← België

Arrest 147602 - - 12/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.602 Rolnummer: A. 113718/XIV-7563 Zaak: Arrest 147602 - - 12/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 22:02 Fiche Arrest nr 147.602 van 12 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.602 van 12 juli 2005 in de zaak A. 113.718/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. ENGELEN, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Catharinaplein 15 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 maart 1971 en van XXX nationaliteit, op 4 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 26 november 2001; Gelet op de beschikking van 28 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 mei 2005 om 14.00 uur; XIV-7563-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. ENGELEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 11 september 1999 en verklaart zich vluchteling op 14 september
  4. 1.
  5. Op 29 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 26 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 18 oktober 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...)”.
  7. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 18 april 2005 blijkt dat verzoekster “vanaf 09/04/2004 in het bezit (werd) gesteld van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister geldig tot 07/04/2006 (beperkte duur)”; dat uit XIV-7563-2/4 het schrijven van de Advocaat van verzoekster blijkt dat de regularisatie werd gevraagd om medische redenen; dat deze regularisatie slechts een tijdelijk karakter heeft en dat verzoekster bijgevolg haar rechtens vereist wettelijk belang behoudt bij huidig beroep;
  8. Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoekster aanvoert dat de beslissing van de Commissaris-generaal steunt op artikel 52 van de Vreemdelingenwet, terwijl dit artikel in casu niet kan worden toegepast omdat het enkel betrekking heeft op beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde; Overwegende dat verzoekster in de toelichtende memorie verwijst naar het inleidend verzoekschrift; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot weigering van verblijf van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, met de bestreden beslissing bevestigt, omdat de verzoekende partij geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping binnen de maand na de verzending ervan met toepassing van artikel 52, § 2, vierde lid, van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat artikel 63/2, § 1, van de Vreemdelingenwet een dringend beroep instelt bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tegen de beslissing waarbij de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart; dat de Commissaris-generaal luidens artikel 63/3, eerste lid, van dezelfde wet, de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde kan bevestigen dan wel beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat de voornoemde bepalingen derhalve een georganiseerd administratief beroep inrichten tegen de in artikel 63 van de Vreemdelingenwet bepaalde beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde; dat het voornoemde artikel 63/2 niet uitdrukkelijk de gronden vermeldt waarop de Commissaris-generaal de bij dringend beroep bij hem aanhangig gemaakte beslissing kan bevestigen dan wel beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat evenwel één van de wezenskenmerken van een georganiseerd administratief beroep is, dat bij het behandelen van zulk een beroep de aanvraag volledig, en dus zowel ten aanzien van de rechtmatigheid als ten aanzien van de opportuniteit, wordt onderzocht; dat derhalve de Commissaris-generaal wanneer hij oordeelt in hoger beroep, dezelfde beoordelingsbevoegdheid heeft als die waarover de Minister van XIV-7563-3/4 Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde in eerste aanleg beschikt; dat derhalve de Commissaris-generaal bij het nemen van de in artikel 63/3, eerste lid, van de Vreemdelingenwet bepaalde beslissing, kan steunen op de in artikel 52, § 2, van de Vreemdelingenwet bepaalde (on)ontvankelijkheidsgronden; dat de Commissaris-generaal derhalve zijn bevoegdheid niet overschrijdt door zijn beslissing te gronden op de in artikel 52, § 2, vierde lid, van de Vreemdelingenwet bepaalde grond; dat bijgevolg de motiveringplicht niet wordt geschonden; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7563-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.602 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.