id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.555 Rolnummer: A. 160939/X-12240 Zaak: Arrest 147555 - - 11/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 21:49 Fiche Arrest nr 147.555 van 11 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.555 van 11 juli 2005 in de zaak A. 160.939/X-12.
- In zake : Ann VANSPAUWEN, wonende te 3500 HASSELT, Lazarijstraat 135 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ann VANSPAUWEN op 10 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 januari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij haar eensdeels, de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de regularisatie van een overzetdak en anderdeels, de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van een tuinhuis en een rieten afsluiting op een perceel gelegen te Hasselt, Lazerijstraat 135, kadastraal bekend Sectie G, nr. 589 g 8; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 18 mei 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 juni 2005; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. DUYCK die, loco Advocaat M. VAN BOSCH verschijnt voor verzoekster, en van Bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij; X-12.240-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het verzoekschrift onder meer "een uiteenzetting van de feiten en middelen" dient te bevatten; dat onder "middel" in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden; Overwegende dat verzoekster in een "eerste en enig middel" aanvoert wat volgt : "De beslissing van de Bestendige Deputatie is in strijd met de algemene principes van behoorlijk bestuur en maakt in hoofde van verzoekster willekeur uit. Er bestaat geen betwisting over dat het betrokken perceel gelegen is in een woongebied overeenkomstig een goedgekeurd gewestplan. Verzoekster begaat geen enkele inbreuk op de bestemming van dit perceel, aangezien zij hier enkel woont, en geen enkele niet toegelaten activiteit ontplooit. Verzoekster diende een aanvraag in tot regularisatie van het tuinhuisje en de rieten afsluiting welke zij in haar privé-tuin heeft aangebracht. Er bestaat geen betwisting over het feit dat er ter plaatse geen specifieke voorschriften op basis van een bijzonder plan van aanleg of een goedgekeurde verkaveling zijn. Dat de bestreden beslissing niet op objectieve gronden gebaseerd is, doch louter zonder enige behoorlijke motivering stelt dat de werken niet in overeen- stemming zijn met de 'goede plaatselijke ordening'. Dat geen enkele beschrijving in de beslissing wordt gegeven wat ter plaatse dan wel de 'goede plaatselijke ordening', (...) dient te zijn. Dat de rieten afsluiting werd geplaatst op een toegelaten afstand van de perceelsgrens. Dat deze afsluiting kadert in het algemene concept van de aangelegde tuin, hetgeen een aangelegde Japanse tuin is. Dat deze afsluiting tot doel had voor enige privacy te zorgen voor de bewoners. Dat de afsluiting op een zulke manier werd ingericht, nl. met een houten omkadering, dat het wel degelijk om een min of meer duurzame afsluiting gaat, net zoals dat een afsluiting in de vorm van een haag zou zijn. Dat gelet op het privacy oogpunt verzoekster er steeds voor zal zorgen dat deze afsluiting naar behoren wordt onderhouden, zodat het esthetisch voorko- men op termijn wel gegarandeerd kan worden. Dat dit argument dan ook volstrekt willekeurig werd genomen. X-12.240-2/4 Dat verzoekster om al deze redenen niet akkoord kan gaan met het standpunt van de Bestendige Deputatie, dat willekeurig en strijdig met de wet werd ingenomen. Dat daarenboven totaal ten onrechte wordt gesteld dat het tuinhuisje een 'buitenproportionele aantasting zou zijn van de achtertuinstroken. Dat ook deze benadering totaal arbitrair en willekeurig is, gezien geen enkele wettelijke bepaling voorhanden is om te stellen wat al dan niet buiten proportie is in een tuin. Dat uit de stukken, zijnde de tekeningen en de foto's blijkt dat : C Gelet op de inplanting van de tuin werd aan 2 zijden van het tuinhuis, zijnde aan de kant van de linker buur en de achterzijde van het perceel, minstens 1,00 meter ruimte gelaten. C Wat betreft de afstand t.o.v. de rechterbuur, werd deze inderdaad niet gerespecteerd, doch met uitdrukkelijke toestemming van deze laatste, die op het inplantingsplan voor akkoord heeft getekend. C Dat het regenwater dus wel degelijk op de eigen perceelsgrens wordt opgevangen, minstens aan de linkerkant ervan. De achterkant van het tuinhuis zal geen overlast betekenen voor wat betreft de afwatering, omdat (...) daar geen sprake is van enige dakoversteken. Voor wat betreft de rechterkant kan verzoekster verwijzen naar het uitdrukkelijke akkoord van de rechterbuur."; Overwegende dat verzoekster een reeks feitelijke argumenten aanvoert die er kennelijk op zijn gericht de aanvraag zelf aan een nieuw onderzoek door de Raad van State te onderwerpen; dat de Raad van State evenwel niet bevoegd is om in de plaats van de administratieve overheid de aanvraag opnieuw te onderzoeken en te beoordelen; dat in het verzoekschrift niet op een voldoende duidelijke wijze wordt aangegeven welke rechtsregel werd overtreden en op welke wijze deze regel door het bestreden besluit wordt geschonden; dat het verzoekschrift geen middel bevat als bedoeld in voormeld artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948; dat het beroep kennelijk niet ontvankelijk is, B E S L U I T: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-12.240-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli 2005, door: de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.240-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.555 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.