van het Meststoffendecreet; dat de verdere exploitatie van het gedeelte varkenshouderij niet kan toegestaan worden; (...);”
- De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Overwegende dat de middelen uiteengezet in het verzoekschrift als volgt luiden : “Eerste middel NEGEREN VAN DE REGLEMENTERING ZOALS VOORZIEN IN MAP2 Deze reglementering is reeds in voege sinds 01/01/2000 en toch werd bij de beoordeling op 13/03/2000 enkel rekening gehouden met de mest-afzetregle- mentering zoals voorzien in MAP
- Dit maakt voor verzoekster, welke een niet-gezinsveeteeltbedrijf is, een immens verschil!! Tweede middel SCHENDING VAN DE MOTIVERINGSPLICHT ( wet 29/07/1991 ) Er werd onvoldoende gemotiveerd waarom het besluit van de Bestendige Deputatie werd teniet gedaan. De overwegingen zoals opgenomen in het besluit van 13/03/2000 kaderen niet in de vereisten van de wet van 29/07/1991, welke eist dat de individuele VII-21.340-3/6 administratieve beslissing de feitelijke en juridische elementen moet bevatten die ze ondersteunen. De in beroep beslissende overheid, in casu de Minister, moet een eigen redengeving doen kennen. ( zie R.v.St., nr. 60.612, 28/06/1996; zie tevens R.v.St., nr. 76.160 van 08/10/1998 inzake A.78.474/VII-16.652 ) Derde Middel SCHENDING VAN HET REDELIJKHEIDSBEGINSEL In casu is er een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel. Het rechtmatig vertrouwen van verzoekster in de overheid wordt geschokt door het zomaar weigeren van een vergunning op basis dan nog van een onjuiste wetgeving. Het is overigens zeker niet redelijk geen overgangsperiode te voorzien, temeer er op het vlak van mestafzetproblematiek bij de overheid zelf volledige onduidelijkheid heerst omtrent de haalbaarheid van bepaalde normen.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord doet gelden dat de in het verzoekschrift aangevoerde middelen bijzonder vaag en algemeen zijn opgesteld, terwijl een verzoekschrift op straffe van onontvank- elijkheid een precieze formulering moet bevatten van de argumenten op grond waarvan men de onwettigheid van een besluit wil aantonen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert: “De middelen zijn wel voldoende duidelijk. Er is aangegeven op welke middelen verzoekster zich beroept om de nietigverklaring te vragen van het bestreden besluit.”; 2.4.
- Overwegende dat luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het verzoekschrift o.m. een uiteenzetting van de feiten en middelen moet bevatten; dat onder “middel” moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of van het geschonden rechtsbeginsel en de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat met betrekking tot het eerste middel moet vastgesteld worden dat het volstrekt onduidelijk is welke rechtsregel, hieronder begrepen een decretale of reglementaire bepaling, de verzoekende partij geschonden acht; dat, met betrekking tot het tweede middel, geenszins voldoende verduidelijkt wordt hoe de bestreden beslissing de formele motiveringsplicht schendt; dat dit des te meer klemt nu de bestreden beslissing een duidelijke weergave van de feitelijke en juridische overwegingen die haar schragen omvat; dat, met betrekking tot het derde middel, evenmin voldoende wordt verduidelijkt hoe de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt; dat in de al zeer korte “toelichting” er vertrokken VII-21.340-4/6 wordt van een schending van het redelijkheidsbeginsel, waarna dan overgeschakeld wordt naar een schending van het vertrouwensbeginsel, om dan terug te keren naar het redelijkheidsbeginsel en tenslotte te eindigen met de stelling dat de bestreden beslissing onvoldoende motiveert waarom de beslissing van de bestendige deputatie werd tenietgedaan; dat het middel dermate compact en diffuus is zonder dat in concreto voldoende toegelicht wordt hoe de bestreden beslissing deze drie beginselen schendt, dat het niet kan onderzocht worden; 2.4.
- Overwegende dat het niet aan de Raad van State is om in de plaats van de verzoekende partij op zoek te gaan naar de geschonden rechtsregels of rechtsbeginselen, noch om in te vullen op welke wijze die regels of beginselen zijn geschonden; dat, aangezien de aangevoerde middelen kennelijk onontvankelijk zijn, het beroep eveneens kennelijk onontvankelijk is; dat daaraan geen afbreuk doet het gegeven dat de verzoekende partij inmiddels bij besluit van de bestendige deputatie van 6 mei 2004, in beroep op 25 november 2004 bevestigd door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, een milieuvergunning voor de betrokken inrichting heeft verkregen en dat daaruit volgens de verzoekende partij de onwettigheid van het bestreden besluit zou blijken; dat het ministerieel besluit van 25 november 2004, dat het bestreden ministerieel besluit van 13 maart 2003 niet heeft opgeheven, de initiële onontvankelijkheid van het beroep tegen laatstgenoemd besluit niet vermag goed te maken, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-21.340-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juli tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, A. WIJNANTS. griffier De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-21.340-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.547 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div