id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.600 Rolnummer: A. 129851/XIV-12768 Zaak: Arrest 147600 - - 12/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 22:02 Fiche Arrest nr 147.600 van 12 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.600 van 12 juli 2005 in de zaak A. 129.851/XIV-12.
- In zake : XXX wonende te 1040 BRUSSEL, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 14 april 1969 en van Iraanse nationaliteit, op 27 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.768-1/7 Gelet op de beschikking van 10 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 4 mei 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 23 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 25 september
- 1.
- Op 2 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 14 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Verder meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Iraans staatsburger uit Shiraz, verklaart uw land van herkomst omwille van onderstaande redenen verlaten te hebben. U was sinds 1368 (Perzische tijdsrekening, stemt overeen met 1989-1990 in de Westerse tijdsrekening) werkzaam bij Niru-ye Entezami (reguliere politie) als chauffeur van luitenant-kolonel Rassoul Rezaei. Op 10/03/1378 (31/05/1999) was u samen met Rassoul en een soldaat aan het patrouilleren. Toen er drie meisjes met afhangende hoofddoek langsliepen gebood Rassoul u te stoppen. Hij en de soldaat leidden de meisjes in de XIV-12.768-2/7 wagen, onder het mom dat ze naar de Adel Abad-gevangenis zouden gebracht worden om aldaar zweepslagen te ontvangen. Rassoul gebood u naar een verlaten plek net buiten Shiraz te rijden. Daar werden de drie meisjes verkracht door Rassoul en de soldaat. Toen u dat probeerde te verhinderen zei Rassoul dat u ofwel meedeed, ofwel wat verder weg ging staan. U verkoos de tweede optie. Na afloop vroeg Rassoul het adres van de meisjes en dreigde ermee hun families te kwetsen indien de meisjes het voorval ergens zouden melden. U zat zeer verveeld met het incident maar vertelde het aan niemand omdat Rassoul goede contacten met hooggeplaatsten had. Ongeveer zes maanden na het incident verving Rassoul u door een andere vaste chauffeur, K. R., die tevens een vriend van u was. Toen er op 01/05/1379 (23/07/2000) een nieuwe generaal, Bakhtiari, in dienst trad besloot u het voorval op 30/05/1379 (21/08/2000) aan hem te melden. Hij vroeg u om bewijzen en beloofde dat hij de zaak zou opvolgen. Toen u nog dezelfde dag op het secretariaat werd geroepen vernam u dat u vanaf 01/06/1379 (23/08/2000) tot 15/06/1379 (06/09/2000) extra verlof kreeg. Op 02/06/1379 (24/08/2000) belde Bakhtiari u thuis op om te vragen of u niet kon inspringen voor een eenvoudige missie naar Marvdasht. U accepteerde maar vond het raar dat ze geen andere chauffeur vonden. Dezelfde avond vernam u van .R. dat Rassoul en Bakhtiari van plan waren u de volgende dag, tijdens de missie, te vermoorden. Volgens Khosram was hun plan dat u op de weg tussen Marvdasht en Zarqan een ‘ongeluk’ met een vrachtwagen zou krijgen. Khosram wilde niet zeggen hoe hij aan die informatie was gekomen. Hoewel u K. niet volledig geloofde, besloot u toch uzelf en uw gezin in veiligheid te brengen, en vervolgens het land te verlaten. Op de avond van 02/06/1379 (24/08/2000) bracht u uw echtgenote (OV 5.012.801) naar haar familie in Isfahan. Uzelf reisde door naar Teheran om daar het vertrek uit Iran te regelen. Op 22/06/1379 (13/09/2000) vervoegde uw gezin u in Teheran. De volgende dag verliet u Iran. Op 25/09/2000 vroeg u in België de status van vluchteling aan. Ongeveer een maand na uw aankomst in België vernam uw echtgenote van haar vader dat de autoriteiten in uw (huur-)woning waren geweest en alles in beslag hadden genomen. U vreest bij een terugkeer naar Iran voor het militair gerechtshof te worden gebracht omdat u het land verliet. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Er dient opgemerkt te worden dat nergens uit uw verklaringen blijkt dat u persoonlijk geviseerd werd omwille van één van de motieven voorzien in de Conventie van Genève. U was getuige van corrupte en andere praktijken van collega’s dewelke u rapporteerde aan een overste. Doch dit zou echter geresulteerd hebben in de beraming van een aanslag op uw leven. Dit zijn echter feiten van gemeenrechtelijke aard en vallen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Bovendien blijkt uit niets dat de moordplannen geïnspireerd zouden zijn door één of meer van de in de Conventie van Genève opgenomen criteria. Ook blijkt uit niets dat u omwille van één of meer meerdere criteria opgenomen in de Conventie van Genève niet of op minder bescherming van uw overheid zou kunnen rekenen. Derhalve houden de problemen voor dewelke u Iran verliet geen verband met de Conventie van Genève en zijn als dusdanig vreemd aan deze conventie. Bovendien merken we op dat uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelin- genzaken (dvz) en in dringend beroep (db) niet overeenstemmen. Zo verklaart u dat de maanden vóór uw vertrek naar België uw loon niet meer veel voorstelde omdat u geen premies meer kreeg (verhoorverslag dvz, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal verklaart u dat u na het incident geen loonverlies leed, dat er enkel kleine schommelingen in uw loon waren, afhankelijk van de premies (verhoorverslag db, p 15). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart u ook dat u vluchtte nadat Rassoul ermee had gedreigd dat u uw leven op het spel zette indien u het voorval zou melden aan een hogerge- plaatst persoon (verhoorverslag dvz, vraag 42). In Dringend Beroep verklaarde u uitdrukkelijk dat hij geen bedreigingen uitte (verhoorverslag db, p 24). Daarnaast verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken niets over B., noch over uw gesprek met hem of over de moordplannen die waren gesmeed (zie verhoorverslag dvz, vraag 42). Voorgaande vaststellingen brengen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in het gedrang. Tenslotte over uw vrees om voor het militair gerechtshof te worden gebracht, dient te worden opgemerkt dat indien u zou worden vervolgd het hier dan gaat over desertie (gaat), omdat u als politiefunctionaris zonder wettige reden afwezig was op uw werk. Desertie, welk een feit van gemeenrechtelijke aard is, valt buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Gelet op (het) bovenstaande kunnen we in hoofde van u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève weerhouden. Derhalve dienen we af te sluiten met een bevestiging van weigering van verblijf. (...).”.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel aanvoert dat de Commissaris-generaal een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan in de analyse van de aanvraag en dat hij zijn beoordelingsbevoegdheid op basis van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en XIV-12.768-3/7 de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) heeft overschreden; dat verzoeker stelt dat hem tijdens het interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken werd meegedeeld dat hij slechts de belangrijkste elementen van zijn asielrelaas diende te vertellen; dat verzoeker daaraan toevoegt dat hij vreesde dat hetgeen hij vertelde, zou worden doorgespeeld aan de Iraanse overheid; dat verzoeker aanvoert dat hem geen eerlijk proces te wachten staat voor het Militair Gerechtshof in Iran, omwille van de corruptie in zijn land van herkomst; dat verzoeker stelt dat hij tevergeefs de bescherming van zijn overheid heeft ingeroepen; dat verzoeker besluit “dat bijgevolg de beslissing niet naar recht werd verantwoord”; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in casu tot dit besluit komt omdat verzoeker geen feiten of elementen heeft aangehaald, waaruit blijkt dat hij Iran heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève; dat de Commissaris-generaal stelt dat de door verzoeker ingeroepen feiten van gemeenrechtelijke aard zijn en buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelin- genconventie vallen, en dat uit niets blijkt dat verzoeker omwille van één of meerdere criteria opgenomen in de Vluchtelingenconventie niet of op minder bescherming van zijn overheid zou kunnen rekenen; dat tenslotte wordt opgemerkt dat ook desertie een feit van gemeen- rechtelijke aard is; Overwegende dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoeker tevens bedrieglijk heeft verklaard; dat dit een andere onontvankelijkheidsgrond is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten, omdat de verklaringen van XIV-12.768-4/7 verzoeker afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en afgelegd op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, niet met elkaar overeenstemmen: - verzoeker verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat zijn loon niet veel meer voorstelde omdat hij geen premies kreeg, terwijl hij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij na het incident geen loonverlies leed, maar dat er enkel kleine schomme- lingen in zijn loon waren, afhankelijk van de premies; - op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat hij vluchtte nadat Rassoul ermee had gedreigd dat verzoeker zijn leven op het spel zette indien hij melding zou maken van het voorval, terwijl verzoeker in dringend beroep uitdrukkelijk verklaarde dat Rassoul geen bedreigingen uitte; - verzoeker verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken niets over Bakthiari, noch over verzoekers gesprek met hem of over de moordplannen die waren gesmeed; Overwegende dat verzoeker de verschillen in zijn verklaringen afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal in dringend beroep, wijt aan het feit dat hem op de Dienst Vreemdelingenzaken zou zijn meegedeeld dat hij enkel de belangrijke elementen diende te vermelden, en tevens dat hij bij de Dienst Vreemdeling- enzaken vreesde dat zijn verklaringen zouden worden doorgespeeld aan de Iraanse autoriteiten; Overwegende dat van een asielzoeker mag worden verwacht dat hij reeds van bij de aanvang van de asielprocedure een coherent relaas naar voor brengt, zeker wat de essentiële elementen van zijn asielrelaas betreft; dat verzoeker op het Commissariaat- generaal heeft verklaard te zijn gevlucht uit Iran omdat hij meende dat zijn leven in gevaar was wegens een geplande moordaanslag op zijn persoon; dat de Commissaris-generaal vaststelt, en dat dit wordt bevestigd door de stukken van het administratief dossier, dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding heeft gemaakt van deze geplande moord op zijn persoon, en evenmin van een voorafgaand gesprek met generaal Bakthiari dat aan de oorsprong zou liggen van dit plan; dat dit essentiële elementen van verzoekers asielaanvraag zijn en dat bijgevolg de opmerking van verzoeker “dat hij slechts de belangrijkste elementen diende te vertellen” voor de Dienst Vreemdelingenzaken en daarom bepaalde zaken niet zou hebben vermeld, niet opgaat; dat de overige tegenstrijdighe- den elementen betreffen waarover verzoeker wel verklaringen heeft afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken, maar in een andere zin dan zijn verklaringen op het Commissariaat- generaal (over het loonverlies en of Rassoul al dan niet bedreigingen uitte); dat de opmerking van verzoeker in het middel dat hij zich moest beperken tot de essentie voor de Dienst Vreemdelingenzaken, bijgevolg evenmin opgaat voor deze tegenstrijdigheden; dat het argument dat verzoeker vreesde dat er informatie zou worden doorgespeeld aan de Iraanse overheid, geen afdoende argument is om hiaten of onnauwkeurigheden in zijn verklaringen uit te leggen; dat verzoeker immers uit eigen beweging een asielaanvraag heeft ingediend bij XIV-12.768-5/7 de Belgische autoriteiten; dat verzoeker na deze keuze een minimum aan medewerking aan de Belgische asielinstanties dient te verlenen; Overwegende dat verzoeker geen concrete elementen aanvoert om zijn bewering te staven dat hij in Iran geen eerlijk proces zal krijgen; dat hij evenmin uiteenzet op welke wijze hij “wel degelijk de bescherming van zijn overheid heeft ingeroepen, doch tevergeefs”; dat verzoeker voor het overige geen argumenten aanvoert tegen het feit dat zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond werd verklaard omdat ze vreemd is aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, deugdelijke, afdoende, en terzake dienende motieven; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-12.768-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.768-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.