id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.653 Rolnummer: A. 120894/XII-3645 Zaak: Arrest 147653 - - 14/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 22:07 Fiche Arrest nr 147.653 van 14 juli 2005 - Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.653 van 14 juli 2005 in de zaak A. 120.894/XII-
- In zake : Honoré MAES, die woonplaats kiest bij advocaat B. Blanpain, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan 106 tegen :
- de CVBA IBOGEM, die woonplaats kiest bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei 69
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat G. Lambert, kantoor houdende te Oostende, Batterijstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Honoré Maes op 15 mei 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1/ de beslissing van 3 januari 2002 van het directiecomité van de CVBA Ibogem om hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, 2/ de handhaving van die beslissing door het directiecomité bij besluit van 6 maart 2002, 3/ de verklaring van 5 april 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid om akkoord te gaan met de tuchtsanctie van het directiecomité, en 4/ de beslissing van 26 april 2002 van de raad van bestuur van de CVBA Ibogem waarbij het beroep tegen de tuchtstraf opgelegd door het directiecomité verworpen wordt en die tuchtstraf bevestigd wordt; XII-3645-1/14 Gelet op het arrest nr. 114.115 van 23 december 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de voormelde beslissing van 26 april 2002 van de raad van bestuur van de CVBA Ibogem wordt bevolen en de vordering voor het overige wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 20 januari 2003 ingediend door de eerste verwerende partij; Gezien het verzoek tot voortzetting van het geding van 21 januari 2003 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 2 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Blanpain, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat K. Lardenoit, die loco advocaat G. Lambert verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-3645-2/14 De feiten
- Overwegende dat het directiecomité van de eerste verwerende partij bij beslissing van 3 januari 2002 aan verzoeker, directeur, sinds 1 maart 1991 in dienst, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege oplegt wegens een reeks tuchtfeiten, ondergebracht onder zes rubrieken : “1.” onregelmatigheden in verband met de boekhouding en kas, ongeoorloofde inbreng van onkosten, overmatige kosten ten laste van Ibogem, “2.” dossier leasing Mercedessen, “3.” GSM-dossier, “5.” dossier SGS, “6.” gebruik tankkaarten, en “7.” functioneren van de heer Maes; dat dit de eerste bestreden beslissing is; Overwegende dat de beslissing op 7 februari 2002 door de regeringscommissaris wordt geschorst omdat hij “niet akkoord [kan] gaan met de strafmaat en met de motivering op grond van bijzonder ernstige tuchtfeiten”; dat hij daartoe in aanmerking neemt, eensdeels, “dat een aantal aangevoerde tuchtfeiten ofwel niet relevant zijn, ofwel handelingen betreffen die, zo al niet expliciet goedgekeurd, minstens gedoogd werden door het bestuur” en, anderdeels, dat verzoeker, “die in het verleden nooit werd terechtgewezen”, blijkbaar een goede staat van dienst heeft; dat het directiecomité het geschorste besluit op 6 maart 2002 rechtvaardigt en handhaaft; dat het de tweede bestreden beslissing betreft; Overwegende dat de schorsingsbeslissing van 7 februari 2002 niet door een vernietiging wordt gevolgd en de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid op 5 april 2002 meedeelt “akkoord [te] gaan met het standpunt van het directiecomité van [de] vereniging met betrekking tot de tuchtsanctie opgelegd aan de directeur”; dat het de derde aangevochten beslissing is; Overwegende dat de raad van bestuur op 26 april 2002 het beroep van verzoeker tegen de beslissing van het directiecomité verwerpt en die beslissing bevestigt; dat het besluit van 26 april 2002 het vierde voorwerp van het beroep is; Aangaande de eerste drie bestreden beslissingen
- Overwegende dat in het arrest over de vordering tot schorsing van de bestreden besluiten is geoordeeld dat de eerste drie bestreden beslissingen niet voor vernietiging en schorsing in aanmerking komen; dat het arrest de vordering in XII-3645-3/14 die mate verworpen heeft; dat weliswaar verzoeker een verzoek tot voortzetting heeft ingediend, maar in de memorie van wederantwoord nog slechts vraagt zijn beroep gegrond te verklaren in zoverre het tegen de vierde bestreden beslissing -die van 26 april 2002- gericht is; dat in het auditoraatsverslag wordt voorgesteld het beroep alleen gegrond te verklaren wat die beslissing aangaat en het voor het overige te verwerpen; dat, weer, in de laatste memorie, verzoeker nog slechts om de vernietiging van de beslissing van 26 april 2002 vraagt; Overwegende dat de Raad van State hieruit begrijpt dat verzoeker niet meer aandringt op de inwilliging van zijn beroep met betrekking tot de eerste drie bestreden beslissingen en dat hij wat die beslissingen betreft afstand van het geding doet; dat hierna dan ook geen aandacht meer wordt besteed aan de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij, auteur van de derde bestreden “beslissing”; Aangaande de vierde bestreden beslissing
- Overwegende dat verzoeker in een elfde middel onder meer uiteenzet dat “het tegen de beginselen van behoorlijk bestuur indruist dat de administratieve overheid zonder enige voorafgaande richtlijn, voorafgaande vaststelling van regel of voorafgaande aanmaning overgaat tot het opstarten van een tuchtonderzoek en het weerhouden van tuchtfeiten op basis van deontologische regels of verplichtingen die voorheen hetzij niet bestonden hetzij anders werden geïnterpreteerd en toegepast”; dat, nog volgens het middel, “door toedoen zelf van administratieve overheid een grijze zone is gecreëerd die zij wel kon inperken of corrigeren door middel van regelgevend of evaluerend optreden doch niet onmiddellijk door het weerhouden van tuchtfeiten”; Overwegende dat een twaalfde middel de verjaring van de tuchtvordering aanvoert, doordat verscheidene in aanmerking genomen tuchtfeiten op het ogenblik van het instellen van de tuchtvordering reeds meer dan zes maanden vastgesteld waren door, of bekend waren aan, de tuchtoverheid, onder meer in verband met het algemeen functioneren van verzoeker en de aankoop van de grijze Mercedes A; XII-3645-4/14 Overwegende dat in een dertiende middel wordt uiteengezet dat het algemeen functioneren van verzoeker niet als tuchtfeit in aanmerking kan worden genomen “in de mate dat dit functioneren geleid heeft tot een positieve evaluatie” en er nooit opmerkingen zijn gemaakt; Overwegende dat een vijftiende middel het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van fair play geschonden acht doordat verzoeker tuchtfeiten worden aangewreven “in weerwil van de jarenlange praktijk van toe[ge]staan zijn”; dat onder meer wordt toegelicht, met betrekking tot de restaurantbezoeken, dat het directie- comité en de raad van bestuur steeds een algemeen overzicht hebben gehad van wat aan restaurantkosten werd besteed, dat zij daar in het verleden nooit enige opmerking over gemaakt hebben jegens verzoeker, dat bij eerste verwerende partij een “algemene sfeer” heerste “waarbij regelmatig gekozen werd om op restaurant: een en ander te bespreken, iets te vieren, etc”; Overwegende dat verzoeker in een zestiende middel doet gelden dat de in aanmerking genomen tuchtfeiten weinig ernstig zijn en uit hun verband gerukt; dat dit volgens hem onder andere geldt voor de privérelatiegeschenken, de aankoop van de werfbril, en de leasing van een grijze Mercedes in het najaar 2000;
- Overwegende dat, in de memorie van antwoord, de eerste verwerende partij op het elfde middel antwoordt dat de bestrafte feiten “feiten [zijn] waarvan iedere rechtgeaarde ambtenaar weet of minstens moet weten dat ze niet kunnen worden geduld”, dat het niet is omdat iets niet uitdrukkelijk is verboden dat het zonder meer is toegelaten, dat dit zoveel temeer geldt nu Ibogem een relatief kleine intercommunale is en de vergelijking met wat in grote privébedrijven of in grote intercommunales gebeurt niet opgaat, dat het oordeel of er sprake is van een tuchtfeit in eerste instantie aan de tuchtoverheid toekomt en de Raad van State ter zake slechts een marginale toetsingsbevoegdheid uitoefent; Overwegende dat, voorts, de eerste verwerende partij de verjaring, aangevoerd in het twaalfde middel betwist; dat zij in verband met de kennis die de voormalige voorzitter van de feiten zou hebben gehad, opmerkt dat betrokkene vervangen is geworden lang voor het eerste onderzoek naar tuchtfeiten en voor de tuchtprocedure werd gestart, dat de voormalige voorzitter de draagwijdte van de inbreuk niet ten volle besefte, en dat hij met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales sinds 1 januari 2001 XII-3645-5/14 “eigenlijk geen deel meer uitmaakte van de (regelmatig samengestelde) tuchtoverheid”; Overwegende dat in repliek op het dertiende middel wordt gesteld dat het evaluatierapport alleen door de vorige voorzitter werd ondertekend, zodat het niet geldig en van generlei waarde is, dat daarenboven het verslag werd opgesteld “‘in tempore non suspecto’ vooraleer er van een tuchtonderzoek sprake was, met name in april 2001”, en dat de vorige voorzitter kennelijk geen kennis had van de “zeer concrete, individuele feiten” of “zeer specifieke feiten” die verzoeker als tuchtfeit verweten worden en die stuk voor stuk bewezen worden door concrete bewijsstukken; Overwegende dat aangaande het vijftiende middel de eerste verwerende partij in essentie repliceert dat haar niet kwalijk kan worden genomen dat zij de directeur gedurende jaren heeft laten werken zoals hij deed, aangezien zij van de feiten geen kennis had noch moest hebben, dat zij meteen een onderzoek heeft ingesteld van zodra haar geruchten over misbruiken ter ore kwamen, dat zij niet op de hoogte was of moest zijn van het feit dat verzoeker veelvuldige restaurantbezoeken aflegde die hij liet terugbetalen; Overwegende dat het zestiende middel volgens eerste verwerende partij voldoende weerlegd wordt door “de gemotiveerde tuchtbeslissing waarin zeer duidelijk wordt gemotiveerd waarom de aangehouden feiten tuchtfeiten zijn en waarom ze bewezen zijn”; dat in die motivering onder meer wordt gesteld dat de “zogenaamde” positieve evaluatie van verzoeker ongeldig is en bovendien niet uitsluit dat later tuchtfeiten aan het licht komen, dat in de tuchtbeslissing niet zozeer “het” functioneren in het algemeen als een tuchtfeit wordt beschouwd, “doch wel telkens zeer concrete, individuele feiten”, dat een bestuursorgaan van de intercommunale niet het kasboek moet uitpluizen, dat het onmogelijk is uit de jaarrekening af te leiden wat het aandeel is van verzoeker in de onkosten, dat het eventuele verzuim van de controle-organen om elk boekhoudkundig stuk en verantwoordingsbonnetje te onderzoeken niet goedpraat dat verzoeker tekortschoot, dat verzoeker zeer vaak op restaurant is geweest op kosten van de intercommunale, dat dit overdreven is, dat de restaurantbezoeken niet steeds nodig waren, dat de minste aanleiding en de minste bespreking goed waren om op restaurant te gaan, dat het feit dat een en ander hem pas in de tuchtprocedure ten kwade geduid wordt een gevolg hiervan is “dat er nu pas voor het eerst een grondig onderzoek naar gevoerd werd en dit nu pas aan het XII-3645-6/14 licht is gekomen”, dat verzoeker op kosten van de intercommunale een aantal relatiegeschenken heeft aangeboden, dat een aantal uitnodigingen en geschenken een privékarakter hadden “wegens de goede relaties tussen partijen”, dat hij bij Optishop een gewone bril kocht, dat het om een privéuitgave gaat, dat verzoeker bij de aanschaf van de grijze Mercedes bijzonder vernuftig tewerk is gegaan om de bestuursorganen te omzeilen, dat de raad van bestuur niet telkens als een personeelslid met een nieuwe wagen verschijnt, een onderzoek moet voeren om na te gaan of de wagen door de intercommunale wordt betaald, dat uit de verklaring van voorzitter Baukeland duidelijk blijkt dat hij niet van de aanschaf van de grijze Mercedes op de hoogte was, dat uit zijn verklaring van 8 november 2001 blijkt dat de voorzitter “eigenlijk niet wist wat er gebeurde” en “niet ten volle de tuchtrechtelijke draagwijdte [besefte] van [wat] er eigenlijk was gebeurd”, dat aangezien de voorzitter de feiten niet als tuchtfeiten kwalificeerde, de verjaring niet begon te lopen en hij dit niet rapporteerde, dat het niet het algemene functioneren is dat als een tuchtfeit wordt verweten, “maar wel een aantal zeer specifieke feiten”, dat de tuchtfeiten die verzoeker ten laste worden gelegd “stuk voor stuk bewezen tuchtfeiten [zijn] (zie o.m. privé-eetmalen op kosten van Ibogem, privé- relatiegeschenken op kosten van Ibogem, privé-gebruik van goederen van Ibogem, leasing Mercedes zonder beslissing directiecomité en Raad van Bestuur, niet naleven wetgeving overheidsopdrachten, privé-gebruik wagens op kosten van Ibogem, niet- naleving statuut inzake evaluaties...)”; Overwegende dat in de laatste memorie de eerste verwerende partij nog beklemtoont dat de veelvuldige afwezigheden wegens restaurantbezoek slechts aan het licht konden komen door een nauwgezet onderzoek van kas en boekhouding, dat de leden van de bestuursorganen, voorzitter en secretaris inbegrepen, slechts uitzonderlijk aanwezig waren op de zetel van de vereniging en dan nog veelal buiten de normale werkuren, dat het jaarlijks nazicht van de boekhoudkundige stukken niet door de leden van de tuchtoverheid gebeurt, maar door de commissarissen en de commissaris-revisor, steekproefsgewijs en om na te gaan of de boekhouding correct wordt gevoerd en de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de toestand van de vennootschap, dat, wat de leasing van de grijze Mercedes betreft, de personele dualiteit tussen de voorzitter ten tijde van het leasingcontract en de voorzitter ten tijde van de tuchtprocedure niet uit het oog mag worden verloren, dat het “niet [is] omdat de vroegere voorzitter aanwijzingen had dat er misschien iets niet geheel was verlopen zoals het hoort dat de huidige tuchtoverheid, waar die vroegere voorzitter geen deel meer van uitmaakt, over voldoende en nauwkeurige informatie beschikte XII-3645-7/14 om de feiten tuchtrechtelijk te kunnen inschatten en bijgevolg de verjaringstermijn te doen lopen”;
- Overwegende dat de beslissing van 26 april 2002 van de raad van bestuur zes (groepen van) tuchtfeiten bewezen verklaart; dat hierna bij drie ervan wordt stilgestaan, met name de tuchtfeiten vermeld onder rubrieken 1.,
- en 7.; 6.
- Overwegende dat onder rubriek
- tegen verzoeker in aanmerking worden genomen: “[o]nregelmatigheden in verband met de boekhouding en de kas, ongeoorloofde inbreng van onkosten, overmatige kosten ten laste van Ibogem”; dat hem in dat verband onder meer wordt verweten dat hij overdreven veel op kosten van CVBA Ibogem op restaurant gaat eten met een of meer gasten, dat hij privé- relatiegeschenken op kosten van CVBA Ibogem geeft en dat hij ten laste van CVBA Ibogem een bril voor privé-doeleinden heeft gekocht; 6.
- Overwegende, wat de restaurantkosten betreft, dat de opgelegde tuchtstraf verzoeker aanwrijft op een onverantwoorde wijze met het vermogen van de eerste verwerende partij te zijn omgesprongen “door zeer veel lunchonkosten binnen te brengen, die eigenlijk nergens nodig voor waren”; dat verzoeker meent dat dit niet terecht als een tuchtfeit is bestempeld; Overwegende dat niet betwist is dat in beginsel verzoeker, als directeur, gerechtigd was restaurantkosten in rekening te brengen; dat evenmin betwist wordt dat daarover geen nadere instructies, of afspraken met hem, bestonden; dat, bij gebrek aan een duidelijke norm, verzoeker zelf moest appreciëren wat ter zake normaal was; dat het antwoord op de vraag of hij daarbij verkeerd heeft gehandeld, toekomt aan de overheid die de disciplinaire macht uitoefent, dus de eerste verwerende partij; Overwegende dat het immers aan de tuchtoverheid is om te oordelen of de feiten waarvan het bestaan genoegzaam vaststaat al dan niet als een tuchtfeit te beschouwen zijn; dat de Raad van State niet vermag zijn eigen opvatting daarover in de plaats van die van de overheid te stellen; dat hij, desgevraagd, echter wel dient na te gaan of de tuchtoverheid de feiten rechtmatig als tuchtfeiten heeft kunnen aanmerken; dat zulks onder meer vereist dat zij voldoende oog heeft gehad voor de concrete omstandigheden van de zaak en aldus bij de beoordeling van de feiten niet heeft nagelaten rekening te houden met hun relevante context; XII-3645-8/14 Overwegende dat in verband met die context moet worden vastgesteld dat verzoekers praktijk om vaak besprekingen op restaurant te voeren geenszins nieuw is; dat hij blijkens de bij het tuchtverslag gevoegde stukken opklimt tot nog vóór 1999; dat verwerende partij dan ook niet ten onrechte van “kennelijk een vast gedrag” gewaagt; dat bovendien verzoeker het gedrag steeds in alle openheid aan de dag heeft gelegd; dat niet blijkt of zelfs maar beweerd wordt dat hij het ooit op enigerlei wijze heeft trachten te camoufleren of geheim te houden; dat bijgevolg zijn neiging om “steevast” de minste aanleiding aan te grijpen voor een restaurantbezoek bezwaarlijk onopgemerkt kan zijn gebleven, niet alleen door de personeelsleden, maar bijvoorbeeld ook door de voorzitter van de intercommunale (J. Baukeland), die naar verluidt bij het bestuur een bureau had en er minstens één keer per week aanwezig was; dat dit des te meer geldt waar de CVBA Ibogem, naar eigen zeggen, een “kleine intercommale” is; dat niettemin het restaurantbezoek en de kostennota’s nooit opmerkingen hebben uitgelokt, ook niet bij het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen door de daartoe statutair bevoegde organen van de intercommunale; Overwegende dat, ter toelichting hierbij, in de tuchtbeslissing wordt gesteld “dat er nu pas voor het eerst een grondig onderzoek naar gevoerd werd en dit nu pas aan het licht is gekomen”; dat dit niet voldoet; dat één zaak is het grondig onderzoek naar verzoekers frequente restaurantbezoek en een andere het aan het licht komen van dat restaurantbezoek; dat de Raad van State weliswaar grif kan aannemen dat er niet eerder een grondig onderzoek is gevoerd naar verzoekers zogenaamd “riant Bourgondisch leven op kosten van de intercommunale”; dat, gelet op de concrete toedracht van de zaak evenwel, dit stilzitten van de eerste verwerende partij niet zozeer hierdoor te verklaren is dat verzoekers veelvuldige restaurant- bezoek haar niet eerder bekend was, maar wel dat er niet eerder aanstoot aan werd genomen; Overwegende dat in dit licht verzoeker er dan ook in redelijkheid mocht van uitgaan dat zijn gedrag om aan allerhande besprekingen een restaurant- bezoek te koppelen niet excessief en ontoelaatbaar was, en dat het hem niet zomaar eensklaps en voor het verleden als een disciplinaire fout zou worden aangerekend; dat het nochtans dat is wat de bestreden beslissing doet; dat in de gegeven omstandigheden verzoeker bijgevolg terecht betwist dat het in rekening brengen van “zeer veel” lunchkosten wegens besprekingen op restaurant, die “vaak evengoed” elders konden gebeuren, geldig als een tuchtfeit kan worden gekwalificeerd; XII-3645-9/14 6.
- Overwegende, wat het geven van de privé-relatiegeschenken aangaat, dat het vergrijp drie geschenken ten bedrage van elk (ongeveer) 2.000 frank blijkt te betreffen; dat het privékarakter van de geschenken volgens het tuchtbesluit voortvloeit uit “de goede relaties tussen partijen”; dat verzoeker dit betwist, zeggende dat er buiten de werksfeer geen contact tussen hem en de betrokkenen was; Overwegende dat de geschenken gegeven zijn bij het huwelijk van de projectmanager voor Fost Plus bij CVBA Ibogem, bij het huwelijk van de voorzitter van de milieuraad van een bij de intercommunale betrokken gemeente en bij het huwelijk van de dochter van de collega-directeur van een andere afvalintercommunale, Incovo; dat het aldus in principe waarschijnlijk mag heten dat de geschenken door zakelijke overwegingen, wegens verzoekers professionele activiteit, zijn ingegeven; dat het weliswaar ook anders kan zijn geweest en de cadeaus veeleer om redenen van persoonlijke vriendschap zijn aangeboden, maar de eerste verwerende partij zulks dan toch voldoende moet aantonen en staven; dat de eerste verwerende partij dat niet doet; dat immers noch de omstandigheid dat de echtgenote van verzoeker mee naar de receptie werd uitgenodigd, noch het feit dat niet genoeg zou zijn gespecificeerd dat het geschenk namens de intercommunale is gegeven, noch de vaststelling dat de voormelde dochter van de collega-directeur een achternicht blijkt van de echtgenote van verzoeker, van aard zijn een beslissende aanwijzing op te leveren voor het verondersteld privékarakter van de geschenken; dat de eerste verwerende partij het geven ervan niet terecht als een tuchtfeit heeft beschouwd; 6.
- Overwegende, wat ten slotte de bril betreft, dat daarvoor hetzelfde geldt; dat de bril volgens de tuchtstraf een “privé-uitgave” betreft, maar volgens verzoeker een “werfbril” is “met speciale omgezette oren”; dat, zo de bril niet die “omgezette oren” blijkt te hebben, hij dan toch ook door de secretaris van eerste verwerende partij als een “bril werf” wordt omschreven en voorzien is van kunststofglazen die in veiligheidsbrillen worden gebruikt;
- Overwegende dat verzoeker onder rubriek
- onder meer wordt aangewreven via leasing een grijze Mercedes te hebben aangeschaft “voor hemzelf zonder enige beslissing daaromtrent van de daartoe bevoegde bestuursorganen”; dat verzoeker de verjaring van het feit aanvoert; XII-3645-10/14 Overwegende dat volgens artikel 205, eerste lid, van het administratief statuut van het statutair personeel het tuchtorgaan “geen tuchtrechtelijke vervolging meer [kan] instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten”; dat de tuchtvordering te dezen op 14 november 2001 werd ingesteld, zodat het besproken feit verjaard is indien de voormelde vaststelling of kennisname plaatshad vóór 14 mei 2001; dat daar niets van afdoet het feit dat de eerste verwerende partij zich mogelijk pas nadien (ten volle) rekenschap heeft gegeven van de tuchtrechtelijke implicaties van het feit; Overwegende dat met betrekking tot de vernoemde vaststelling of kennisname wordt vastgesteld dat voorzitter Baukeland van de eerste verwerende partij op 8 november 2001 verklaart dat hij reeds “in het najaar 2000” over de grijze Mercedes een gesprek had met verzoeker en de secretaris van de intercommunale, in welk gesprek hij er op aandrong “dat Maes dit zou bespreken op een directiecomité en aan de raad van bestuur zou voorleggen. (als verantwoording, want gezien de wagen er was, kon geen beslissing gevraagd worden)”; dat, nog ter zake, op 26 januari 2001 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een controle uitvoert bij de eerste verwerende partij en daarbij opmerkingen maakt over onder meer de wagen, de grijze Mercedes, waarover verzoeker voor zijn persoonlijk en individueel gebruik zou beschikken; dat daarop de voorzitter en de secretaris met een brief van 29 januari 2001 namens de intercommunale aan de rijksdienst reageren dat de auto uitsluitend gebruikt wordt voor dienstverplaatsingen; dat een maand later, met brief van 1 maart 2001, de voorzitter en de secretaris aan verzoeker meedelen dat “[h]et directiecomité bepaalt” dat de kwestieuze Mercedes enkel mag gebruikt worden voor dienstverplaatsingen en voor de verplaatsing van en naar het werk; Overwegende dat eerste verwerende partij in de memorie van antwoord de relevantie van de kennis van voorzitter Baukeland betwist; dat zij daartoe doet gelden dat hij sinds 1 januari 2001 “eigenlijk geen deel meer uitmaakte van de (regelmatig samengestelde) tuchtoverheid” en dat hij vervangen werd door een nieuwe voorzitter “nog lang voor het eerste onderzoek naar tuchtfeiten werd gevoerd en voor de tuchtprocedure werd opgestart”; dat het eerste onjuist is en het tweede niet ter zake doet; dat het mandaat van voorzitter Baukeland overeenkomstig artikel 16, tweede lid, van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales pas is vervallen na de algemene vergadering van 17 april 2001; dat, voorts, de nieuwe voorzitter de functie van de vorige voorzitter voortzet en de XII-3645-11/14 zogenaamde “personele dualiteit” tussen beide geen beletsel ervoor is dat de aanwijzingen die de vorige voorzitter had “dat er misschien iets niet geheel was verlopen zoals het hoort” ook aan de nieuwe voorzitter mogen worden tegengeworpen; Overwegende dat derhalve mag worden besloten dat de tuchtoverheid reeds geruime tijd vóór 14 mei 2001 een voldoende kennis had of redelijkerwijze moest hebben van het besproken tuchtfeit; dat de tuchtvordering wat dat feit betreft verjaard is;
- Overwegende dat de bestreden tuchtstraf onder rubriek
- verzoekers “[f]unctioneren” bekritiseert, onder meer zijn “[h]ouding en gedrag ten aanzien van het personeel”; dat ter zake wordt opgemerkt dat hij “op een bedenkelijke wijze” kritiek formuleert op het personeel, dat hij “op een achterbakse wijze” controle uitoefent en de personeelsleden tegen mekaar opzet, dat hij het personeel niet vertrouwt, niet steunt en er niet achter staat, dat er een communicatieprobleem is, en dat hij het personeel negeert op sociaal, familiaal en menselijk vlak; Overwegende dat dit uiterst negatieve beeld van verzoekers houding en gedrag tegenover het personeel totaal haaks staat op de bevindingen in een verslag, van amper 10 april 2001, van J. Baukeland, de toenmalige voorzitter van de eerste verwerende partij; dat daarin verzoeker, wat algemene vereisten betreft, “goed” wordt beoordeeld voor communicatieve vaardigheden en “zeer goed” voor samenwerking, teamgeest en behulpzaamheid en, wat functierelevante criteria aangaat, “zeer goed” voor vaardigheden, inbegrepen leidinggevende vaardigheden, kunnen stimuleren en motiveren van ondergeschikten; Overwegende dat de eerste verwerende partij die manifeste tegenstrijdigheid niet afdoende verklaart en doet begrijpen; dat zij zich er wezenlijk toe beperkt te betogen en te beargumenteren dat het verslag “juridisch van generlei waarde” is, omdat het niet mee is ondertekend door een tweede evaluator; dat dit niet kan overtuigen; dat, ook zonder die medeondertekening, de mening van J. Baukeland niet zonder relevantie is; dat betrokkene al van vóór de indiensttreding van verzoeker voorzitter is van de eerste verwerende partij; dat hij, als reeds gezien, bij haar een eigen bureau heeft, waarin hij minstens één keer per week aanwezig is; dat hij in principe dan ook geacht mag worden behoorlijk geïnformeerd te zijn, des te meer XII-3645-12/14 waar de eerste verwerende partij maar een kleine intercommunale heet te zijn; dat, zelfs indien hij -zoals eerste verwerende partij beweert- geen kennis had van zekere “zeer specifieke feiten” die “stuk voor stuk bewezen [worden] door concrete bewijsstukken die zich in het tuchtdossier bevinden”, dan nog zijn mening voor de besproken tenlastelegging van waarde blijft; dat, zoals ook al in het arrest over de vordering tot schorsing werd geoordeeld en door de verwerende partij noch in de memorie van antwoord, noch in de laatste memorie is tegengesproken, de besproken tenlastelegging immers niet op de vermelde “zeer specifieke feiten” slaat -die komen elders in het tuchtbesluit aan bod-, maar op de algemene houding van verzoeker tegenover het personeel; dat, ten slotte, het verslag van J. Baukeland niet minder geloof verdient omdat het, aldus de tuchtstraf, is opgesteld “‘in tempore non suspecto’ vooraleer er van een tuchtonderzoek sprake was”; dat dit juist een argument ten gùnste van de geloofwaardigheid van het rapport is; Overwegende dat in de gegeven omstandigheden niet blijkt dat de eerste verwerende partij de betichting dat verzoekers houding en gedrag tegenover het personeel, in het algemeen beschouwd, niet naar behoren was, terecht voor tuchtrechtelijke sanctionering in aanmerking heeft genomen;
- Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege gevitieerd is wat tenminste drie van de zes (groepen van) tuchtfeiten betreft waarop het gesteund is; dat, mede gelet op het belang dat in de formele motivering van de strafmaat wordt gehecht aan inzonderheid het tuchtfeit van de onkosten voor eetmalen en privérelatiegeschenken en het tuchtfeit van de aanschaf van de Mercedes, die vaststelling de vernietiging moet meebrengen van de tuchtstraf in haar geheel; dat het elfde, twaalfde, dertiende, vijftiende en zestiende middel in de aangegeven mate gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 26 april 2002 van de raad van bestuur van de CVBA Ibogem waarbij het beroep van Honoré Maes tegen de door het directiecomité opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege verworpen wordt en die tuchtstraf bevestigd wordt. XII-3645-13/14 Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld wat het overige van het beroep betreft. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de eerste verwerende partij. Aan verzoeker dient een bedrag van 175 euro, zijnde de tegenwaarde van het door hem op zijn verzoek tot voortzetting gekweten zegelrecht, te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3645-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.653 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.114.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.