id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.649 Rolnummer: Zaak: Arrest 147649 - - 14/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 22:06 Fiche Arrest nr 147.649 van 14 juli 2005 - Beslissing : heropening debatten Samenvoeging Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.649 van 14 juli 2005 in de zaken A. 72.692/XII-
- A. 75.504/XII-
- In zake : Thierry LOGGHE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. tussenkomende partij (in de zaak A. 75.504/XII-263) : André DECEUNINCK, wonende te Gistel, Sneeuwwitjesstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Thierry Logghe op 30 december 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de federale minister van Binnenlandse Zaken dd. 21 oktober 1996, medegedeeld aan verzoeker door de Gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen bij aangetekend schrijven dd. 4 november 1996, waarbij beslist werd dat de procedure van de voordracht van kandidaten voor het vacante ambt van commissaris van politie dient hernomen te worden”; (A. 72.692) Gezien het verzoekschrift dat Thierry Logghe op 29 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Koninklijk Besluit van 23 juni 1997, waarbij dhr Deceuninck André wordt benoemd tot politiecommissaris van de Stad Gistel, ter kennis gebracht aan verzoeker bij schrijven van de Stad Gistel dd. 8 juli 1997, ontvangen op 15 juli 1997”; (A. 75.504) Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst in de zaak A.75.504/XII-263 van 9 maart 1998; XII-2924-1/12 Gelet op de beschikking van 20 maart 1998 die de tussenkomst van André Deceuninck toelaat in de zaak A. 75.504/XII-263; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikkingen van 6 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 6 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2004; Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 21 december 2004, op welke datum de zaak andermaal is uitgesteld tot de terechtzitting van 18 januari 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor verzoeker, van attaché I. De Paepe, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. Vanlerberghe, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaken. 1.
- Op 28 september 1995 beslist de gemeenteraad van de stad Gistel de betrekking van commissaris van politie-korpschef vacant te verklaren. XII-2924-2/12 1.
- Verzoeker, politieagent-brigadier van het politiekorps van de stad Gistel, stelt zich samen met veertien anderen kandidaat voor de vacante betrekking van politiecommissaris. 1.
- Op 20 november 1995 verleent de politiecommissaris van de stad Gistel een gunstig advies betreffende verzoekers kandidatuur. 1.
- Op 21 december 1995 beslist de gemeenteraad van de stad Gistel verzoeker als eerste kandidaat voor het ambt van commissaris van politie bij de gouverneur voor te dragen en dit op grond van de navolgende overwegingen : “Overwegende de belangrijke troeven die kandidaat Thierry Logghe kan voorleggen : - hij was sterk gemotiveerd om politieambtenaar te worden en is sterk gemotiveerd om zich binnen zijn politieambt te vervolmaken : hij trad in dienst op 1 september 1991 na zich vroeger reeds kandidaat te hebben gesteld bij het Gistelse politiekorps/onmiddellijk na het opnemen van zijn functie heeft hij alle mogelijke initiatieven genomen om zich te vervolmaken (cf. zijn opeenvolgende opleidingen aan de West-Vlaamse respectievelijk Oost- Vlaamse politieschool) - tijdens de uitoefening van zijn opdrachten heeft hij zich betoond als een zelfstandig werkende ambtenaar die eigen initiatieven neemt, besluitvaardig is en de vereiste discretie aan de dag legt - hij is een ambtenaar die zich uitstekend documenteert en die gericht is op een permanente zelfstudie - hij heeft de juiste ingesteldheid om uit te groeien tot een bekwame, leidinggevende politieambtenaar/binnen het tweede jaar officierenopleiding kwam het luik Als tweede kandidaat draagt diezelfde gemeenteraad vervolgens Freddy Thollebeek voor. De burgemeester laat in een brief van 3 januari 1996 weten aan de provinciegouverneur en aan de minister van binnenlandse zaken dat hij geen derde kandidaat voordraagt. XII-2924-3/12 1.
- Bij schrijven van 2 februari 1996 aan de minister van justitie adviseert de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent “gunstig” betreffende beide voorgedragen kandidaten. Bij schrijven van 29 januari 1996 aan de procureur-generaal sluit ook de procureur des konings te Brugge zich aan bij de voorgestelde rangorde, “in die zin dat de eerste kandidaat duidelijk de voorkeur geniet boven de tweede gezien zijn studie-antecedenten”. 1.
- Bij brief van 7 februari 1996 zendt de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen de minister het administratief dossier betreffende de zaak over, met een gunstig advies voor beide kandidaten. 1.
- Bij brief van 26 maart 1996 meldt de politiecommissaris-korpschef van de politie te Gistel de minister dat hij zijn vertrouwen in de persoon van verzoeker niet meer kan handhaven “ingevolge het zonderling en abnormaal gedrag van deze persoon in de loop van de laatste drie weken”. 1.
- Bij schrijven van 22 april 1996 meldt diezelfde korpschef de minister dat sedert enkele dagen “op de houding” van verzoeker “zowel in de publieke omgang als binnen het korps geen ongunstige opmerkingen dienen vermeld”. Hij blijft naar eigen zeggen wel met de vraag “of zijn positieve ingesteldheid in de toekomst zal kunnen worden bevestigd of dat zijn huidige houding met het voorlopig uitblijven van een definitieve beslissing vanwege Uw Departement te maken heeft”. 1.
- Bij brief van 30 april 1996 verzoekt de minister de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen “in het licht van de voormelde brieven van de [...] politiecommissaris-korpschef van de stad Gistel” “eventueel na een bijkomend onderzoek” een aanvullend advies te verstrekken over de kandidatuur van verzoeker. 1.
- Bij schrijven van 13 juni 1996 deelt de gouverneur de minister mede : “In aansluiting bij mijn brief van 7 februari 1996, waarbij u het dossier werd bezorgd betreffende de voordracht van heren Thierry Logghe en Freddy Thollebeek als kandidaten voor het ambt van commissaris van politie te Gistel, ben ik zo vrij u het volgende mede te delen. XII-2924-4/12 Na een bijkomend onderzoek en een gesprek met de burgemeester van Gistel, ben ik tot de conclusie gekomen mijn advies nopens de eerste kandidaat, de heer Logghe, te moeten vervolledigen en aanpassen. De heer Logghe werd geboren in 1964 en is met zijn 32 jaar een eerder jong kandidaat voor de functie van korpschef. Hij is slechts op 27-jarige leeftijd in dienst getreden bij het plaatselijk korps. Zijn loopbaan was tot op heden bijna uitsluitend gericht op het behalen van het brevet van officier van de gemeentepolitie. Daardoor heeft hij onvoldoende ervaring kunnen opdoen in een leidinggevende functie om reeds op dit ogenblik in aanmerking te komen voor een benoeming. Ook zijn bedenkingen i.v.m. de Interpolitiezones doen mij besluiten dat hem de nodige rijpheid ontbreekt. Ik stel voor dat de gemeenteraad van Gistel een nieuwe eerste kandidaat zou aanduiden”. 1.
- Bij schrijven van 21 oktober 1996 deelt de minister de gouverneur mede : “Bij schrijven van 7 februari 1996 en 13 juni 1996 maakte U mij een dossier over met betrekking tot de voordracht van de Heren Logghe Thierry en Thollebeek Freddy als kandidaten voor het ambt van politiecommissaris van de stad Gistel. Uit het onderzoek blijkt dat het dossier tegenstrijdige adviezen bevat, en dit in hoofde van meerdere instanties. Ik meen bijgevolg niet in de mogelijkheid te zijn om een beslissing te kunnen nemen betreffende de twee voorgedragen kandidaturen. Gelet derhalve op het geheel van het dossier zoals dit momenteel voorligt, verzoek ik U om dit dossier, dat ik U bijgaand toezend, over te maken aan de gemeenteraad van Gistel met het verzoek om de procedure van voordracht van kandidaten voor het vacante ambt van politiecommissaris te hernemen.”. Dit is de in de zaak A. 72.692/XII-2924 door verzoeker bestreden handeling. 1.
- Op 14 november 1996 beslist de gemeenteraad van de stad Gistel de betrekking van commissaris van politie-korpschef opnieuw vacant te verklaren. 1.
- Zestien kandidaten, waaronder verzoeker, dienen een kandidatuur in. 1.
- Op 27 februari 1997 beslist de gemeenteraad andermaal verzoeker als eerste kandidaat voor het in geschil zijnde ambt voor te dragen en dit op grond van de volgende overwegingen : “Overwegende de belangrijke troeven die kandidaat Thierry Logghe kan voorleggen : XII-2924-5/12 - hij was sterk gemotiveerd om politieambtenaar te worden en is sterk gemotiveerd om zich binnen zijn politieambt te vervolmaken : hij trad in dienst op 1 september 1991 na zich vroeger reeds kandidaat te hebben gesteld bij het Gistelse politiekorps/onmiddellijk na het opnemen van zijn functie heeft hij alle mogelijke initiatieven genomen om zich te vervolmaken (cf. zijn opeenvolgende opleidingen aan de West-Vlaamse respectievelijk Oost- Vlaamse politieschool) - tijdens de uitoefening van zijn opdrachten heeft hij zich betoond als een zelfstandig werkende ambtenaar die eigen initiatieven neemt, besluitvaardig is en de vereiste discretie aan de dag legt - hij is een ambtenaar die zich uitstekend documenteert en die gericht is op een permanente zelfstudie - hij heeft de juiste ingesteldheid om uit te groeien tot een bekwame, leidinggevende politieambtenaar/binnen het tweede jaar officierenopleiding kwam het luik Als tweede kandidaat draagt diezelfde gemeenteraad thans André Deceuninck voor. 1.
- Bij schrijven van 10 maart 1997 deelt de burgemeester de gouverneur mede Xavier Proot als derde kandidaat voor benoeming voor te dragen. 1.
- Bij brief van 7 maart 1997 zendt de gouverneur de minister het administratief dossier betreffende de in geschil zijnde benoemingsprocedure over. Hij adviseert dan : “Vertrekkende van de criteria leeftijd, politionele ervaring en huidige graad bij de gemeentepolitie, adviseer ik de heer André Deceuninck voor te dragen voor de benoeming tot commissaris van politie te Gistel. Hij is de oudste in leeftijd, heeft de meeste anciënniteit bij de politie en bekleedt de graad van adjunct-commissaris van politie. Op basis van deze objectieve criteria ben ik van oordeel dat hij de meeste waarborgen biedt”. 1.
- Bij schrijven van 13 mei 1997 zendt de minister van justitie zijn collega van binnenlandse zaken het advies van 6 mei 1997 van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent over. XII-2924-6/12 Dit advies luidt als volgt : “Ik heb de eer U hierbij ter kennis te brengen dat de heren Logghe Thierry, politieagent-brigadier te Gistel, Deceuninck André, adjunct-commissaris van politie te Nieuwpoort en Proot Xavier, hoofdcommissaris eerste klasse te Ichtegem door de gemeenteraad te Gistel voorgedragen worden als kandidaten voor de vacante plaats van commissaris van politie. Ik adviseer gunstig met betrekking tot de voornoemde kandidaten. U vindt hierbij een desbetreffend verslag van de heer Procureur des Konings te Brugge. Ik sluit mij aan bij de door de Procureur des Konings vooropgestelde volgorde”. Het advies van de procureur des konings, verwoord in een schrijven van 28 april 1997 aan de procureur-generaal, luidt als volgt : “Advies : als men als objectieve maatstaf de maturiteit van de kandidaten kan aanwenden, dan lijkt het mij zo te zijn dat de voorgestelde volgorde dient gewijzigd te worden in de zin dat Deceuninck André als meest valabele kandidaat dient beschouwd te worden, gevolgd door Proot Xavier. Logghe Thierry dient als dusdanig dan buiten beschouwing gelaten te worden”. 1.
- Bij koninklijk besluit van 23 juni 1997 wordt André Deceuninck benoemd tot politiecommissaris van de stad Gistel, en dit op grond van de navolgende overwegingen : “Gelet op artikel 191 van de nieuwe gemeentewet gecodificeerd door het koninklijk besluit van 24 juni 1988; Gelet op de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, laatst gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984; Gelet op de beraadslaging van 27 februari 1997 van de gemeenteraad van Gistel; Gelet op het advies van de Gouverneur van de provincie West-Vlaanderen; Gelet op het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent; Gelet op de onderlinge vergelijking van de voorgedragen kandidaturen; Overwegende dat de Heer Deceuninck André aan de voorwaarden voldoet om te worden benoemd tot de graad van commissaris van politie, zoals opgelegd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graden van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 februari 1993; Overwegende dat de Heer Deceuninck André reeds een rijk gevulde beroepsloopbaan heeft (binnen twee verschillende korpsen) met 19 jaar dienstanciënniteit waarvan 9 jaar als adjunct-commissaris te Nieuwpoort; Overwegende dat hij voldoende aanpassingsvermogen heeft om zich in te leven in de diverse situaties waarmee hij als politieofficier geconfronteerd wordt; Overwegende dat hij in de hoedanigheid van politieofficier dikwijls de gelegenheid heeft gehad om de korpschef te vervangen; XII-2924-7/12 Overwegende dat hij hierdoor reeds in de praktijk heeft kunnen ervaren aan welke talrijke ambtsverplichtingen de korpschef onderworpen is; Overwegende dat hij voldoende fysisch en psychisch weerstandsvermogen heeft om de veeleisende en leidende functie aan te kunnen; Overwegende dat hij inzicht heeft in de hem voorgelegde problemen en steeds poogt in alle objectiviteit een oplossing te bereiken; Overwegende dat hij daarbij kan terugvallen op een ruime beroepservaring en zeer degelijke kennis van de diverse materies; Overwegende dat hij zelf nuttig gebruik maakt van zijn uitgebreide kennis maar deze ook kan overdragen aan zijn medewerkers; Overwegende dat hij zeer nauwgezet de laatste ontwikkelingen op politioneel en juridisch gebied volgt; Overwegende dat hij een duidelijke visie heeft op de prioriteiten die vanuit de korpsleiding moeten gesteld worden om een politiekorps efficiënt te leiden; Overwegende dat hij naar het politionele werkveld toe, het belang van het preventief optreden en het contact met de bevolking beklemtoont; Overwegende dat hij altijd zijn verantwoordelijkheid opneemt en zijn genomen beslissingen gesteund zijn op onpartijdigheid en onafhankelijkheid; Overwegende dat hij sociale contacten heeft, vlot is in de omgang en zijn mening goed kan verwoorden; Overwegende dat hij als inwoner van de stad Nieuwpoort vertrouwd is met de streek en haar problematiek; Overwegende dat zowel uit de adviezen van de provinciegouverneur van West-Vlaanderen, de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent als van zijn korpsoverste blijkt dat hij bekwaam en geschikt is het ambt van politiecommissaris uit te oefenen; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, hebben wij besloten en besluiten wij : Artikel 1 : de Heer Deceuninck André wordt benoemd tot politiecommissaris van de stad Gistel (arrondissement Oostende). [...]”. Dit is de beslissing die in de zaak A. 75.504 wordt bestreden;
- De samenvoeging. Overwegende dat in de beide zaken de procedures ter discussie worden gesteld die tot doel hadden tot de benoeming te komen van een politiecommissaris te Gistel; dat de beide zaken dienvolgens, in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partij betoogt, dienen te worden samengevoegd, weze het dat daarmee op generlei wijze reeds uitspraak wordt gedaan over het standpunt van de tussenkomende partij, dat de procedure onder nr. A.72.692 zonder enig voorwerp is of minstens geen enkele impact heeft op het verloop van de procedure onder nr. A.75.504 of op het voorwerp ervan; XII-2924-8/12
- Het actueel belang van verzoeker. Overwegende dat de verwerende partij in haar pleitnota ter terechtzitting in beide zaken en de tussenkomende partij in haar laatste memorie in de zaak nr. A. 75.504, actueel belang aan verzoeker ontzeggen; dat daarbij wordt verwezen, eensdeels, naar het feit dat de gemeente Gistel nu deel uitmaakt van de politiezone Gistel-Ichtegem-Jabbeke-Oudenburg-Torhout, dat het ambt van politiecommissaris te Gistel werd opgeheven en, anderdeels, dat verzoeker, na adjunct-politiecommissaris te Oostende te zijn geworden, sinds 1 april 2001 aldaar de graad van politiecommissaris bekleedt; dat verzoeker in zijn pleitnota ter terechtzitting daartegenover stelt dat zijn actueel belang nog bestaat, en dit ondersteunt door te verwijzen -en dit zelfs “eerst en vooral”- naar een morele schade die hij zou hebben geleden omdat hij in Gistel is geboren, er nog steeds woont en verkiest te werken in de politiezone waarvan Gistel deel uitmaakt, waar de reële functie-inhoud die hij in de nieuwe politiezone kan innemen, “per definitie ‘hoger’” is dan de functie-inhoud die hij te Oostende kan waarnemen, naar een hogere anciënniteit die hij had verworven “ware hij tot commissaris benoemd te Gistel” en naar een betere inschaling, namelijk in de weddeschaal 04 in plaats van 02, die als rechtsherstel zou kunnen voortvloeien uit de gevraagde nietigverklaringen; Overwegende dat het belang, waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en dat hij dat belang moet behouden tot aan de uitspraak; dat de aard van het belang weliswaar kan evolueren maar dat verzoeker minstens aannemelijk moet maken dat de gevorderde nietigverklaring hem nog een concreet voordeel oplevert; dat dit voordeel meer moet zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing; Overwegende dat in de zaak nr. A.75.504 de benoeming van een politiecommissaris van de gemeente Gistel wordt bestreden, en in de zaak nr. A. 72.692 de beslissing die heeft geleid tot de herneming van die benoemingsprocedure na de stopzetting van een vroegere voordracht; dat het voordeel dat verzoeker met de voorliggende beroepen oorspronkelijk nastreefde er essentieel in bestond, door de gevorderde nietigverklaringen, een nieuwe kans te verwerven om zélf benoemd te worden tot politiecommissaris te Gistel; dat verzoeker ondertussen evenwel zelf wel degelijk óók politiecommissaris is, weze het niet te Gistel maar te Oostende; dat zo bekeken, een nietigverklaring van de bestreden XII-2924-9/12 beslissingen verzoeker bijgevolg op het gebied van anciënniteit, inschaling en functie-inhoud thans niet méér kan opleveren dan hetgeen hij reeds met zekerheid op 1 april 2001 heeft verkregen door zijn eigen benoeming tot politiecommissaris; dat verzoekers argumentatie daaromtrent dienvolgens niet een actueel belang kan schragen, behoudens indien hij een of meer middelen zou aanvoeren die hem het reëel perspectief op een benoeming tot politiecommissaris op een eerdere datum bieden; Overwegende, voor zover er nog een onderscheid te maken valt tussen de plaats van tewerkstelling, dat daar dan weer tegenover staat dat het ambt van politiecommissaris te Gistel nu eenmaal niet meer te begeven is ingevolge de politiehervorming zodat het belang van verzoeker in elk geval niet meer bestaat in het nog ooit kunnen uitoefenen van het betrokken ambt te Gistel zelf, hetgeen niet hetzelfde is als in de politiezone waarvan de gemeente deel uitmaakt; Overwegende dat ten slotte nog het belang moet worden onderzocht in zoverre het als een moreel belang wordt aangebracht; dat verzoeker in zijn nota ter terechtzitting immers beweert dat hij “eerst en vooral” morele schade heeft geleden; dat dit belang niet wordt aanvaard, in zoverre het slaat op het enkele feit dat hij in een bevorderingsprocedure is voorbijgegaan; dat zulks op zichzelf immers niet krenkend is hetgeen te dezen des te meer geldt, nu verzoeker juist het voorrecht genoot tot tweemaal toe te zijn voorgedragen door de gemeenteraad van zijn gemeente; Overwegende dat verzoeker echter ook met andere gegevens zijn moreel belang invult; dat hij aldus spreekt van “de voordracht en de weigering van de voordrachten, alle betwistingen daaromtrent” die voorwerp zijn geweest van “perspolemieken”; dat hij in zijn verzoekschriften ook in bepaalde middelen verwijst naar deze persberichten en naar “lasterbrieven” waarvan hij slachtoffer is geweest; dat hij hiermee specifiek doelt op de gebeurtenissen die de minister er toe gebracht hebben om de procedure waarbij verzoeker de eerste maal was voorgedragen, te onderbreken, wat dan weer de beslissing is die verzoeker heeft aangevochten in de zaak nr. A. 72.692; dat deze bijzondere elementen in principe van aard kunnen zijn een nog altijd bestaand gekwalificeerd moreel belang te doen aannemen in hoofde van verzoeker; dat dit belang er wel toe beperkt is de gevorderde nietigverklaring te horen uitspreken op grond van welbepaald die middelen waarin de voormelde bijzondere elementen worden aangevoerd; XII-2924-10/12 Overwegende, samenvattend, dat verzoeker geacht kan worden bij zijn beroepen nog een actueel belang te hebben in zoverre zij steunen op middelen die, hetzij het vooruitzicht verschaffen, in geval van nietigverklaring op grond daarvan, op een benoeming tot politiecommissaris op een eerdere datum dan 1 april 2001, hetzij een onwettigheid aanvoeren ontleend aan omstandigheden die geacht moeten worden voor verzoeker speciaal zwaarwichtig te zijn;
- De grond van de zaak nr. A. 75.
- Overwegende dat, aangezien het onderzoek van het auditoraatsverslag beperkt is tot een onderdeel van het derde middel in deze tweede zaak, ook de Raad zijn onderzoek van de middelen tot dat onderdeel dient te beperken; dat in het onderdeel een schending van de formele-motiveringsplicht wordt aangevoerd doordat in het bestreden koninklijk besluit van 23 juni 1997 de benoemende overheid niet aangeeft waarom verzoeker, ondanks het feit dat hij als eerste was voorgedragen door de gemeenteraad, niet is benoemd; dat dit middelonderdeel in het auditoraatsverslag wordt bijgevallen; Overwegende dat, anders dan in het auditoraatsverslag wordt aangenomen, de gegrondheid van dit middelonderdeel en dus de nietigverklaring van de “eindbeslissing” niet zou meebrengen dat “de ganse complexe verrichting vanaf de procedure m.b.t. de nieuwe voordracht door de gemeenteraad en eindigend met of in de benoeming van een politiecommissaris door de Koning als zijnde een met machtsoverschrijding genomen complexe administratieve rechtshandeling in rechte vernietigd dient te worden, zodat derhalve het voorwerp van de eerste vordering van verzoeker mede het lot van het voorwerp van zijn tweede vordering dient te ondergaan”; dat verzoeker er terecht in zijn laatste memorie op wijst dat het eventuele rechtsherstel dient te verlopen “rekening houdende met het ogenblik van ontsporing en de pleger van de ontsporing”; dat het genoemde middelonderdeel louter verband houdt met een formele ontsporing op het moment van de benoemingsbeslissing zelf; dat het niets zegt over een eventuele onwettigheid van de eerste bestreden beslissing; dat een nietigverklaring op grond van dat middelonderdeel verzoeker dus geenszins ervan zou kunnen verzekeren dat de procedurele draad opnieuw wordt opgenomen dadelijk na de eerste voordracht; Overwegende dat, het in het auditoraatsverslag onderzochte middelonderdeel als zodanig, niet is in te passen in één van de twee hypotheses XII-2924-11/12 waarin verzoeker nog geacht kan worden over een actueel belang te beschikken; dat het onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A.72.692 en A. 75.504 worden gevoegd. Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt gelast met het nader onderzoek van de zaken. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2924-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.