id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.655 Rolnummer: A. 163876/XII-4483 Zaak: Arrest 147655 - - 14/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-18 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 22:08 Fiche Arrest nr 147.655 van 14 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.655 van 14 juli 2005 in de zaak A. 163.876/XII-
- In zake :
- de CV GROEP PLANNING,
- de CVBA ALTIPLAN,
- de NV ARIES PARTNERSHIP INTERNATIONAL, samen een tijdelijke handelsvennootschap vormend, die woonplaats kiezen bij advocaat F. Vlassembrouck, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus 1 tegen : de REGIE DER GEBOUWEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus
- tussenkomende partijen :
- de BVBA ARCHI 2000,
- de CRL ATELIER DU SART TILMAN,
- de BVBA CONIX ARCHITECTEN,
- de BV DUIJSENS & MEYER VIOL,
- de NV MARCQ & ROBA, die woonplaats kiezen bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat de CV Groep Planning, de CVBA Altiplan en de NV Aries Partnership International, samen een tijdelijke handelsvennootschap vormend, op 1 juli 2005 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing dd. 26 mei 2004 van de Regie der Gebouwen die de opdracht voor de aanstelling van een dienstverlener voor de architectuurstudie voor de vierde Europese School in Brussel (bijzonder bestek nr 2004/30.EEIV/02) gunt aan de tijdelijke handelsvennootschap Archi 2000 SPRL + Atelier Sart Tilman SC + Conix Architekten CVBA + Duijsens & Meyers Viol BV + Marcq & Roba SA”; XII-4483-1/8 Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juli 2005, om 10.30 uur; Gezien het op 11 juli 2005 neergelegde verzoekschrift waarbij de BVBA Archi 2000, de CRL Atelier Du Sart Tilman, de BVBA Conix Architecten, de BV Duijsens & Meyer Viol en de NV Marcq & Roba vragen in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijken te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang hebben dat de vordering wordt afgewezen; dat hun verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Vlassembrouck, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaten K. Ronse en B. De Gryse, die verschijnen voor de verwerende partij, en van advocaat D. Lindemans, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending inroepen van de “artikelen 40, lid 2 en 44 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken en van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur” doordat XII-4483-2/8 “de bijlagen die gevoegd zijn aan de aangevochten beslissing en die ervan deel uitmaken, bij het toetsen van elke offerte aan elk gunningscriterium of subcriterium ofwel in het Frans ofwel in het Nederlands zijn opgesteld”; Overwegende dat in het middel niet concreet de bijlagen worden aangewezen die in het middel worden beoogd, hoewel de bijlagen tientallen bladzijden omvatten; dat aldus het middel niet voldoende duidelijk is, op zijn minst niet vatbaar voor de snelle toetsing die in een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid mogelijk moet zijn; dat het dienvolgens niet ernstig is; Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt aangevoerd van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, en het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur”, doordat bij documenten waarnaar de bestreden beslissing verwijst, namelijk van bijlage 2b, het “beoordelingsrooster 11”, een blanco deel bevatte en het in beoordelingsrooster 9 vermelde verslag niet was bijgevoegd “wanneer de gunningsbeslissing en haar bijlagen [...] werden medegedeeld”; Overwegende dat de verzoekende partijen zelf in hun middel aangeven dat op hun verzoek, de bedoelde documenten hun zijn medegedeeld, en zij de verwerende partij niet tegenspreken waar deze in haar nota stelt dat dit is gebeurd per brief van 21 juni 2005, dit is voordat de vordering van de verzoekende partijen is ingesteld; dat aldus in de huidige stand van de procedure mag worden aangenomen dat de doelstelling van de in het middel geschonden geachte formele motiveringsverplichtingen is bereikt, namelijk betrokkenen zoals de verzoekende partijen, de mogelijkheid geven om met kennis van zaken na te gaan of zij zich in rechte dienen te voorzien, hetgeen zij te dezen overigens hebben gedaan en waarbij zij in hun derde middel de motieven zelf van de bestreden beslissing en haar bijlagen blijken aan te vechten en ze dus blijken te kennen; dat voorts de verzoekende partijen aan het door hen ingeroepen “algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur” geen nadere invulling geven en het aldus niet lijkt te kunnen doorgaan als een vaststaande norm waaraan in een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, met de daarbij noodzakelijke spoed, bestuursbeslissingen kunnen worden getoetst; dat ook het tweede middel niet ernstig is; XII-4483-3/8 Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending inroepen van “artikel 1, §1 en 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, artikelen 110, §1 en 115 van het K.B. van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, het algemeen rechtsbeginsel ‘patere lege[m] quam ipse fecisti’, de algemene rechtsbeginselen van gelijkheid tussen de inschrijvers en van transparantie en van behoorlijk bestuur, machtsoverschrijdingen, de kennelijk onredelijke beoordelingsfout”; dat zij voorts over negen bladzijden grieven uitwerken, meer bepaald eerst een algemene grief verwoorden en vervolgens deze in twee onderdelen uitsplitsen om dan nogmaals, in hetgeen “toelichting” wordt genoemd, die twee onderdelen opnieuw nader te verduidelijken; dat het amalgaam van geschonden geachte bepalingen, niet nader ingevulde rechtsbeginselen en toetsingsgronden, het gegeven dat de feitelijke grieven in de uitwerking van het middel niet meer systematisch worden verbonden aan elk van de geschonden geachte rechtsnormen en de geschetste opbouw in middelonderdelen, meteen afbreuk doen aan het ernstig karakter van het middel, dat zeker in een procedure op de wijze van de uiterst dringende noodzakelijkheid zich tot snelle toetsing moet lenen en zulks zonder dat de Raad van State zelf de constructie van het middel aan nader onderzoek moet onderwerpen; dat dienvolgens hierna enkel de dadelijk voor de hand liggende grieven en de daarbij horende mogelijke rechtsschendingen worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste onderdeel betogen dat, hoewel in het bestek een aantal gunningscriteria op limitatieve wijze zijn opgesomd, het criterium “1B Plans”met puntenwaarde 60, bij de beoordeling verdeeld is in subcriteria, waaraan een bepaalde waarde wordt toegekend, die niet “per se” kunnen worden afgeleid van het hoofdcriterium en niet pertinent zijn voor het beoordelen ervan, zodat de inschrijvers die subcriteria niet in aanmerking hebben kunnen nemen bij het opstellen van hun offerte; Overwegende dat de verzoekende partijen geen wetsbepaling of reglementaire norm aangeven waaruit dadelijk een verbod zou blijken om subcriteria aan te wenden of deze een bepaald gewicht te geven; dat een dergelijk verbod de Raad van State ook niet bekend is; dat, wat de subcriteria zelf betreft, te dezen het bestek voorzag in “toewijzingscriteria” (blz. 8 e.v.) waarvan het eerste luidt : XII-4483-4/8 “
- de bedenkingen bij het programma, en de architecturale ideeën die eruit voorvloeien voor het ontwerp, d.w.z. : 1.A.[...] 1.B. Plans : De vestiging van de verschillende eenheden (kleuter-, basisonderwijs, enz.), het beheer van de verschillende verkeersstromen en de schematische vormgeving van het programma op de voorgestelde site, op basis van een argumentatie en voorgesteld door middel van de volgende verplichte schematische documenten [...] zodat men de bedoelingen van de architect kan vatten [...] 60 punten”; dat blijkens het dossier de beoordeling wat het aangehaalde criterium 1.B. betreft, gebeurd is door een werkgroep van zes architecten van de verwerende partij, “aan de hand van de volgende criteria” : - inplanting van de verschillende eenheden/vormgeving van het programma : 50/60 - realisatie van het programma - respecteren van het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - technische en economische haalbaarheid - leefbaarheid - plaats van de kleuterschool - kleuterschool op meer dan één niveau - bijkomende sportterreinen - speelplaatsen gescheiden - krachtige ideeën - beheer van de verkeersstromen : 5/60 - in het algemeen - plaats van de keukens - manoevres van de bussen - verschillende praktische aspecten : 5/60 leesbare en verstaanbare documenten respect voor de vormgeving en de hoeveelheid documenten; dat, in het algemeen, de verzoekende partijen niet lijken te kunnen worden gevolgd waar zij bij diverse van deze subcriteria stellen dat zij niet kunnen worden afgeleid uit het hoofdcriterium; dat immers niet op het eerste gezicht kan worden vastgesteld dat, door de voornoemde subcriteria vast te leggen en te gebruiken, de verwerende XII-4483-5/8 partij en haar aangestelden buiten de grenzen zouden zijn getreden van de beoordelingsvrijheid waarover zij beschikten bij de vergelijking van inschrijvingen na een offerte-aanvraag zoals de voorliggende en binnen een criterium dat “architecturale ideeën” betreft; dat dezelfde vaststelling geldt voor de door de verzoekende partijen bekritiseerde verdeling van de punten over de drie groepen subcriteria; dat hetgeen de verzoekende partijen dan nog aanvoeren als concrete grieven betreffende enkele van die subcriteria, niet dermate doorslaggevend lijkt te kunnen zijn om de algehele beoordeling aan de hand van die criteria te vitiëren zodat die grieven zeker in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet nader moeten worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede onderdeel van hun derde middel in essentie betogen dat, zelfs indien de voornoemde subcriteria mochten worden vastgesteld na de opening van de offertes, te dezen, door 47/50 aan de tussenkomende partijen toe te kennen en 29/50 aan de verzoekende partijen, die criteria niet op gelijke wijze zijn toegepast; dat die stelling echter enkel wordt gestaafd door twee grieven: er zou geen “identificeerbaar grafisch document” gevoegd zijn aan het verslag “stabiliteit” voor de offerte van de tussenkomende partijen, zoals voor de andere kandidaten en er is “met geen woord” gerept, “in tegenstelling tot de andere projecten” over de vraag hoe de tussenkomende partijen de integratie in acht nemen van een busstation met minimum 36 en maximum 50 haltes; dat tegen het licht van de algehele vergelijking van de offertes, die twee grieven, zelfs al mochten ze stroken met de werkelijkheid, niet van een dermate zwaarwegende aard lijken om het gelijkheidsbeginsel op een dergelijke wijze geschonden te achten, dat de vergelijking van de offertes in haar geheel daardoor gevitieerd zou zijn op een wijze die, althans prima facie in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de toewijzing onrechtmatig zou maken; Overwegende dat de verzoekende partijen nog een aantal concrete grieven verwoorden betreffende de beoordeling van de in het geding zijnde offertes; dat die kritiek echter niet kan worden ingepast in het hier besproken tweede onderdeel, waarin enkel het gelijkheidsbeginsel duidelijk als toetsingsgrond wordt aangemerkt; dat het onderdeel niet ernstig is; dat dienvolgens het derde middel niet ernstig is; Overwegende dat geen van de middelen ernstig is; dat derhalve niet is voldaan aan de tweede van door het voornoemde artikel 17 gestelde XII-4483-6/8 voorwaarden die vervuld moeten zijn wil de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de BVBA Archi 2000, de CRL Atelier Du Sart Tilman, de BVBA Conix Architecten, de BV Duijsens & Meyer Viol, de NV Marcq & Roba, in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 625 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een vijfde. XII-4483-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli 2005, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4483-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.655 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.