id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.604 Rolnummer: A. 108051/XIV-5788 Zaak: Arrest 147604 - - 12/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 22:03 Fiche Arrest nr 147.604 van 12 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.604 van 12 juli 2005 in de zaak A. 108.051/XIV-
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen grondig onderzoek heeft gevoerd naar zijn vrees voor vervolging en geen rekening heeft gehouden met de Roma-afkomst van verzoeker; dat hij aanvoert dat de Roma in Slowakije worden gediscrimineerd; dat verzoeker daaraan toevoegt dat zijn vrees voor vervolging wordt bevestigd door een rapport van het U.S. Department of State en dat hij bij vervolging niet de bescherming kan inroepen van de Slowaakse (hogere) autoriteiten; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat een onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijk- heid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat de verklaringen van verzoeker afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tegenstrijdigheden bevatten; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift verwijst naar het rapport van het U.S. Department of State “Human Rights Reports for 1999, Slovak XIV-5788-4/6 Republic” dd. 25 februari 2000 om aan te tonen dat hij wegens zijn Roma-origine wordt gediscrimineerd in zijn land van herkomst; Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot een algemene verwijzing naar de toestand in zijn land van herkomst zonder die te betrekken op zijn persoonlijke situatie; dat de verwijzing naar een rapport geen afbreuk doet aan de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die steunen op een individueel onderzoek van de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd in het kader van zijn asielaanvraag; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoeker niet behoorlijk heeft onderzocht en derhalve onzorgvuldig zou hebben gehandeld; dat geen van de door verzoeker aangehaalde bepalingen en beginselen werden geschonden, dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-5788-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5788-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div