id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.579 Rolnummer: A. 160192/XII-4396 Zaak: Arrest 147579 - - 12/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-25 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 21:56 Fiche Arrest nr 147.579 van 12 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.579 van 12 juli 2005 in de zaak A. 160.192/XII-
- In zake : VZW BAÏS RACHEL, die woonplaats kiest bij advocaat L. Lenaerts, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat S. Butenaerts, kantoor houdende te 1080 Brussel, Leopold II laan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de vzw Baïs Rachel op 21 februari 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 23 december 2004 waarbij de erkenning van de lagere afdeling van de vrije gesubsidieerde basisschool Baïs Rachel te Antwerpen, gespreid over een periode van drie schooljaren, wordt opgeheven; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005, om 10.30 uur, zitting waarop de zaak wordt uitgesteld naar de zitting van 7 juni 2005, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4396-1/15 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Lenaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De voorgaanden
- Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoekende partij heeft luidens haar statuten tot doel “het openen, besturen en in werking houden van een joodse religieuze school voor meisjes, zijnde kleuterschool, lager- en middelbaar onderwijs, de meisjes op te voeden in de oude Orthodoxe religieuze geest en het godsdienstonderricht geven aan vrouwelijke volwassenen”. Zij is het bevoegd gezag van de vrije gesubsidieerde basisschool Baïs Rachel. Een schooldoorlichting tijdens het schooljaar 2001-2002 stelt een reeks bij te werken tekorten vast -onder meer met betrekking tot de visie op de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen, de schoolleiding, de regelgeving over het medezeggenschap, de kosteloosheid van het onderwijs, de lestijden en het school- reglement- wat resulteert in een gunstig advies voor verdere erkenning en subsidiëring voor de schooljaren 2001-2002, 2002-2003 en 2003-2004 en een tijdsschema voor het wegwerken van de tekorten tegen uiterlijk 1 maart
- Een eerste opvolgingscontrole heeft plaats in oktober
- In oktober 2003 volgt een tweede opvolgingscontrole. De derde en finale opvolgingscontrole, in mei 2004, eindigt met een ongunstig advies. XII-4396-2/15 Overeenkomstig artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 2 februari 1999 betreffende de werking en de organisatie van het paritair college van onderwijsinspecteurs belast met het advies betreffende de opheffing van de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan, een onderwijsinstelling of een onderdeel ervan, wordt na een dergelijk negatief advies van de inspectie, een paritair college van inspecteurs samengesteld. Het paritair college adviseert op 8 november 2004 “de erkenning van de kleuterafdeling te behouden en de erkenning van de lagere afdeling [geleidelijk] op te heffen”. Die conclusie steunt op de vaststelling van gebleven tekorten bij de eindtermen “wereldoriëntatie in verband met de voortplanting en daaraan gerelateerde lichamelijke veranderingen”, “Nederlands (domein luisteren)”, “wereldoriëntatie, muzische opvoeding en sociale vaardigheden in verband met selectie van aangeboden informatie en het omgaan met andere culturen” en “wereldoriëntatie, muzische vorming en leren leren in verband met de toegang tot informatiebronnen”. Nadat verzoekende partij hiertegen een verweerschrift indient, wordt op 23 december 2004 door de minister van onderwijs de bestreden beslissing genomen om “de erkenning van de kleuterafdeling te behouden en de erkenning van de lagere afdeling op te heffen” waarbij de opheffing “wordt [...] gespreid over een periode van drie schooljaren”; De relevante regelgeving samengevat
- Overwegende dat blijkens artikel 64 van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs de erkenning van een school kan worden opgeheven op advies van een college van inspecteurs wanneer aan één of meer voorwaarden van artikel 62, § 1, van hetzelfde decreet niet meer volledig voldaan is, wanneer de in het goedgekeurde leerplan opgenomen leergebied- gebonden eindtermen, met uitzondering van de attitudinale eindtermen, niet nagestreefd en bereikt zijn of wanneer de in het goedgekeurde leerplan opgenomen leergebiedgebonden ontwikkelingsdoelen niet nagestreefd zijn; Overwegende dat eindtermen minimumdoelen zijn die de overheid “noodzakelijk en bereikbaar” acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie (artikel 44 van het decreet basisonderwijs); dat de eindtermen van het gewoon basisonderwijs XII-4396-3/15 worden bepaald bij besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997, dat is bekrachtigd bij decreet van 15 juli 1997; Overwegende dat artikel 64, § 2, tweede lid, van het decreet basisonderwijs de regering opdraagt de voorwaarden en de procedure te bepalen voor de opheffing van de erkenning; dat de voor deze zaak dienstige uitvoerings- besluiten zijn genomen op 2 februari 1999: eensdeels het reeds vernoemd besluit van de Vlaamse regering betreffende de werking en de organisatie van het paritair college van onderwijsinspecteurs belast met het advies betreffende de opheffing van de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan, een onderwijsinstelling of een onderdeel ervan, anderdeels het besluit van de Vlaamse regering betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse gemeenschap worden uitgevoerd; De ontvankelijkheid van de vordering
- Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; De grondvoorwaarden van de vordering
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
- Overwegende dat verzoekende partij vier middelen in het verzoek- schrift aanvoert, waarbij de beweerde onwettigheden het spectrum bestrijken van de internationaalrechtelijk gewaarborgde fundamentele rechten tot de concreet na te volgen procedurevoorschriften; dat de Raad allereerst de vraag van belang acht, of het bestreden besluit, op advies van het paritair college, de intrekking van de erkenning mocht steunen op het motief dat verzoekende partij de vastgestelde XII-4396-4/15 tekorten vertoont bij het nastreven en bereiken van de eindtermen; dat verzoekende partij zulks tegenspreekt in het tweede middel van haar verzoekschrift, dat geput is uit de schending van het decretaal bekrachtigde besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het gewoon basisonderwijs “bezien vanuit een verdragsconforme en grondwetsconforme interpretatie”; Overwegende dat verzoekende partij in een eerste onderdeel van dit middel argumenteert dat de verwerende partij eindtermen “heromschrijft” als zijnde eindtermen in verband met de voortplanting en daaraan gerelateerde veranderingen, dat in het aangevoerde besluit deze eindtermen evenwel niet rechtstreeks in verband worden gebracht met de voortplanting, dat zij dienen te worden beschouwd als minimale doelstellingen, dat zij nergens verwijzen naar een expliciete seksuele opvoeding op het niveau van het basisonderwijs, dat de uitgroei van de puberteit zich rond de leeftijd van 14 jaar situeert zodat “dit proces behandeld wordt tijdens de humaniora, terwijl alle levensprocessen voor het overige behandeld worden in de lagere afdeling, wat niet wegneemt dat wanneer een kind een opmerking maakt over de voortplanting, hierop wordt ingegaan”; dat zij vervolgt : “Het antwoord van het Paritair College op de zogenaamd niet voldoende implementatie van deze eindterm is niet afdoende, daar de school wat betreft het leerplan wereldoriëntatie bij het begin van het schooljaar 2004-2005 (verslag Paritair College oktober 2003) pas overgestapt is naar het leerplan van het VVKBaO, maar niettemin de begeleidster aangaf dat men de eindterm o.m. zou realiseren door het bezoeken van een tentoonstelling in een kindermuseum, waarin aandacht wordt besteed aan groeien en verandering; het feit dat er hieromtrent nog geen concrete afspraak vastlag is niet relevant, gelet op het prille begin van het schooljaar en het aan gang zijnde proces van de overstap naar het nieuwe leerplan. Niet betwist wordt overigens dat dit nieuwe leerplan voldoende invulling geeft aan de eindtermen, zoals ze in het eindtermenbesluit worden opgesomd. De school heeft het recht om deze eindtermen te interpreteren als minimale doelstellingen en dient haar actieve onderwijsvrijheid te kunnen behouden, wat impliceert dat zij deze eindtermen kan toepassen vanuit haar religieuze overtuiging, waarbij de seksualiteit zich voornamelijk in de privésfeer situeert en spiritueel wordt geduid”; Overwegende dat zij in een tweede middelonderdeel met betrekking tot de eindterm van het leergebied Nederlands opmerkt hieraan wel degelijk aandacht te besteden “door een powerpointpresentatie te gebruiken, geïnspireerd op een televisieuitzending”, omdat zij “vanuit haar religieuze opstelling [...] afkerig [is] van bewegende afbeeldingen”; dat zij voorts het advies “een XII-4396-5/15 negatieve vooringenomenheid” verwijt door de religieus geïnspireerde houding te duiden als strijdig met het Kinderrechtenverdrag; Overwegende dat verzoekende partij dan in een derde middel- onderdeel uiteenzet dat het paritair college voor de eindtermen van de leergebieden wereldoriëntatie, muzische vorming en sociale vaardigheden niet aangeeft “dat de zogenaamde censuurnormen afgezwakt zijn” en een gevolg zijn van het verleden van de school; Overwegende dat zij als vierde onderdeel van het tweede middel het oordeel van het paritair college dat de school niet over de minimaal vereiste media zou beschikken tegenspreekt, gezien het feit dat weliswaar geen televisie- toestel, radio, video en internet aanwezig is maar “waardige vervangings- alternatieven”, zoals powerpointpresentaties, medialokaal, boeken, computers, kranten en tijdschriften, cassetterecorders; Overwegende dat zij bij elk middelonderdeel en nogmaals als besluit stelt dat de eindtermen in het licht van de onderwijsvrijheid en de godsdienstvrijheid slechts als minimale doelstellingen zijn te begrijpen en als zodanig door het bestuur moeten worden toegepast; 5.
- Overwegende dat de eindtermen 1.
- en 1.
- onder rubriek “wereldoriëntatie - wereldoriëntatie natuur - levende natuur” luiden : “1.
- [De leerlingen] kunnen de functie van belangrijke organen die betrokken zijn bij de levensprocessen van de mens en de functie van de zintuigen, het skelet en de spieren op een eenvoudige wijze verwoorden” en “1.
- [De leerlingen] kunnen lichamelijke veranderingen die ze bij zichzelf en leeftijdsgenoten waarnemen, herkennen als normale aspecten in hun ontwikkeling”; Overwegende dat de Raad niet goed begrijpt hoe de aangehaalde eindtermen, naar de woorden van verzoekende partij, “niet rechtstreeks in verband [dienen te] worden gebracht met de voortplanting”; dat hij in de huidige stand van de procedure vooralsnog aanneemt dat conceptie en geboorte noodzakelijke “levensprocessen van de mens” zijn en dat de voortplantingsorganen daartoe “belangrijke organen” zijn; dat volgens de Raad een onderwijsinstelling het voorts XII-4396-6/15 niet uitgesloten kan achten dat bij meisjes in de laatste jaren van de lagere school reeds “lichamelijke veranderingen” plaatsgrijpen; Overwegende dat, als gezien, de decreetgever de eindtermen “noodzakelijk en bereikbaar acht”; dat in het artikel 44, § 2, 2/, van het decreet basisonderwijs voorts te lezen valt dat elke school de maatschappelijke opdracht heeft de leergebiedgebonden eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden te bereiken, zodat het bestuur niet mag aanvaarden dat een school zich hieraan onttrekt; dat het paritair college niet aan verzoekende partij verwijt dat volgens haar “seksualiteit zich voornamelijk in de privésfeer situeert en spiritueel wordt geduid”, maar integendeel dat de besproken aspecten van de geciteerde eindtermen in het geheel niet worden geduid; Overwegende, volledigheidshalve, dat het niet volstaat een eindterm te bereiken door er slechts op in te gaan als een kind een opmerking maakt over de voortplanting, nog daargelaten de vaststelling dat verzoekende partij nalaat te preciseren hoé er vervolgens op ingegaan wordt en of dit dan wél “eindtermconform” gebeurt; Overwegende dat de Raad op grond van wat voorafgaat aanneemt dat de bekritiseerde eindtermen wel noodzakelijk, zo lijkt, een basisschool minimaal ertoe verplicht op actieve wijze aandacht te besteden aan de menselijke voortplanting; dat verzoekende partij niet betwist zulks in het geheel niet te doen; dat zij dit verantwoordt omwille van haar religieuze overtuiging die volgens haar door de verwerende partij moet worden gerespecteerd; dat verzoekende partij bijgevolg een “conforme” interpretatie vraagt die neerkomt, zo lijkt, op een gehele of gedeeltelijke uitschakeling van de bedoelde eindtermen; dat voor het bestuur evenwel geen ruimte is voor een dergelijke “interpretatie”; dat de kritiek van verzoekende partij dan ook kritiek is op de eindterm zelf, en dus op de keuze van de decreetgever, maar niet op het bestreden besluit; dat die kritiek evenwel ook niet dienend lijkt; dat de nood aan een “verdragsconforme en grondwetsconforme” toepassing van zijn onderwijsregelgeving, de decreetgever er immers toe heeft gebracht -weliswaar eerst na tussenkomst van het Arbitragehof- bij artikel 44bis van het decreet basisonderwijs aan een schoolbestuur de mogelijkheid te bieden een afwijking te vragen op de eindtermen indien het oordeelt dat “de conform artikel 44 vastgelegde ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen XII-4396-7/15 pedagogische en onderwijskundige opvattingen en/of ermee onverzoenbaar zijn” en in zijn afwijkingsaanvraag vervangende eindtermen voor te stellen; 5.
- Overwegende dat de Raad tot gelijkaardige conclusies komt in verband met de in het tweede en vierde middelonderdeel geleverde kritiek; dat verzoekende partij telkens ijvert voor een “minimale interpretatie” van de bedoelde eindtermen ten einde in staat te zijn ze na te streven en te bereiken; dat de door haar aangereikte minimale “interpretatie” lijkt te strijden met het wezen zelf van de bedoelde eindtermen, zodat er voor het bestuur geen ruimte bestaat om in te gaan op de door verzoekster verhoopte minimale invulling; dat voor de eindterm “Nederlands - Nederlands luisteren” de leerlingen informatie moeten kunnen achterhalen in “een voor hen bestemde informatieve radio-uitzending” en in “een voor hen bestemde informatieve t.v.-uitzending”; dat zij voor wereldoriëntatie “verschillende informatiebronnen [moeten kunnen] raadplegen” en voor muzische vorming “soorten van eenvoudige hedendaagse audiovisuele opnamen en weergavetoestellen (informatiedragers) [kunnen] aanwijzen, benoemen en ze creatief bedienen” en “een eigen audiovisuele taal [kunnen] gebruiken”; dat wat verzoekster argumenteert neerkomt op het radicaal weren van deze media in de school, hetgeen niet lijkt te kunnen worden ingepast in de doelstelling van deze eindtermen; dat uit deze eindtermen de uitdrukkelijke keuze van de decreetgever naar voren komt voor het gebruiken van en leren omgaan met radio, televisie en andere hedendaagse informatiedragers in de school; dat eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen dan mogelijk een afwijking en een vervangende eindterm kunnen verantwoorden, maar niet een door de school eigener gezag bedacht alternatief mag doen aanvaarden; 5.
- Overwegende kortom, dat aan het bestuur niet kan worden verweten dat het de besproken vaststellingen, die verzoekende partij ten gronde niet ontkent, als tekorten bestempelt; dat de wijze waarop verzoekende partij de besproken eindtermen wil begrepen zien, prima facie duikt ónder de doelstelling die ze minimum moeten hebben; dat voorts, wat ook meer in het bijzonder het derde middelonderdeel betreft, aan het paritair college en vervolgens aan de minister evenmin verweten kan worden onvoldoende acht te slaan op de meest recent genomen maar nog niet geheel geïmplementeerde beslissing omtrent de selectie van aangeboden informatie en het omgaan met andere culturen; dat verzoekende partij immers niet betwist in het verleden leerinhouden en leermiddelen te hebben “gecensureerd” in de zin dat boeken werden afgeplakt, bladen verwijderd of XII-4396-8/15 samengekleefd, bepaalde leesteksten werden geweerd, evenals informatie over andere levensbeschouwingen; dat het bestuur op het eerste gezicht een dergelijke aanpak strijdig mag achten met de te bereiken eindterm wereldoriëntatie “[leerlingen] kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten”, zonder dat daarbij moet worden onderzocht of het Kinderrechtenverdrag nuttig en correct hiermee in verband is gebracht; dat verzoekende partij niet stelt op het ogenblik van de laatste controle de gesignaleerde tekorten te hebben rechtgezet, maar enkel daaromtrent beslissingen te hebben genomen en op goede weg te zijn; dat op die stelling afdoende lijkt te zijn gereageerd door het paritair college dat, in zijn eigen bewoordingen : “[...] bij het bepalen van het advies er rekening mee gehouden [heeft] dat de school over een relatief lange tijd beschikte om haar tekorten weg te werken. Deze periode startte met een in de tijd beperkt gunstig advies na de schooldoorlichting (november-december 2001). Ze liep over een aantal tussentijdse controles en eindigde met een opvolgingscontrole die leidde tot een ongunstig advies. Daarna volgde een tussenperiode die door de vakantieperiodes langer uitviel dan normaal, vooraleer het paritair college met zijn werkzaamheden startte. Het paritair college stelt vast dat, na deze relatief lange periode, de school op een aantal in dit verband belangrijke punten, nog niet verder is gekomen dan intentieverklaringen met een zo goed als onbestaande, of een duidelijk ontoereikende, concrete vertaling ervan naar de schoolpraktijk. Daarbij valt op dat, analoog aan de aanvraag van de school tot afwijking van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, de school blijft herhalen dat het in haar ogen slechts om minimale aanpassingen gaat”, en door de minister, die deze zienswijze van het paritair college bijvalt, en daar onder meer aan toevoegt dat de geboden tijdsduur “de maximaal mogelijke termijn [is] die volgens de procedure van de schooldoorlichting voorzien is” en zij “de school de mogelijkheid [gaf] om een eigen leerplan ter goedkeuring voor te leggen of een afwijkingsaanvraag op de eindtermen in te dienen of de praktijk aan te passen aan de verwachtingen van het decreet”; 5.
- Overwegende dat het voorgaande tot de conclusie noopt dat het tweede middel de vereiste ernst mist; 6.
- Overwegende dat verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert “van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met betrekking tot een onvoldoende redelijkheid van haar proportionaliteit en motivering van het bestreden besluit”; XII-4396-9/15 6.
- Overwegende dat zij in een eerste middelonderdeel nopens de “onvoldoende proportionaliteit en redelijkheid” toelicht dat het besluit de graduele opheffing van gans de lagere afdeling behelst, terwijl (i) verwerende partij haar eindtermen niet als minimum doelstellingen ziet, (ii) de lichamelijke veranderingen bij kinderen eerst op latere leeftijd plaatsvinden “en alleszins geen betrekking hebben op het grootste deel van de leerjaren van de lagere afdeling” waarvan de erkenning niettemin wordt opgeheven en dit in de meest nabije toekomst en (iii) zij de tekorten gradueel wegwerkt; Overwegende dat de grief onder (i) samenvalt met het eerste, tweede en vierde onderdeel van het tweede middel; dat de grief onder (ii) er aan voorbijgaat dat het bestreden besluit ook op tekortkomingen voor andere eindtermen is gebaseerd die op de gehele lagere school betrokken kunnen worden; dat de grief onder (iii) samenvalt met het derde onderdeel van het tweede middel; dat het middelonderdeel niet ernstig is; 6.
- Overwegende dat verzoekende partij in een tweede onderdeel van het derde middel het motiveringsgebrek hierin ziet dat het advies van het paritair college wijst op het spanningsveld tussen de Vlaamse regelgeving voor onderwijs en godsdienstig geïnspireerde regels, “waarbij enkel verwezen wordt naar het Vlaams Regeerakkoord, dat [...] enkel een politiek instrument en geen juridisch instrument is”; Overwegende dat het middelonderdeel prima facie feitelijke grondslag mist; dat in ieder geval niet “enkel” naar dit regeerakkoord wordt verwezen; dat, meer nog, het paritair college negatief adviseert “op basis van zijn vaststellingen, conclusies en overwegingen” en het advies van het paritair college onder punt 2 diverse vaststellingen en conclusies bevat met betrekking tot een aantal tekorten; dat dienvolgens vooralsnog aangenomen wordt dat het negatief advies gesteund is op de vastgestelde tekorten, wat ook voorts in één alinea van het 12 pagina’s tellend advies moge zijn overgeschreven -terecht of onterecht- uit het Vlaams regeerakkoord; dat het middelonderdeel niet ernstig is; 6.
- Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; XII-4396-10/15 7.
- Overwegende dat het eerste middel van het verzoekschrift is geput uit de schending “van de vrijheid van onderwijs, zoals gegarandeerd door artikel 24 van de Grondwet, in samenhang met artikel 2 van het Eerste Protocol bij het E.V.R.M., de artikelen 28 en 29 van het Kinderrechtenverdrag, artikel 18 van het BUPO-verdrag en artikel 13 van het ECOSOC-verdrag, deze vrijheid in samenhang bezien met de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, voortvloeiend uit artikel 19 van de Grondwet, artikel 9 E.V.R.M., artikel 14 Kinderrechtenverdrag en artikel 18 BUPO-verdrag, juncto de vrijheid van meningsuiting, zoals uitgedrukt in artikel 19 van de Grondwet, artikel 10 E.V.R.M., de artikelen 12 en 13 van het Kinderrechtenverdrag, artikel 19 BUPO-verdrag en artikel 15 ECOSOC-verdrag”; 7.
- Overwegende dat het middel, behalve twee grondwetsbepalingen, ook twaalf verdragsbepalingen geschonden noemt, zonder nader te preciseren hoe die aangevoerde verdragsbepalingen een andere of ruimere bescherming waarborgen dan de artikelen 19 en 24 van de Grondwet; dat het zeker in de fase van het summier onderzoek in de schorsingsprocedure niet van de Raad van State mag worden verwacht dit werk in de plaats van de verzoekende partij te doen; dat in zoverre het middel niet ontvankelijk is; 7.
- Overwegende dat verzoekende partij in een eerste middel- onderdeel toelicht, aan de hand van de rechtspraak van het Arbitragehof, dat de actieve onderwijsvrijheid onderstelt dat onderwijsinstellingen die niet rechtstreeks afhangen van de gemeenschap, onder bepaalde voorwaarden aanspraak kunnen maken op subsidiëring vanwege de gemeenschap, dat vrije onderwijsinstellingen die hun eigenheid vinden in bepaalde godsdienstige, filosofische of onderwijskundige opvattingen, een recht op subsidiëring moet worden toegekend, dat zij meent binnen het huidige stelsel van eindtermen haar pedagogische visie, gesteund op een religieuze overtuiging te kunnen waarmaken “mits deze eindtermen [...] grondwets- conform worden geïnterpreteerd”, dat verwerende partij met de bestreden beslissing joodse kinderen verwijst naar niet-gesubsidieerd onderwijs en door het niet afwegen van grondrechten de godsdienstvrijheid ondergeschikt maakt aan de subsidiërings- voorwaarden, wat in het bijzonder blijkt uit het systematisch gebruik van de term “censuur”; Overwegende dat het college van inspecteurs in het advies refereert aan “censuur van informatie”; dat verzoekende partij niet ontkent vanuit religieuze inspiratie toezicht te houden, misschien in het verleden meer dan thans, op de XII-4396-11/15 publicaties waar leerlingen kennis van mogen nemen en dat zij er gedeelten uit schrapt of heeft geschrapt of het gebruik ervan verbiedt of heeft verboden; dat dergelijke manier van optreden samenvalt met een van de gebruikelijke verklaringen, te vinden onder het lemma “censuur” van het Van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal; Overwegende dat verzoekende partij uit de door haar aangehaalde rechtspraak van het Arbitragehof ook weet dat het recht op subsidiëring zijn beperking vindt in het vermogen van de gemeenschap om de subsidiëring te laten afhangen van vereisten van algemeen belang, zoals onder meer die van een behoorlijke onderwijsvertrekking; dat, zo lijkt, de decreetgever de eindtermen precies als “noodzakelijke” en “bereikbare” minimumdoelen in die vereisten van een behoorlijke onderwijsverstrekking inpast; dat, zoals reeds bij de bespreking van het tweede middel is opgemerkt, de door verzoekende partij gevraagde “grondwets- conforme” interpretatie afbreuk lijkt te doen aan de wezenlijke doelstelling zelf die specifiek in de besproken eindtermen is vervat; dat, zoals ook reeds is vastgesteld, de kritiek van verzoekende partij bijgevolg de keuze van de decreetgever treft; dat, in de mate verzoekende partij dan ook een eindterm ongrondwettig acht, het de Raad niet toekomt om daarover uitspraak te doen; dat overigens, zelfs in de veronderstelling dat het opleggen van een welbepaalde eindterm met de artikelen 19 en 24 van de Grondwet strijdig zou zijn, ook reeds is opgemerkt dat de mogelijkheid om vervangende eindtermen te vragen het adequate middel lijkt te zijn om aan godsdienstbezwaren tegemoet te komen; dat het middelonderdeel niet ernstig is; 7.
- Overwegende dat het bestreden besluit volgens het tweede middelonderdeel is aangetast door “Gebrek aan proportionaliteit”, omdat de tekorten zijn geponeerd “zonder de in het geding zijnde grondrechten af te wegen” en omdat niet is ingegaan op de gevraagde verlenging van de termijn om de tekorten weg te werken; Overwegende dat dit middelonderdeel niets nieuws aanbrengt, zo lijkt, waarop nog geen antwoord is gegeven bij de reeds besproken middelen en middelonderdelen; dat het niet ernstig is; 7.
- Overwegende dat een derde middelonderdeel het opschrift heeft “De kansen tot meningsuiting en informatievergaring”; dat in de uiteenzetting van en toelichting bij het middel een betoog wordt gehouden over artikel 13 van het XII-4396-12/15 Kinderrechtenverdrag, waarbij verzoekende partij uitgaat van de veronderstelling dat verwerende partij “systematisch een argument wenst te vinden in artikel 13 van het Kinderrechtenverdrag”; Overwegende dat het Kinderrechtenverdrag vooreerst enkel te berde wordt gebracht in het advies van het paritair college in het kader van de tekorten die verband houden met het omgaan met andere culturen en de zogenaamde censuurnormen; dat voorts in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat bij de bespreking van die tekorten de bij decreet bekrachtigde eindtermen centraal staan en het Kinderrechtenverdrag ten overvloede wordt aangehaald en bijgevolg als een overtollig motief is te beschouwen; dat het middelonderdeel niet wordt aangenomen; 7.
- Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 8.
- Overwegende dat verzoekende partij een vierde en laatste middel put uit de schending “van artikel 4 van het Besluit van de Vlaamse regering van 02.02.1999 betreffende de werking en de organisatie van het Paritair College van Onderwijsinspecteurs, belast met het advies betreffende de opheffing van de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan, een onderwijsinstelling of een onderdeel ervan (B.S. 27.03.1999)”, doordat “de Voorzitter van het Inspectieteam die het rapport van het Paritair College heeft opgesteld, de heer Willy Vermeire is, die tevens deel uitmaakte van het Inspectieteam van oktober 2002 in verband met de opvolgingscontrole 1”, terwijl “Artikel 4 van het in het middel aangehaalde besluit van de Vlaamse Regering stelt dat de onderwijsinspecteurs van het College, bedoeld in artikel 1, 1/, geen deel mogen uitmaken van het doorlichtingsteam dat het negatief advies heeft uitgebracht”; 8.
- Overwegende dat het geschonden genoemde artikel 4 bepaalt : “Na een negatief advies van de inspectie, zoals bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 2 februari 1999 betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse gemeenschap worden uitgevoerd, stelt de minister een college van minimum vier onderwijsinspecteurs samen. Het college kiest onder zijn leden een voorzitter. Deze onderwijsinspecteurs mogen geen deel hebben uitgemaakt van het doorlichtingsteam dat het negatief advies heeft uitgebracht.”; XII-4396-13/15 Overwegende dat het “negatief advies van de inspectie, zoals bedoeld in artikel 13” dat de samenstelling van het paritair college heeft uitgelokt, te dezen refereert aan het negatief advies van mei 2004; dat verzoekende partij niet beweert, noch blijkt, dat W. Vermeire, voorzitter van het paritair college, deel heeft uitgemaakt van het doorlichtingsteam dat het bedoelde negatief advies heeft uitgebracht; dat hij overigens ook niet deelnam aan de oorspronkelijke schooldoorlichting, zo lijkt; dat verzoekende partij enkel wijst, zonder meer, op het gegeven dat W. Vermeire betrokken was bij een eerste tussentijdse opvolgings- controle; dat aldus de vaststelling blijft dat verwerende partij artikel 4 van het besluit van 2 februari 1999 naar de letter lijkt te hebben nageleefd, en voorts dat niet wordt uiteengezet waarom de deelname van W. Vermeire aan een opvolgingscontrole het in het middel aangevoerde artikel dan tóch zou miskennen; dat het middel niet ernstig is;
- Overwegende dat, bij gebrek aan een ernstig middel, niet voldaan is aan een van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4396-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4396-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.579 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.