← België

Arrest 147666 - - 14/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.666 Rolnummer: A. 116487/XIV-8466 Zaak: Arrest 147666 - - 14/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 22:11 Fiche Arrest nr 147.666 van 14 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.666 van 14 juli 2005 in de zaak A. 116.487/XIV-8.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX , van Turkse nationaliteit, op 7 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 2002 waarbij zijn aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk werd verklaard en van "alle mogelijke gevolgen en uitvoeringsbesluiten tot verwijdering die hiervan het gevolg zouden kunnen zijn door de dienst Vreemdelingenzaken"; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-8466-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. CALLEWAERT, die loco advocaat J. DE LIEN, in opvolging van advocaat S. VAN ROSSEM, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIESE, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 30 oktober 1998 en zich vluchteling verklaart op 3 november 1998; dat op 24 februari 1999 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 27 juli 1999 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; Overwegende dat de verzoekende partij op 13 september 1999 een aanvraag indient om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat op 11 mei 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf; Overwegende dat de verzoekende partij zich opnieuw vluchteling verklaart op 12 november 2001; dat op 13 november 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, en tot vrijheidsberoving; dat op 26 november 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; Overwegende dat de verzoekende partij op 4 januari 2002 een nieuwe aanvraag indient om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat op 8 januari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf verwerpt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) De aanvraag werd laattijdig ingediend op het ogenblik dat de vreemdeling(e) in onwettig verblijf was. Het feit van illegaal in het land te verblijven, zelf reeds geruime tijd, geeft geen recht op bijzondere omstandigheden zoals voorzien in artikel 9, alinea 3 van de wet van 15 december
  3. Geen enkele aanvaardbare buitengewone omstandigheid werd ingeroepen om het niet afhalen van de machtiging tot voorlopig verblijf bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het land van herkomst of land van oorsprong te rechtvaardigen. XIV-8466-2/5 Het feit hier sedert twee jaar te verblijven kan moeilijk als regularisatie-maatregel aanvaard worden. (...)";
  4. Overwegende dat naar luid van artikel 20, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer het voorwerp van het beroep dient te bevatten; dat zulks betekent dat wat gevorderd wordt op zodanige manier moet verwoord zijn dat de verwerende partij, het bevoegde lid van het auditoraat en de Raad van State aan de hand van het verzoekschrift kunnen bepalen wat het voorwerp is van het beroep, zonder dat de interpretatie van wat de verzoekende partij wil uitloopt op het maken van veronderstellingen, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij en nadien de Raad ertoe worden gebracht in de plaats van de verzoekende partij het verzoekschrift op te stellen; dat, de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 2002 buiten beschouwing gelaten, de verzoekende partij niet voldoende duidelijk maakt wat het onderwerp van haar beroep is; dat het beroep tot nietigverklaring, in zoverre het betrekking heeft op "mogelijke gevolgen en uitvoeringsbesluiten tot verwijdering die hiervan het gevolg zouden kunnen zijn voor de dienst Vreemdelingenzaken", niet voldoet aan de criteria van het voornoemde artikel 20, 2/, en derhalve in die mate niet-ontvankelijk is; 3.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in hetgeen als een enig middel kan worden beschouwd, de schending opwerpt van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de rechten van verdediging, van de zorgvuldigheidsplicht en van de motiveringsplicht; dat zij aanvoert dat men het verzoek via de burgemeester niet heeft afgewacht, dat men heeft geoordeeld zonder over de stukken te beschikken waarnaar wordt verwezen, dat uit stuk 163 van het administratief dossier blijkt dat opdracht werd gegeven om haar aanvraag te weigeren alvorens haar verzoek te kennen, dat de stukken niet gekend zijn en zich zelfs niet in het dossier bevinden, dat uit deze stukken blijkt dat zij een opleiding heeft gevolgd bij het LBC, dat zij kennis heeft van de Nederlandse taal, dat zij een kredietopening heeft aangegaan voor het oprichten van de bakkerij, dat het openbaar bestuur derhalve niet kan stellen dat een grondig onderzoek werd gevoerd, dat men heeft getracht haar van het grondgebied te verwijderen ondanks het feit dat men op de hoogte was van het ingediende verzoek; dat de verzoekende partij hierbij verwijst naar bepaalde rechtspraak van de Raad van State; dat zij aanvoert dat zij duidelijk heeft toegelicht waarom het niet mogelijk was haar aanvraag in Turkije in te dienen, dat zij dienstplichtig is, dat zij een grote lening heeft aangegaan, dat zij Turkije als minderjarige heeft verlaten, dat zij niet aan de binnenkomstvoorwaarden kon beantwoorden omdat zij nog geen paspoort had, dat zij reeds vier jaar in België verblijft en daarvoor tien jaar in Nederland, dat de termijn zoals aangehaald door de dienst Vreemdelingenzaken niet correct is en dat niet werd ingegaan op haar feitelijke problemen, haar argumenten betreffende haar kennis van het Nederlands, haar beroepsactiviteit en de duur van haar verblijf; XIV-8466-3/5 3.
  6. Overwegende dat de verplichting voor het bestuur om de rechten van de verdediging na te leven, behoudens andersluidend voorschrift, enkel geldt in tuchtzaken; dat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) geen dergelijk voorschrift bevat; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat de commissaris-generaal zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; dat de verzoekende partij niet aantoont waarom de bestreden beslissing zou steunen op onjuiste gegevens; dat de verzoekende partij derhalve niet aantoont hoe het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden met de bestreden beslissing; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt, dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland, maar dat het in buitengewone omstandigheden is toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat die buitengewone omstandigheden, die het voor de vreemdeling onmogelijk zouden maken om de verblijfsmachtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger in het buitenland aan te vragen, niet mogen worden verward met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om de verblijfsmachtiging in België te bekomen; dat de argumenten van de verzoekende partij in wezen enkel betrekking hebben op haar huidig verblijf in België en dat de aanvraag om machtiging tot verblijf met de bestreden beslissing precies wordt verworpen omdat uit een illegaal verblijf op het grondgebied van het rijk op zichzelf geen buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet kunnen worden afgeleid; dat deze vaststelling niet onredelijk is, vermits de verzoekende partij wist dat haar verblijf in België slechts precair was; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de verzoekende partij op het ogenblik van de bestreden beslissing geen twee doch vier jaar in België zou verblijven; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van XIV-8466-4/5 onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat het middel ook in die mate ongegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Ch. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. C. ADAMS. XIV-8466-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.666 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.