← België

Arrest 147554 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.554 Rolnummer: A. 163889/IX-4961 Zaak: Arrest 147554 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 21:49 Fiche Arrest nr 147.554 van 11 juli 2005 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.554 van 11 juli 2005 in de zaak A. 163.889/IX-4961. In zake : Philippe VANDE CASTEELE, wonende te SCHOTEN, Klamperdreef 7 tegen : 1. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus 1, 2. het Selectiebureau van de Federale Overheid, dat woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7. verzoeker in tussenkomst : Herman WUYTS, die woonplaats kiest bij advocaat E. STORMS, kantoor houdende te ROTSELAAR, Echostraat 8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Philippe VANDE CASTEELE op 5 juli 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “1/ de rangschikking, opgesteld na deliberatie, door de commissie voor de selectie van een [N]ederlandstalig federaal ombudsman voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, met inbegrip van de beslissing om verzoeker ‘mention finale’ ‘pas apte’ (vertaald: eindvermelding ‘ongeschikt’) toe te kennen; 2/ de beslissingen om in het raam van de selectie van een [N]ederlandstalig federaal ombudsman verzoekers kandidatuur niet in aanmerking te nemen en de ‘geschikt’ verklaarde kandidaten voor te stellen aan de Kamer van volksvertegenwoordigers”; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; IX-4961-1/10 Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juli 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad G. VAN HAEGENDOREN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker en van advocaat D. VANDENBULCKE, die verschijnt voor verzoeker, van advocaten F. VANDENDRIESSCHE en T. VAN CAUTER, die verschijnen voor de eerste verwerende partij, van advocaat E. JACUBOWITZ, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat E. STORMS, die verschijnt voor de verzoekende partij in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Het verzoek tot tussenkomst 1. Overwegende dat Herman WUYTS met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat hij, gevraagd om zijn belang te verantwoorden, ter terechtzitting verklaart dat zijn tussenkomst als “enige doel” heeft te verkrijgen dat er prejudiciële vragen zouden worden gesteld aan het Arbitragehof nopens de rechtsmacht van de Raad van State; Overwegende dat luidens artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State degenen die belang kunnen hebben bij de oplossing van de zaak er in kunnen tussenkomen; dat de wens een antwoord te krijgen van het Arbitragehof op een eventuele prejudiciële vraag over ’s Raads rechtsmacht in de voorliggende zaak niet een belang bij de oplossing van de voorliggende zaak bewijst; dat verzoeker in tussenkomst weliswaar ook kandidaat is voor de betrekking van federaal ombudsman en hij het ambt thans ook effectief bekleedt; dat evenwel de thans bestreden beslissingen individuele rechtshandelingen zijn die uitsluitend betrekking hebben op P. VANDE CASTEELE; dat de Raad niet ziet hoe een schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing aan de verzoeker in tussenk- IX-4961-2/10 omst enig rechtstreeks voordeel kan opleveren of hem voor een nadeel zou behoeden; dat het verzoek tot tussenkomst niet kan worden ontvangen; De feiten van de zaak 2. Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : 2.1. Verzoeker is auditeur bij het college van federale ombudsmannen, thans tijdelijk belast met het mandaat van directeur. 2.2. Tijdens het jaar 2004 wordt een nieuwe aanwervingsprocedure voor de betrekking van Nederlandstalig federaal ombudsman aangevat. De Kamer van volksvertegenwoordigers beslist echter geen van beide geslaagde kandidaten te benoemen en de aanwervingsprocedure opnieuw op te starten. 2.3. Een nieuwe oproep gebeurt door de bekendmaking van een bericht uitgaande van de Kamer van volksvertegenwoordigers in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2005. Met betrekking tot de selectieprocedure vermeldt dit bericht : “1. Screenen van de cv’s door SELOR : De kandidaten dienen bij hun inschrijving een standaard cv in te vullen, waaruit blijkt dat ze over vijf jaar nuttige beroepsactiviteit beschikken, hetzij op juridisch, administratief of sociaal gebied, hetzij op een ander gebied dat dienstig is voor de uitoefening van het ambt. 2. Eventuele voorselectie : als zich meer dan tien kandidaten voor één van de taalrollen melden, kan SELOR, aan de hand van een computertest, een preselectie organiseren die betrekking heeft op de talenkennis en/of de voor de te vervullen functie vereiste vaardigheden. Onder de kandidaten die ten minste 60% van de punten hebben behaald, zullen maximum tien kandidaten van elke taalrol worden geselecteerd. 3. Interview : Een enkel examen waarbij de kandidaten verschijnen voor een door SELOR samengestelde multidisciplinaire examencommissie (paritair N + F) bestaande uit twee in publiek recht gespecialiseerde juristen, een politicoloog, een socioloog, een expert in human resources en een expert in management. De leden van de examencommissie stellen de vragen in hun eigen taal. De kandidaten mogen, naar keuze, in hun eigen taal of in de taal van de examinator antwoorden. Er wordt enkel in een simultaanvertaling voorzien voor de leden van de examencommissie. Tijdens het onderhoud tussen elke kandidaat en de examencommissie wordt tevens de voldoende kennis van zowel de tweede landstaal, als van de Duitse taal, door één of twee linguïsten getoetst. Kandidaten in het bezit van een door SELOR afgeleverd attest in verband met de voldoende kennis, voor het niveau 1, van de betreffende taal, alsmede de IX-4961-3/10 kandidaten die tijdens de vorige selectieprocedure(

  1. s)van ombudsman slaagden voor de betrokken talentests zijn vrijgesteld van deze test voor deze taal. Na dit gedeelte zal er een rangschikking opgemaakt worden van de kandidaten in de categorieën geschikt en niet geschikt. Enkel de kandidaten die geschikt bevonden worden, zullen voorgesteld worden aan de Kamer van volks- vertegenwoordigers. De examencommissie maakt een gemotiveerde rang- schikking op van de geselecteerde kandidaten en motiveert eveneens haar beslissing ten aanzien van de niet-geselecteerde kandidaten.” 2.4. Verzoeker stelt zich respectievelijk op 20 en 22 april 2005 kandidaat voor de vacante betrekkingen van Franstalig en Nederlandstalig federaal ombudsman. 2.5. Met een brief van 3 mei 2005 stelt Selor verzoeker ervan in kennis dat zijn kandidatuur, na een analyse van zijn curriculum vitae, in aanmerking is genomen. Verzoeker wordt uitgenodigd om op 13 mei 2005 deel te nemen aan de voorselectie. Met een brief van dezelfde datum deelt Selor aan verzoeker mee dat hij best de selectieproeven in het Frans aflegt, aangezien hij “[zijn] diploma behaald heeft in de Franse taalrol”. Er wordt aan toegevoegd dat de ganse selectieprocedure identiek is voor de Franstalige en de Nederlandstalige kandidaten en dat de mondelinge proef wordt afgenomen door een selectiecommissie die tweetalig is samengesteld. 2.6. Met een brief van 20 mei 2005 stelt Selor verzoeker ervan in kennis dat hij op de proeven van de voorselectie 80 punten op 100 heeft behaald, meer dus dan de minimaal vereiste 60 punten op 100. Op 17 juni 2005 heeft het interview met de selectiecommissie plaats. 2.7. Met een uitsluitend in het Frans gestelde brief van 29 juni 2005 deelt Selor aan verzoeker mede dat hij van de selectiecommissie “la mention finale ‘pas apte’” (de eindvermelding “ongeschikt”) heeft gekregen, dat zijn kandidatuur derhalve niet in aanmerking kan worden genomen en dat, zoals bepaald in het selectiereglement, alleen de geschikt bevonden kandidaten (“les candidats jugés aptes”) zullen worden voorgedragen aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. IX-4961-4/10 Een in het Nederlands én een in het Frans gestelde motivering van deze beslissing is bijgevoegd. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, althans voorzover ze kan worden betrokken op verzoekers kandidaatstelling voor de betrekking van Nederlandstalig federaal ombudsman. 2.8. Met een afzonderlijk verzoekschrift vordert verzoeker ook de schorsing van de tenuitvoerlegging, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van deze beslissing voorzover ze kan worden betrokken op zijn kandidaatstelling voor de betrekking van Franstalig federaal ombudsman (zaak gekend onder het rolnummer A. 163.881/VIII - 5087); De ontvankelijkheid van de vordering 3.1. Overwegende dat de verwerende partijen opwerpen dat het verzoekschrift nietig is, want in het Nederlands gesteld, dat de Raad van State niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en dat verzoeker zonder belang is bij zijn vordering; 3.2. Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partijen opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Ten gronde 4. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4961-5/10 5.1. Overwegende dat verzoeker een eerste middel put uit machts- overschrijding, tegenstrijdige motieven en schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 3 van de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen; Overwegende dat hij -samengevat- het middel toelicht als volgt: volgens een algemeen rechtsbeginsel, moet elk jurylid de taal van de kandidaten begrijpen en beheersen; de juryleden beschikken niet over de diploma’s of taalbrevet- ten die hun grondige kennis van het Nederlands en het Frans aantonen; simultaanver- taling werd gebruikt “wat bevestigt dat niet elk jurylid kon waarborgen alle nuances te begrijpen”; een vergelijking van de “motivatiefiches” wijst op verschillen tussen de Franstalige en Nederlandstalige versie : “aspect de contrôle” of “vanuit een sterke controle”, “accorder attention au coaching” (lees: “n’accorde pas d’attention particulière au coaching”) of “d[i]sposer d’une expérience de coaching” (versta: “beschikt niet over een specifieke ontwikkeling op het vlak van coaching”) , “être très [sûr] de soi” of “être plutôt réservé” (versta: “is eerder gereserveerd”); het feit dat één jury werd ingesteld verantwoordt niet deze machtsoverschrijding; 5.2. Overwegende dat verzoeker geen bepaling aanwijst die de instelling van aparte, eentalige jury’s voorschrijft voor de selectie van de Nederlands- talige en de Franstalige ombudsman; dat integendeel reeds in de oproep aan de kandidaten sprake is van een “multidisciplinaire examencommissie (paritair N + F)”; dat verzoeker wel terecht er van mag uitgaan, zo lijkt, het recht te hebben begrepen te worden door alle leden van de jury; dat evenwel, anders dan verzoeker het meent, dit recht te dezen op het eerste gezicht in het licht van de door hem aangevoerde rechtsbeginselen afdoende gewaarborgd lijkt door de taalkundig paritaire samenstel- ling van de jury waarbij eentalige leden beroep kunnen doen op hun tweetalige collegae of op de simultaanvertaling, om hen in staat te stellen de strekking van een gegeven antwoord duidelijk te maken; dat verzoeker niet aantoont dat de jury niet in staat was zijn uiteenzettingen te begrijpen; dat een beweerde tegenstrijdigheid tussen de Nederlandstalige en Franstalige versies van bepaalde rubrieken van de motivatiefiches dit bewijs niet levert, zo lijkt, en voorts een grief is die verband houdt met het tweede middel; dat het eerste middel niet ernstig is; 6.1. Overwegende dat verzoeker een tweede middel put uit de machtsoverschrijding, onwettige motieven en kennelijke beoordelingsfout en uit de schending van de formele-motiveringsplicht; IX-4961-6/10 Overwegende dat hij de motieven van de bestreden beslissing tegenstrijdig noemt en de formele motivering niet afdoende; dat volgens hem de vergelijking tussen de rubrieken 4, 7 en 12 van de “motivatiefiches” verschillen onthult, te weten : “[4] Connaissance juridique et vision de la fonction/Juridische kennis en visie van de functie Bases juridiques nécessaires à la bonne compréhension de la fonction présente. Cependant, le candidat a une vision très restrictive de la fonction. Il vit la fonction essentiellement sous un aspect de contrôle.----Nodige juridische basiskennis en goed begrip van de functie is aanwezig. Desondanks heeft de kandidaat een zeer stricte visie op de functie. Hij beleeft de functie voornamelijk vanuit een sterke controle. [7] Coaching - développement / Coachen/ontwikkelen - leiding geven Le candidat n’accorde pas d’attention particulière au développement et au coaching. ----De kandidaat beschikt niet over een specifieke ontwikkeling op het vlak van coaching. [12] Assertivité / Assertiviteit Candidat très sur de lui ---- De kandidaat is eerder gereserveerd”; Overwegende dat verzoeker voorts uiteenzet: de Nederlandstalige versie van rubriek 7 is onjuist, onverklaarbaar en onverklaard en verschilt ook van de Franstalige versie; de Nederlandstalige versie van rubriek 12 is onjuist; de termen van rubriek 4 in beide versies zijn niet gelijk; de tegenstrijdigheden hebben “een kanteling van de eindrubriek ‘geschikt’ (mention finale ‘apte’) in de eindrubriek ‘ongeschikt’ (=la mention finale ‘inapte’) met zich kunnen meebrengen”; de commissie heeft geen oog gehad voor de resultaten van de preselectie noch formeel gemotiveerd waarom zij dit nalaat; indien de jury de resultaten van de preselectie in aanmerking had genomen zou dit een melding “inapte” nog minder begrijpelijk maken en zou ook de klassering anders kunnen geweest zijn; de negatieve evaluatie die hij krijgt voor de aspecten “controle”, “billijkheid” en “relaties” zijn niet verantwoord en noch het interview noch de rubrieken laten het besluit toe dat hij niet veranderingen gaat doorvoeren en behoudsgezind zou zijn; 6.2. Overwegende dat de “eindconclusie van de jury en motivering” voor het interview met verzoeker luidt : “De heer Vande Casteele is niet de persoon die veranderingen gaat doorvoe- ren. Hij wil enkel het bestaande verder laten functioneren en baseert zijn visie op de functie op het controleaspect. Hij is rigide, hetgeen een probleem kan stellen bij het goed uitvoeren van de functie.” en in het Frans: IX-4961-7/10 “M. Vande Casteele ne représente pas l’homme du changement. Il veut essentiellement faire fonctionner l’existant et base sa vision de la fonction sur l’aspect contrôle. Il démontre un aspect rigide qui pourrait poser problème pour la bonne exécution de la fonction”; Overwegende dat de jury haar beslissing aldus in de twee talen gelijklopend en naar de vorm afdoende gemotiveerd lijkt te hebben; dat een schending van de formele-motiveringsplicht niet wordt aangenomen; dat de verschillen die verzoeker dan bespeurt in de twee taalversies van de rubrieken 4 en 7 op de motivatiefiche, niet op een tegenstrijdigheid in de motieven lijken te wijzen, maar veeleer nuanceverschillen zijn die steeds aanwezig zijn wanneer niet naar de letter wordt vertaald; dat zij in weliswaar licht verschillende termen prima facie een zelfde idee uitdrukken; dat zulks niet het geval is voor wat is geschreven onder rubriek 12; dat echter, daargelaten nog of die rubriek een doorslaggevende invloed heeft op de eindbeoordeling, de tegenspraak hier zodanig is dat ze volgens de verwerende partijen wel op een materiële vergissing moet berusten; dat de Raad van State in de huidige stand van de procedure die zienswijze bijvalt; Overwegende dat, gelet op het hiervoor aangehaalde bericht over de selectieprocedure, de voorselectie een eventueel aan de uiteindelijke selectie voorafgaande en voorlopige ronde is, ten einde een eliminatie te doen in het geval “zich meer dan tien kandidaten voor één van de taalrollen melden”; dat overigens een dergelijke werkwijze niet ongebruikelijk is bij overheidsexamens, wanneer zich een grote toevloed van kandidaten meldt; dat het facultatief karakter van de preselectie en het doel om een schifting te doen van de kandidaten, de Raad er in de huidige stand van de procedure toe brengt aan te nemen dat de jury terecht het behaalde resultaat in de preselectie niet mee in de beoordeling van het interview en van de eindbeoordeling heeft betrokken; Overwegende, wat zijn overige kritiek betreft, dat verzoeker er voor zichzelf een andere mening op kan nahouden dan de jury, wat zijn kwaliteiten, kennis en vaardigheden betreft; dat hij met zijn kritiek evenwel niet de onkunde van de jury bewijst, noch aantoont dat haar oordeel de grenzen van de haar op grond van haar veronderstelde deskundigheid toegemeten beoordelingsvrijheid te buiten gaat; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; IX-4961-8/10 7.1. Overwegende dat verzoeker tenslotte in een derde middel machtsoverschrijding aanvoert, onwettige motieven en schending van het gelijkheids- beginsel, van de regel patere legem quam ipse et fecisti en van de formele- motiveringsplicht; dat hij in wezen uiteenzet dat de voorselectie is gemanipuleerd ten einde meer kandidaten te laten doorstromen naar de volgende ronde dan er louter op grond van de behaalde punten overbleven; dat zijn behaalde resultaat volgens hem zowat 70% moest zijn, maar hij 80% heeft gekregen en ook de punten van de andere kandidaten pro rata zijn geherwaardeerd; dat dit volgens hem het verder verloop van de selectie heeft beïnvloed; 7.2. Overwegende dat de verwerende partijen onder meer repliceren dat verzoeker geen belang heeft bij dit middel omdat hij hoe dan ook toegang had tot de eigenlijke selectie, omdat géén van de kandidaten die volgens verzoeker op grond van de voorselectie moest worden afgewezen uiteindelijk door Selor “geschikt” is bevonden én omdat de beoordeling “niet geschikt” niet is toegekend aan de kandidaten op grond van een onderlinge vergelijking van ieders aanspraken en verdiensten, maar wel op grond van een toets van elke kandidaat afzonderlijk aan het gewenste profiel zoals die in de oproep tot de kandidaten werd opgenomen, waarna pas daarna, tussen de “geschikt” bevonden kandidaten -waaronder niet meer verzoeker- een effectieve vergelijking is gebeurd; dat op zicht van de stukken van het administratief dossier, en zonder te onderzoeken of de grief feitelijke grondslag heeft, dit drievoudig verweer de Raad vooralsnog overtuigt; dat het derde middel niet ernstig is; 8. Overwegende dat niet voldaan is aan ten minste een van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Herman WUYTS in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-4961-9/10 Artikel 2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het verzoek tot tussenkomst in de schorsings- procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de verzoeker in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli 2005, door : de H. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. VAN HAEGENDOREN. IX-4961-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.554 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.880 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.264 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.