← België

Arrest 147642 - Wegenwezen - 13/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.642 Rolnummer: A. 161452/XIV-32667 Zaak: Arrest 147642 - Wegenwezen - 13/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-19 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 22:03 Fiche Arrest nr 147.642 van 13 juli 2005 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.642 van 13 juli 2005 in de zaak A. 161.452/X-12.265. In zake : 1. André BROSENS, 2. Caroline HOUBEN, wonende te 2960 BRECHT, Kerkstraat 32 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160, 2. de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André BROSENS en Caroline HOUBEN op 4 april 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 25 januari 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening "houdende opheffing van de beslissing van de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen met betrekking tot de gedeeltelijke afschaffing van de voetweg 149 van de gemeente Brecht"; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het ver slag o pgemaakt door Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.265-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. STEEL die, loco Advocaat L. VAN BRAEKEL verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Adviseur R. LANGERWERF, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij het bestreden besluit van 25 januari 2005 het beroep tegen het besluit van 24 juni 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen "betreffende de gedeeltelijke afschaffing van buurtweg 149 van de gemeente Brecht" heeft verworpen; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste door voormeld artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals machtsafwending, machtsoverschrijding en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de zorgvuldigheidsplicht, de redelijkheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel; dat zij dit middel uiteenzetten als volgt : "1. Op grond van art. 28 van de Wet van 10 april 1841 heeft de Raad van State reeds talrijke malen beslist dat het de gemeenteraad in de eerste plaats toekomt te oordelen over het nut van de verbreding of de X-12.265-2/9 afschaffing van een buurtweg, maar dat de eigenlijke beslissing toekomt aan de Bestendige Deputatie. De Bestendige Deputatie doet dit op grond van een eigen beslissingsrecht. De gemeenteraad kan de Bestendige Deputatie dus enkel maar voorstellen om een buurtweg te wijzigen of af te schaffen (al of niet op initiatief van een van haar inwoners). De Bestendige Deputatie oordeelt daarna zelf of deze voorgestelde wijziging of afschaffing gerechtvaardigd is, rekening houdend met de gemeentelijke belangen en de belangen van de inwoners uit andere gemeenten (...). 2. Een en ander neemt niet weg dat art. 28, eerste lid van de Wet van 10 april 1841 voorschrijft dat de aanleg, de afschaffing of de wijziging van een buurtweg moeten voorafgegaan zijn van een onderzoek. Terzake werd geen onderzoek gevoerd. 3. Er blijken nu zelfs twee verzoeken ingediend te zijn omtrent de afschaffing van de voetweg. Minstens werden er twee verschillende plannen neergelegd die betrekking hebben op een verschillend traject van dezelfde voetweg. Een eerste plan van landmeter Van Hove van 15.03.2004 heeft betrekking op traject A-B-C-D van de voetweg en schaft het deel van de voetweg af dat achter de percelen van (v)erzoekers lopen (...). Een tweede plan, van dezelfde landmeter, van dezelfde datum heeft te maken met de afschaffing van het deel B-C-D van de voetweg, en laat blijkbaar de voetweg achter de percelen van (v)erzoekers ongemoeid (...). Uit het besluit van de Bestendige Deputatie is op geen enkele manier op te maken welk deel van de voetweg nu afgeschaft is. 4. Het bestreden Besluit van de Minister verwijst naar een gemeenteraadsbesluit van 13.05.2004 houdende de definitieve goedkeuring van de gedeeltelijke afschaffing van de buurtweg nr. 149 te Brecht. Nochtans bepaalt art. 28 van de Wet van 10 april 1841 dat het de Bestendige Deputatie is, die een eigen beslissingsmacht uitoefent in het al of niet goedkeuren van het wijzigen of het afschaffen van een voetweg. De beslissing i.v.m. de afschaffing van de buurtweg nr. 149 kwam dus op een onreglementaire manier tot stand. 5. Via allerlei omwegen moeten (v)erzoekers vernemen dat de voetweg achteraan hun tuinen werd afgeschaft. Zij kunnen nog een aantal procedurele stappen ondernemen, wat blijkbaar aanleiding geeft tot het besluit van de Bestendige Deputatie van 24.06.2004. Dit besluit wordt door de gemeente Brecht blijkbaar slechts enkele weken later ontvangen, aangezien de aanplakking pas gebeurt vanaf 18.07.2004. Deze aanplakking gebeurt niet op de daarvoor normaal voorziene plaats in de aankondigingskasten voor het gemeentehuis, maar zou wel gebeurd zijn in een kast waar reclame wordt gemaakt en culturele evenementen worden voorgesteld, in het gemeentehuis. Verzoekers, die het besluit van de Bestendige Deputatie afwachten, werden op die manier verschalkt in hun mogelijkheid om kennis te nemen van het besluit van de Bestendige Deputatie. Het bestreden Ministerieel Besluit verwijst zelfs naar deze procedurefouten van de gemeente Brecht, maar hecht daar verder geen belang aan. 6. Het bestreden Ministerieel Besluit maakt een bestuurshandeling uit overeenkomstig (...) de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. X-12.265-3/9 De Minister dient dus zijn besluiten op gemotiveerde wijze te nemen. Dit is niet gebeurd, minstens is dit gebeurd op een zeer gebrekkige wijze. Het Hof van Cassatie heeft, naar aanleiding van een schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechterlijke beslissingen, geoordeeld dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en dat de uitspraak werd beredeneerd (Cass. 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). Naar analogie kan besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, dit leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en dit bewijst dat de Minister de hem voorgelegde middelen niet zorgvuldig heeft onderzocht en zijn besluit niet heeft beredeneerd. Nu er in casu sprake is van enerzijds een onjuiste en anderzijds een gebrek aan motivering in het Besluit, moet men besluiten dat de aan de Minister voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden. De Minister gaat uit van bijzonder eenzijdige gegevens omtrent het feit dat de buurtweg reeds vele jaren niet meer gebruikt zou worden. Nochtans blijkt uit de stukken van (v)erzoekers dat de bedding van de buurtweg nog zeer goed zichtbaar is (...). Op deze foto's is tevens zeer goed te zien dat de erven Meeusen, verkavelaars van de aan de buurtweg aanpalende gronden, er alles aan doen om de voetweg zo onduidelijk mogelijk te maken (verplaatsing en wegnemen van grenspalen, grondophogingen, enz.). Het argument van de Minister, dat het behoud van de voetweg hier geen meerwaarde heeft gezien de parallelle weg Kleipikker slechts 25 m verder ligt, is manifest onjuist en onlogisch. De Kleipikker is voor (v)erzoekers maar te bereiken via de voetweg ... Zonder de voetweg is de Kleipikker voor (v)erzoekers onbereikbaar. Ook de redenering dat een van de vacante bouwkavels moeilijk bebouwbaar zou zijn vanwege de buurtweg is niet correct. Het plan van landmeter Van Hove is niet helemaal juist, in de zin dat het traject van de buurtweg iets meer noordelijker loopt en dus veel dichter bij de grens van kavel 893v loopt, dan het plan doet uitschijnen. Een goede ruimtelijke ordening had ingehouden dat de voetweg niet werd afgeschaft, doch nog wat meer naar het noorden werd verlegd. Het argument van de Minister, dat er geen bezwaar werd ingediend tijdens het openbaar onderzoek, strookt niet met de werkelijkheid. Er is geen openbaar onderzoek gebeurd, minstens hadden (v)erzoekers daar geen kennis van. Op geen enkel moment werden zij in kennis gesteld van het voornemen om de buurtweg af te schaffen, laat staan dat er aankondigingen werden geplaatst op het terrein zelf. Nu, na alle voorgaande administratieve overheden, ook de Minister een beslissing neemt, waardoor de percelen van (v)erzoekers volledig ingesloten komen te liggen, kan men hier bezwaarlijk spreken van een goede ruimtelijke ordening. 7. De administratieve overheden die in dit dossier al zijn opgetreden maken zich schuldig aan machtsafwending, machtsoverschrijding en schenden de beginselen van behoorlijk bestuur. Deze overheden hebben immers getracht door de genomen beslissingen in dit dossier, de verkavelaars Meeusen te bevoordelen, ten nadele van (v)erzoekers. Voorts dient verwezen te worden naar de manier waarop de diverse overheden de feitelijke gegevens van dit dossier stelselmatig verkeerd hebben beoordeeld. B. Besluit X-12.265-4/9 Het bestreden Ministerieel Besluit van 25.01.2005 dient vernietigd te worden wegens het feit dat in de beslissing vastgesteld wordt dat er een aantal procedurefouten gemaakt zijn tijdens de afschaffing van buurtweg 149, wegens het feit dat het Besluit niet of niet afdoende is gemotiveerd en gesteund is op niet afdoende grondig onderzochte gegevens waardoor belangrijke vergissingen zijn begaan, waardoor het Besluit ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de zo r g vuldigheidsplicht , de r edelijkheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel, schendt. Bovendien zal uit het grondig onderzoek ten gronde blijken dat de afschaffing van buurtweg nr. 149, waartoe beslist wordt in het bestreden Ministerieel Besluit, voorbarig is, aangezien de voetweg nog steeds een functie te vervullen heeft. Daarom verzoeke(

  1. n)(v)erzoekers thans om de schorsing, wegens het aanwezig zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel."; Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekende partijen voorhouden, uit de gegevens van de zaak blijkt dat het door artikel 28, eerste lid, van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen opgelegde openbaar onderzoek wel degelijk werd gehouden; dat het middel in zoverre feitelijke grondslag blijkt te missen; Overwegende voorts dat de bestendige deputatie in zitting van 24 juni 2004 heeft besloten de voetweg nr. 149 uit de atlas der buurtwegen van de gemeente Brecht gedeeltelijk af te schaffen "zoals door de gemeenteraad van Brecht wordt voorgesteld in zitting van 13 mei 2004, overeenkomstig voorgebracht plan opgemaakt door landmeter Eric Van Hove"; dat dit plan als "bijlage" bij het besluit van de bestendige deputatie is gevoegd; dat de gemeenteraad van Brecht in zitting van 13 mei 2004 heeft besloten definitief akkoord te gaan "om over te gaan tot het gedeeltelijk afschaffen van de voetweg nr. 149 zoals aangevraagd door Jan Snels, Meeusen Maria en Meeusen Rita", dit "gelet op het ingediende dossier ter afschaffing van een gedeelte van de voetweg nr. 149 houdende uittreksel uit de kadasterplannen waarop de voetweg nr. 149 staat aangeduid, evenals de af te schaffen gedeelten op zich, gekend te kadaster onder Sectie C 893 v en Sectie D 893 r voor een oppervlakte van 84 m²"; dat in zoverre verzoekende partijen aanvoeren dat uit het besluit van de bestendige deputatie op geen enkele manier op te maken is welk deel van de voetweg nu afgeschaft is, het middel eveneens feitelijke grondslag blijkt te missen; Overwegende dat, indien men uit de bewoordingen van voormeld gemeenteraadsbesluit zou kunnen afleiden dat de gemeenteraad over de gedeeltelijke afschaffing van de voetweg nr. 149 zou hebben beslist, daar waar voormeld artikel 28 X-12.265-5/9 bepaalt dat de bestendige deputatie van de provincieraad beslist over de aanleg, de afschaffing of de wijziging van een buurtweg, te dezen uit de bewoordingen van het besluit van 24 juni 2004 van de bestendige deputatie, met name : "Artikel 1. Voetweg nr. 149 uit de atlas der buurtwegen van Brecht wordt gedeeltelijk afgeschaft zoals door de gemeenteraad van Brecht wordt voorgesteld in zitting van 13 mei 2004, overeenkomstig voorgebracht plan opgemaakt door landmeter Eric Van Hove", niet anders lijkt te kunnen worden besloten dan dat de bestendige deputatie zelf de beslissing heeft genomen over de gedeeltelijke afschaffing van de voetweg nr. 149 en zij terecht het gemeenteraadsbesluit van 13 mei 2004 heeft aangemerkt als een voorstel, zoals ook vermeld in de aanhef van haar besluit, waarin onder meer wordt verwezen naar "het besluit van de gemeenteraad van Brecht van 13 mei 2004 dat definitief voorstelt om voetweg nr. 149 gedeeltelijk af te schaffen."; dat het middel in zoverre evenmin ernstig is; Overwegende, wat betreft de door verzoekende partijen aangevoerde gebrekkige bekendmaking van het besluit van de bestendige deputatie waardoor zij werden "verschalkt in hun mogelijkheid om kennis te nemen van (dit) besluit", dat dient te worden vastgesteld dat dit gebrek hen niet heeft belet om tijdig beroep in te stellen bij de bevoegde Vlaamse minister; dat deze laatste dan ook op het eerste gezicht vermocht voorbij te gaan aan de door hen ter zake opgeworpen argumentatie; Overwegende dat, wanneer de bevoegde Vlaamse minister op grond van voormeld artikel 28 over een beroep uitspraak doet, hij optreedt niet als rechter maar als orgaan van het actief bestuur; dat artikel 149 van de Grondwet luidens welk elk vonnis met redenen is omkleed niet op zodanige uitspraken van toepassing is; dat anderzijds de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partijen in hun beroepsschrift enkel het gebrek aan openbaar onderzoek en de gebrekkige bekendmaking van het besluit van de bestendige deputatie hebben X-12.265-6/9 aangeklaagd; dat zij in dat beroepsschrift geen kritiek hebben geuit op de motivering van het besluit van de bestendige deputatie inzonderheid waar deze verwijst naar de motivering van het besluit van de gemeenteraad van Brecht waarin uitdrukkelijk wordt overwogen "dat deze voetweg nr. 149 reeds vele jaren niet meer gebruikt wordt" zodat "een gedeeltelijke afschaffing verantwoord (is)"; dat in de gegeven omstandigheden thans door de verzoekende partijen niet dienstig kan worden ingeroepen dat "de Minister (uitgaat) van bijzonder eenzijdige gegevens omtrent het feit dat de buurtweg reeds vele jaren niet meer gebruikt zou worden" nu uit de door hen neergelegde stukken blijkt "dat de bedding van de buurtweg nog zeer goed zichtbaar is"; dat immers bij gebrek aan enig in het beroepsschrift aangevoerd en concreet gestaafd gegeven ter zake op het eerste gezicht niet kan worden ingezien waarom de bevoegde Vlaamse minister, gelet op het hem voorgelegde dossier, inzake het gebruik van het litigieuze gedeelte van de voetweg tot een ander besluit had kunnen en moeten komen; dat verzoekende partijen overigens het motief van het bestreden besluit, met name "dat de weg al vele jaren niet meer gebruikt wordt" niet blijken te betwisten; dat ook blijkt dat, ingevolge een eerdere gedeeltelijke afschaffing, het gebruik van de voetweg als verbindingsweg naar en van de Dorpsstraat reeds sedert 11 augustus 1937 niet meer mogelijk was, zodat enkel de aangelanden van het niet afgeschafte gedeelte er nog enig nut van konden hebben, en dat geen van de eigendommen van de aangelanden van het afgeschafte gedeelte van de buurtweg hierdoor ingesloten blijken te raken; dat, aangezien verzoekende partijen zich in hun beroepschrift enkel hebben beklaagd over het gebrek aan openbaarmaking en een gebrekkige bekendmaking van het deputatiebesluit van 24 juni 2004, het motief dat "het behoud van de voetweg hier geen meerwaarde heeft, gezien de parallelle weg 'Kleipikker' 25 meter verder ligt" uiteraard geen betrekking heeft op hun percelen, maar op de kadastrale percelen nrs. 893r en 893v, welke ingevolge de aanleg van de Kleipikker een aansluiting hebben op de openbare weg; dat het motief vermeld in het bestreden besluit dat de afschaffing van de buurtweg "ruimtelijk aanvaardbaar is" op het eerste gezicht vreemd is aan de toepassing van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen; dat overeenkomstig deze wet enkel dient te worden geoordeeld over het nut van het behoud van een volgens die wet erkende buurtweg, en dat tot de afschaffing ervan kan worden besloten zo dient te worden aangenomen dat deze weg niet meer als zodanig wordt gebruikt; dat voormeld motief op het eerste gezicht een overtollig motief is, waarvan de eventuele onwettigheid niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; X-12.265-7/9 Overwegende ten slotte dat de omstandigheid dat de betwiste afschaffing van een gedeelte van de voetweg nr. 149 ten goede komt aan de "verkavelaars Meeusen" op zich machtsafwending niet aannemelijk maakt, te meer daar verzoekende partijen het motief voor deze afschaffing, met name "dat de weg al vele jaren niet meer gebruikt wordt" niet blijken te betwisten; Overwegende dat het eerste en enig middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.265-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.265-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.642 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.506 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.