← België

Arrest 147647 - - 13/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.647 Rolnummer: A. 64634/X-10160 Zaak: Arrest 147647 - - 13/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 22:05 Fiche Arrest nr 147.647 van 13 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.647 van 13 juli 2005 in de zaak A. 64.634/X-10.

  1. In zake : Richard GODTS, die woonplaats kiest bij Advocaat J. STIJNS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN, Ubicenter, Philipssite 5 tegen : de gemeente HERENT, die woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
  2. tussenkomende partij : Karel VANAENROYDE, die woonplaats kiest bij Advocaten H. SMEYERS en J. GOEDHUYS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN, Ambachtenlaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Richard GODTS op 24 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 november 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herent, waarbij aan Karel VANAENROYDE de vergunning wordt verleend voor "het uitvoeren van omgevingswerken rond de woning en het plaatsen van een afsluiting", op een perceel gelegen te Herent, Kerselarenweg 6, kadastraal bekend Sectie K, nr. 114b; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 22 maart 1996 ingediend door Karel VANAENROYDE; Gelet op de beschikking van 11 april 1996 die de tussenkomst van Karel VANAENROYDE toelaat; X-10.160-1/6 Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 21 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VAN HOECKE die, loco Advocaat J. STIJNS verschijnt voor verzoeker, van Advocaat F. DE PRETER die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat H. SMEYERS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker, anticiperend op een exceptie ratione temporis, in het verzoekschrift tot nietigverklaring stelt dat hij "op 5.05.1995 (...) een schrijven richtte naar het gemeentebestuur van Herent voor enige verduidelijking, nadat hij vernomen had van rijkswachters dat er een bouwvergunning werd afgeleverd", dat "op 31.05.1995 (...) een antwoord (werd) verstuurd door de gemeente zodanig dat de vervaltermijn enkele dagen nadien is beginnen lopen en dat huidig verzoekschrift binnen de 60 dagen is neergelegd", dat verzoeker in zijn toelichtende memorie hieraan toevoegt dat hij "op 02.10.1995 (...) een schrijven (richtte) naar het gemeentebestuur van Herent voor enige verduidelijking, nadat hij vernomen had dat er een bouwvergunning zou zijn afgeleverd, doch zonder dat hij hieromtrent enige zekerheid had", dat "op 18.10.1995 (...) een antwoord (werd) X-10.160-2/6 verstuurd door de gemeente zodanig dat de vervaltermijn enkele dagen nadien is beginnen lopen en dat huidig verzoekschrift binnen de 60 dagen is neergelegd"; Overwegende dat de tussenkomende partij de laattijdigheid van het annulatieberoep opwerpt aangezien het verzoekschrift werd ingediend op 24 juli 1995, terwijl verzoeker reeds door bemiddeling van zijn raadsman bij brief van 21 februari 1995 bij het gemeentebestuur van Herent heeft geprotesteerd tegen de terrasaanleg die intussen door verzoeker overeenkomstig de bouwvergunning van 23 november 1994 werd uitgevoerd; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie repliceert als volgt : "b. In casu zijn de tussenkomende partij en de Auditeur van oordeel dat het door verzoeker op 24.07.1995 ingestelde annulatieberoep laattijdig werd ingesteld, nu bij schrijven dd. 28.04.1995 vanwege de gemeente aan de raadsman van verzoeker werd meegedeeld dat er voor kwestieuze werken op 23.11.1994 een bouwvergunning (het bestreden besluit) werd afgeleverd aan de heer VANAENROYDE. Vooreerst dient opgemerkt dat dit schrijven van de gemeente niet gericht was aan verzoeker persoonlijk doch aan de raadsman van verzoeker, waar het slechts eind april - twee maanden na aanvraag - is toegekomen, zodat verzoeker niet ten kwade kan worden geduid dat hij enkele dagen later - nog voor hij het schrijven dienaangaande van zijn raadsman ontving - bij aangetekend schrijven dd. 03.05.1995 zelf de gemeente om de nodige informatie vroeg. Het is niet omdat verzoeker dus begin mei 1995 via zijn raadsman op de hoogte was van het bestaan van een bouwvergunning, dat hij ook feitelijk kennis had van de precieze inhoud en draagwijdte ervan. Het feit dat verzoeker de gemeente om bijkomende informatie heeft verzocht en deze informatie - hem verstrekt bij schrijven dd. 31.05.1995, zijnde een maand later - heeft afgewacht alvorens zijn beroep in te stellen, kan niet als een nalatigheid bestempeld worden. (...) De stelling van de Auditeur dat eveneens rekening dient te worden gehouden met het gegeven dat verzoeker reeds medio februari 1995 had vastgesteld dat er werken werden uitgevoerd, kan niet worden bijgetreden, nu het uitvoeren van (ophogings)werken niet noodzakelijk duidt op het aanvatten van een bouwwerk noch op het bestaan van een vergunning. (...) Er wordt in casu dan ook niet bewezen dat verzoeker feitelijk kennis had of diende te hebben van kwestieuze vergunning vóór eind april 1995, conform het schrijven dd. 28.04.1995 van de gemeente aan zijn raadsman. Dan nog dient erkend te worden - conform de rechtspraak van Uw Raad - dat verzoeker sindsdien over een redelijke termijn dient te beschikken om de precieze inhoud en draagwijdte van deze vergunning te achterhalen, waarna hij wettelijk over 60 dagen beschikt om een tijdig annulatieberoep in te stellen. Theoretisch komt dit in casu neer op het feit dat verzoeker 60 dagen vóór 24.07.1995, zijnde 23.05.1995, de vereiste feitelijke kennis diende te hebben van het bestreden besluit, zodat geoordeeld dient te worden dat verzoeker wel degelijk binnen een redelijke termijn het nodige heeft gedaan om de precieze inhoud en draagwijdte te achterhalen van het bestreden besluit. X-10.160-3/6 Het beroep dient derhalve wel degelijk ontvankelijk te worden verklaard, nu geenszins bewezen is dat verzoeker meer dan 60 dagen vóór de indiening van zijn beroep kennis had of in redelijkheid diende te hebben van het bestreden besluit."; Overwegende dat de bestreden bouwvergunning noch bekendge- maakt, noch aan derden diende betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop verzoeker er kennis van had of geacht moest worden er kennis van te hebben kunnen nemen; dat het niet in de macht van een potentiële verzoeker mag liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien; dat het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, meebrengen dat diegene die meent te worden benadeeld door een bouwvergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, wordt geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven bouwvergunning; dat eens die redelijke termijn verstreken, de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang neemt; dat die termijn alleszins niet begint te lopen de dag dat de belanghebbende kennis krijgt van het grievend karakter van de vergunning; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker door bemiddeling van zijn raadsman bij brief van 21 februari 1995 bij het gemeentebestuur van Herent protesteert tegen de terrasaanleg die intussen door de tussenkomende partij overeenkomstig de bouwvergunning van 23 november 1994 werd uitgevoerd; dat hij derhalve minstens op dat ogenblik op de hoogte was van de X-10.160-4/6 werken en redelijkerwijze diende te weten dat voor de uitvoering van deze werken een bouwvergunning is vereist; dat hij zich toen reeds binnen een redelijke termijn ten gemeentehuize had moeten begeven om zich ervan te vergewissen of een vergunning al dan niet was afgeleverd; dat de stelling van verzoeker dat hij zich pas met voldoende feitelijke kennis van zaken een juist oordeel heeft kunnen vormen over de omvang en de inhoud van de bestreden bouwvergunning, nadat de gemeente Herent op 28 april 1995 enige verduidelijking gaf omtrent deze bestreden bouwvergunning niet opgaat; dat hij immers krachtens voornoemd artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 gerechtigd is ten gemeentehuize inzage te nemen van de bouwvergunning en zich derhalve alleszins reeds op dat ogenblik een oordeel had kunnen vormen over de omvang en de inhoud van de bouwvergunning; dat het beroep tot nietigverklaring is ingesteld op 24 juli 1995, dit is alleszins meer dan 60 dagen nadat verzoeker eind februari 1995 kennis had of alleszins had kunnen hebben van de bestreden bouwvergunning; dat het beroep tot nietigverklaring buiten termijn is ingesteld; dat de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-10.160-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juli 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.160-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.