id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.603 Rolnummer: A. 107866/XIV-5709 Zaak: Arrest 147603 - - 12/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 22:03 Fiche Arrest nr 147.603 van 12 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.603 van 12 juli 2005 in de zaak A. 107.866/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortijksesteenweg 551 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 mei 1977 en XXX, geboren op 13 juli 1978, beiden van XXX nationaliteit, op 23 juli 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 juni 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 21 juni 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde-lingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-5709-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 mei 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 20 augustus 2000 en verklaren zich vluchteling op 21 augustus
- 1.
- Op 9 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 21 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten opzichte van XXX, hierna genoemd verzoeker, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 6 juni 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de XXX taal machtig is. Betrokkene, een XXX staatsburger van R.-origine, verklaarde op 6 juni 2001 voor het Commissariaat-generaal problemen te hebben gehad omwille van zijn origine. Betrokkene en zijn gezin zouden meermaals pesterijen van hun buren hebben moeten verduren. De buren zouden hen uitgescholden hebben en meerdere malen vuilnis voor de deur gestort hebben. Daarnaast zouden zij twee à drie keer de ruiten van de woning gebroken hebben. Betrokkene zou telkens de politie gewaarschuwd hebben. De politie zou met de daders gepraat hebben, maar nooit een proces-verbaal hebben opgemaakt. In mei 2000 zou het gezin naar L. zijn moeten verhuizen omdat zij achterstonden met het betalen van de huur. Bovendien zouden de XIV-5709-2/8 buren een petitie ondertekend hebben. Verder zou betrokkene samen met enkele vrienden eenmaal door skinheads achtervolgd zijn, maar zij zouden tijdig zijn kunnen ontkomen. Omwille van de slechte woonomstandigheden in L. en omdat R. geen werk kunnen vinden, zou betrokkene in augustus 2000 besloten hebben XXX te verlaten. Op 20 augustus 2000 zou betrokkene samen met zijn vriendin XXX uit XXX vertrokken zijn. Hij zou dezelfde dag in België zijn aangekomen, waar hij op 21 augustus 2000 asiel aanvroeg. Betrokkene is in het bezit van een geldig XXX internationaal paspoort. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat betrokkenes verklaringen voor het Commissariaat-generaal een aantal tegenstrijdigheden vertonen met eerder door hem afgelegde verklaringen, alsook met de verklaringen afgelegd door zijn vrouw. Zo blijkt uit betrokkenes verklaringen voor het Commissariaat-generaal dat het gezin nadat zij naar L. verhuisd zijn, geen andere problemen kende dan de slechte levensomstandigheden aldaar (zie CGVS p. 5). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde betrokkene echter dat ook in L. de ruiten door blanken werden uitgeslagen (zie DVZ vraag 42). Daarnaast verklaarde betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat zij telkens de politie verwittigden, maar dat die nooit kwam opdagen (zie DVZ vraag 42), terwijl hij voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat de politie elke keer kwam als zij hen verwittigden (zie CGVS p. 3). Verder verklaarde betrokkene voor het Commissariaat-generaal dat de familie elke keer de politie waarschuwde als de ruiten door de buren gebroken werden (zie CGVS XXX p. 3). Zijn vrouw verklaarde daarentegen dat zij de laatste keer dat de ruiten gebroken werden, de politie niet meer hebben gewaarschuwd omdat zij wisten dat de politie hen toch niet ernstig zou nemen (zie CGVS XXX p. 6). Tenslotte verklaarde betrokkene voor het Commissariaat-generaal dat de politie elke keer met de daders is gaan praten (zie CGVS XXX p. 4). Zijn vrouw verklaarde echter dat de politie nooit met de daders gepraat heeft, zelfs niet wanneer zij ze konden aanwijzen (zie CGVS XXX p. 5). Bovenstaande tegenstrijdigheden ondermijnen de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas in ernstige mate. Wat de gedwongen verhuis naar L. betreft tenslotte, dient te worden opgemerkt dat dit feit eerder van discriminatie en racisme dan van vervolging getuigt en op zich niet zwaarwichtig genoeg is om als een daadwerkelijke systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie beschouwd te kunnen worden. Aldus kan in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het door betrokkene neergelegde document (paspoort) is niet van die aard dat het het bovenstaande wijzigt. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 9 januari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten opzichte van XXX, hierna genoemd verzoekster, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 6 juni 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de XXX taal machtig is. Betrokkene, een XXX staatsburger van R.-origine, verklaarde op 6 juni 2001 voor het Commissariaat-generaal problemen te hebben gehad omwille van haar origine. Betrokkene en haar familie zouden meermaals pesterijen van hun buren hebben moeten verduren. De buren zouden onder meer vuilnis voor de deur van betrokkenes woning gestort hebben en driemaal de ruiten van haar woning gebroken hebben. Betrokkenes familie zou meermaals de politie gewaarschuwd hebben. De politie zou telkens naar betrokkenes woning gekomen zijn, maar zou nooit iets hebben ondernomen. Begin mei 2000 zou het gezin naar L. zijn moeten verhuizen omdat zij achterstand hadden in het betalen van de huur. XIV-5709-3/8 Bovendien zouden de buren een petitie ondertekend hebben dat zij wilden dat het gezin zou verhuizen. In L. zouden de leefomstandigheden rampzalig geweest zijn en de buschauffeur zou aan deze wijk soms niet zijn willen stoppen. Tenslotte zou betrokkene in de bus eenmaal door een skinhead geschopt zijn. Uit angst zou betrokkene in juli 2000 gestopt zijn met werken en besloten hebben XXX te verlaten. Op 20 augustus 2000 zou betrokkene samen met haar vriend XXX uit XXX vertrokken zijn. Dezelfde dag zou betrokkene in België zijn aangekomen, waar zij op 21 augustus 2000 asiel aanvroeg. Betrokkene is in het bezit van een geldig XXX internationaal paspoort. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken niets vermeldde over het incident op de bus met de skinhead. Bovendien sprak betrokkene zich aangaande dit incident tijdens haar verhoor voor het Commissariaat-generaal meermaals tegen. Aanvankelijk verklaarde betrokkene dat zij en haar familie, toen zij in L. woonden, er steeds in slaagden aan de skinheads te ontsnappen (zie CGVS p. 7). Later tijdens hetzelfde verhoor, toen aan betrokkene gevraagd werd of zij ooit geslagen werd, verklaarde betrokkene toch eenmaal door een skinhead te zijn geschopt (zie CGVS p. 8). Wat betreft de situering in de tijd verklaarde betrokkene aanvankelijk dat het incident plaatsvond in de periode dat het gezin nog op het oude adres (O. 26) woonde (zie CGVS p. 8). Later verklaarde betrokkene echter dat het incident zich voordeed toen het gezin reeds in L. woonde en dat het bijgevolg kort vóór hun vertrek naar België plaatsvond (zie CGVS p. 9). Deze niet-eensluidende verklaringen ondermijnen betrokkenes geloofwaardigheid: van betrokkene mag redelijkerwijs verwacht worden dat zij, indien het incident zich werkelijk heeft voorgedaan, het ook voor de Dienst Vreemdelingenzaken zou vermelden en er voor het Commissariaat-generaal coherente verklaringen over zou afleggen. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat betrokkenes verklaringen voor het Commissariaat-generaal enkele tegenstrijdigheden vertonen met de verklaringen afgelegd door haar man. Zo verklaarde betrokkenes man voor het Commissariaat-generaal dat de familie elke keer de politie waarschuwde als de ruiten door de buren gebroken werden (zie CGVS XXX p. 3). Betrokkene verklaarde daarentegen dat zij de laatste keer dat de ruiten gebroken werden, de politie niet meer hebben gewaarschuwd omdat zij wisten dat de politie hen toch niet ernstig zou nemen (zie CGVS XXX p. 6). Verder verklaarde betrokkenes man voor het Commissariaat-generaal dat de politie met de daders is gaan praten (zie CGVS XXX p. 4). Betrokkene verklaarde echter dat de politie nooit met de daders gepraat heeft, zelfs niet wanneer zij ze konden aanwijzen (zie CGVS XXX p. 5). Bovenstaande tegenstrijdigheden ondermijnen de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas bijkomend. Wat de gedwongen verhuis naar L. betreft tenslotte, dient te worden opgemerkt dat dit feit eerder van dicriminatie en racisme dan van vervolging getuigt en op zich niet zwaarwichtig genoeg is om als een daadwerkelijke systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie beschouwd te kunnen worden. Aldus kan in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het door betrokkene neergelegde document (paspoort) is niet van die aard dat het het bovenstaande wijzigt. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 9 januari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Overwegende dat uit de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 20 april 2005, die aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen, blijkt dat de verzoekende partijen van ambtswege werden afgevoerd op 21 augustus 2003; dat de Advocaat van de verzoekende partijen ter terechtzitting van 18 mei 2005 in dit verband geen verdere gegevens meedeelt; dat, wanneer een Advocaat ter zitting verschijnt voor een partij, zijn mandaat wordt XIV-5709-4/8 vermoed, tenzij er elementen voorhanden zijn die het mandaat in twijfel trekken; dat in casu blijkt dat de verzoekende partijen sedert 21 augustus 2003 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hebben in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënten nog steeds in het Rijk verblijven; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer op één van de volgende zittingen blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; 3.1.
- Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de schending van “de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging”, omdat de bestreden beslissingen gesteund zijn op vermeende tegenstrijdigheden en verzoekers door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tijdens de verhoren nooit met deze tegenstrijdigheden werden geconfronteerd en derhalve niet de kans hebben gekregen om de vermeende tegenstrijdigheden te weerleggen en er “een eventuele plausibele verklaring” voor te geven; 3.1.
- Overwegende dat de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat op de Commissaris-generaal vooralsnog geen verplichting rust om de asielzoeker met zijn tegenstrijdige verklaringen te confronteren, zo dit al mogelijk zou zijn tijdens het verhoor; dat de Commissaris-generaal pas nadat hij verzoekers heeft gehoord, de mogelijkheid heeft om hun verklaringen te onderzoeken, ze te vergelijken en te toetsen aan de gegevens van het administratief dossier; dat essentiële elementen van dit dossier de verhoorverslagen van de Dienst Vreemdelingenzaken zijn, waarvan de inhoud gekend is door verzoekers; dat in dringend beroep de gegevens van deze verhoorverslagen vanzelfsprekend mogen worden vergeleken met de verklaringen afgelegd door verzoekers op het Commissariaat-generaal, en dat de verklaringen van verzoeker en verzoekster afgelegd tijdens beide verhoren ook onderling mogen worden vergeleken; dat de in de bestreden beslissingen vastgestelde tegenstrijdigheden bovendien de kern van het asielrelaas van verzoekers betreffen en steun vinden in het administratief dossier; dat verzoekers beweren een verklaring te kunnen geven voor de vastgestelde tegenstrijdigheden, doch zich beperken tot de loutere negatie ervan en nalaten voormelde tegenstrijdigheden te weerleggen; dat zij hiertoe nochtans de mogelijkheid hebben middels hun verzoekschriften ingediend bij de Raad van State; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoekers een tweede middel afleiden uit de schending van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en van de algemene XIV-5709-5/8 beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen grondig onderzoek heeft gevoerd naar hun vrees voor vervolging en geen rekening heeft gehouden met de R.-afkomst van verzoekers; dat zij aanvoeren dat de R. in XXX worden gediscrimineerd; dat verzoekers daaraan toevoegen dat hun vrees voor vervolging wordt bevestigd door een rapport van het U.S. Department of State en dat zij bij vervolging niet de bescherming kunnen inroepen van de XXX (hogere) autoriteiten; 3.2.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissingen onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvragen heeft besloten omdat enerzijds de verklaringen van verzoeker afgelegd op de Dienst Vreemde-lingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tegenstrijdigheden bevatten, en omdat zijn verklaringen tegenstrijdigheden bevatten in vergelijking met de verklaringen van zijn echtgenote (verzoekster), en anderzijds omdat de verklaringen van verzoekster afgelegd op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet overeenstemmen met haar verklaringen afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken, en omdat zij zich tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal verschillende malen heeft tegengesproken; Overwegende dat verzoekers in hun verzoekschrift verwijzen naar het rapport van het U.S. Department of State “Human Rights Reports for 1999, S.” dd. 25 februari 2000 om aan te tonen dat zij wegens hun R.-origine worden gediscrimineerd in hun land van herkomst; XIV-5709-6/8 Overwegende dat verzoekers zich beperken tot een algemene verwijzing naar de toestand van de R.-zigeuners in hun land van herkomst zonder die te betrekken op hun persoonlijke situatie; dat de verwijzing naar een rapport geen afbreuk doet aan de vaststelling- en van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die steunen op een individueel onderzoek van de verklaringen die verzoekers hebben afgelegd in het kader van hun asielaanvraag; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvragen van verzoekers niet behoorlijk heeft onderzocht en derhalve onzorgvuldig zou hebben gehandeld; dat uit het administratief dossier en uit de bestreden beslissingen blijkt dat de Commissaris-generaal is uitgegaan van een correcte feitenvinding en dat hij de relevante feiten en gegevens van de asielrelazen van verzoekers juridisch correct heeft getoetst aan de Vluchtelingenconventie; dat geen van de door verzoekers aangehaalde bepalingen en beginselen werden geschonden; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-5709-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5709-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.603 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div