← België

Arrest 147604 - - 12/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.604 Rolnummer: A. 108051/XIV-5788 Zaak: Arrest 147604 - - 12/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 22:03 Fiche Arrest nr 147.604 van 12 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.604 van 12 juli 2005 in de zaak A. 108.051/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 september 1968 en van Slowaakse nationaliteit, op 26 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 oktober 2000 tot weigering van verblijf, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-5788-1/6 Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 mei 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 9 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 17 augustus
  6. 1.
  7. Op 30 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf. 1.
  8. Op 26 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 4 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Slov(w)aakse taal machtig is. Betrokkene, een Slov(w)aaks staatsburger van Roma origine, verliet zijn land in juli
  9. Hij reisde naar België waar hij in augustus aankwam en op 17 augustus 2000 asiel aanvroeg. Betrokkene is in het bezit van een geldig internationaal identiteitsdocument. Betrokkene zou nu in België enkel zijn zoontje -D. D.- onder zijn hoede hebben. Betrokkene vroeg een eerste maal asiel aan in België op 17 december 1999 dewelke door de Commissaris-generaal op 9 maart 2000 werd afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf. Volgens zijn verklaringen voor het Commissariaat-generaal zou betrokkene in zijn land van herkomst problemen hebben gekend omwille van zijn etnische origine. Betrokkene zou na zijn eerste asielaanvraag teruggekeerd zijn naar Slov(w)akije. Daar aangekomen zou hij op het vliegveld gecontroleerd zijn. Verder zou hij op een dag opgepakt geweest zijn door de politie en gedurende een dag vastgehouden zijn, waarbij hij werd geslagen. Daarnaast zou hij nog een enkele keer ondervraagd geweest zijn op straat. Betrokkene zou zich uit angst verborgen hebben en vervolgens beslist hebben naar België te vertrekken. Er dient te worden gesteld dat tegenstrijdigheden tussen betrokkenes verschillende verklaringen (interview Dienst Vreemdelingenzaken, interview Commissariaat-generaal) de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas ondermijnen. Zo beweert betrokkene voor de XIV-5788-2/6 Dienst Vreemdelingenzaken dat hij op een nacht overvallen werd in zijn appartement door drie gemaskerde mannen, die hem zouden bedreigd en geslagen hebben. Ze zouden hem vervolgens aangemaand hebben zich binnen te gaan aankleden, waarop betrokkene langs de achterkant zou zijn weggevlucht. In zijn interview voor het Commissariaat-generaal rept betrokkene echter met geen woord over deze gebeurtenissen. Eveneens voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart betrokkene dat zijn oudste zoon werd opgepakt, terwijl ook dit voor het Commissariaat-generaal niet ter sprake komt. Het incident waarbij hij werd opgepakt door de politie en een dag in het politiebureau zou hebben moeten verblijven, vermeldt hij dan weer voor het Commissariaat- generaal, maar dit komt niet ter sprake voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Integendeel, daar verklaarde betrokkene nooit afgesloten (opgesloten) geweest te zijn (DVZ nr. 44). Verder verklaart betrokkene in geen enkel relaas dat hij lid was van een Rom-organisatie en daardoor in de problemen zou zijn geraakt, terwijl dit bij zijn tweede asielaanvraag voor het Commissariaat-generaal wel ter sprake wordt gebracht. Gezien dit gegeven aan de basis zou liggen van zijn vervolging, lijkt het weinig waarschijnlijk dat betrokkene dergelijke informatie vergeet te vertellen. Deze tegenstrijdigheden doen fundamenteel afbreuk aan de geloofwaardig- heid van betrokkenes asielrelaas. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De (Het) door betrokkene in het kader van zijn asielprocedure neergelegde document (internationaal paspoort) wijzigt hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet, het is enkel een bewijs van betrokkenes identiteit. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 30 oktober
  10. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.
  11. Overwegende dat verzoeker een eerste middel afleidt uit de schending van “de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging”, omdat de bestreden beslissing gesteund is op vermeende tegenstrijdigheden en verzoeker door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tijdens het verhoor nooit met deze tegenstrijdigheden werd geconfronteerd en derhalve niet de kans heeft gekregen om de vermeende tegenstrijdigheden te weerleggen en er “een eventuele plausibele verklaring” voor te geven; Overwegende dat de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat op de Commissaris-generaal vooralsnog geen verplichting rust om de asielzoeker met zijn tegenstrijdige verklaringen te confronteren, zo dit al mogelijk zou zijn tijdens het verhoor; dat de Commissaris-generaal pas nadat hij verzoeker heeft gehoord, de mogelijkheid heeft om zijn verklaringen te onderzoeken, ze te vergelijken en te toetsen aan de gegevens van het administratief dossier; dat een essentieel element van dit dossier het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken is, waarvan de inhoud gekend is door verzoeker; dat in dringend beroep de gegevens van dit verhoorverslag vanzelfsprekend mogen worden vergeleken met de verklaringen afgelegd door verzoeker op het Commissariaat-generaal, niet in het minst omdat zij het asielrelaas van verzoeker inhouden; dat de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden bovendien de kern van het asielrelaas van verzoeker XIV-5788-3/6 betreffen en steun vinden in het administratief dossier; dat verzoeker beweert een verklaring te kunnen geven voor de vastgestelde tegenstrijdigheden, doch zich beperkt tot de loutere negatie ervan en nalaat voormelde tegenstrijdigheden te weerleggen; dat hij hiertoe nochtans de mogelijkheid heeft middels zijn verzoekschriften ingediend bij de Raad van State; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  12. Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt uit de schending van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen grondig onderzoek heeft gevoerd naar zijn vrees voor vervolging en geen rekening heeft gehouden met de Roma-afkomst van verzoeker; dat hij aanvoert dat de Roma in Slowakije worden gediscrimineerd; dat verzoeker daaraan toevoegt dat zijn vrees voor vervolging wordt bevestigd door een rapport van het U.S. Department of State en dat hij bij vervolging niet de bescherming kan inroepen van de Slowaakse (hogere) autoriteiten; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat een onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijk- heid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  1. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat de verklaringen van verzoeker afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tegenstrijdigheden bevatten; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift verwijst naar het rapport van het U.S. Department of State “Human Rights Reports for 1999, Slovak XIV-5788-4/6 Republic” dd. 25 februari 2000 om aan te tonen dat hij wegens zijn Roma-origine wordt gediscrimineerd in zijn land van herkomst; Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot een algemene verwijzing naar de toestand in zijn land van herkomst zonder die te betrekken op zijn persoonlijke situatie; dat de verwijzing naar een rapport geen afbreuk doet aan de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die steunen op een individueel onderzoek van de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd in het kader van zijn asielaanvraag; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoeker niet behoorlijk heeft onderzocht en derhalve onzorgvuldig zou hebben gehandeld; dat geen van de door verzoeker aangehaalde bepalingen en beginselen werden geschonden, dat het tweede middel ongegrond is;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-5788-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5788-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.