id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.668 Rolnummer: A. 117423/XIV-8817 Zaak: Arrest 147668 - - 14/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 22:11 Fiche Arrest nr 147.668 van 14 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.668 van 14 juli 2005 in de zaak A. 117.423/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kirgizische nationaliteit, op 27 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 januari 2001 houdende onontvankelijk verklaring van de aanvraag om machtiging tot verblijf, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 januari 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-8817-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LOUF, die loco advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIESE die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 30 mei 2000 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 28 juni 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 3 mei 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; Overwegende dat op 18 oktober 2001 de verzoekende partij een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf, indient; dat op 17 januari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd op 03/05/2001 afgewezen door het commissariaat-generaal. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Uit het verslag van onze controlegeneesheer blijkt dat het medisch probleem van haar nicht niet kan weerhouden worden om een regularisatie toe te staan. Derhalve kan het motief dat betrokkene in België dient te blijven om in te staan voor de verzorging van haar nicht niet langer weerhouden worden. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij twee middelen aanvoert die luiden als volgt: “Eerste middel: Manifest gebrek aan motivering wat een schending uitmaakt van de artikelen 9, alinea 3 en 62, alinea 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 tot 3 van de wet betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet en van het principe van goed bestuur. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de eiseres geen uitzonderlijke omstandigheden zou hebben aangehaald die haar toelaten om de aanvraag tot machtiging tot verblijf in te dienen bij de Burgemeester van haar verblijfplaats in België. Dat de bestreden beslissing van oordeel is dat uit het verslag van de controlegeneesheer blijkt dat het medisch probleem van haar nicht, Mevrouw XXX, niet kan weerhouden worden XIV-8817-2/5 om een regularisatie toe te kennen en dat derhalve het ingeroepen motief dat de eiseres in België moet blijven om voor haar nicht te zorgen, niet langer kan weerhouden worden. Dat de bestreden beslissing een manifest gebrek aan motivering vertoont doordat het verslag, opgesteld door de dokter DE BLOCK en waarvan sprake in de bestreden beslissing nooit is betekend, noch aan de eiseres, noch aan Mevrouw XXX zelf. Dat Mevrouw XXX wel degelijk zeer zwaar ziek was en dat de raadsman van de eiseres bij brief van 18 oktober 2001 een medisch attest onder gesloten enveloppe aan de dienst Vreemdelingenzaken heeft bezorgd betreffende de gezondheidstoestand van Mevrouw XXX en dit dus meer dan drie maanden nadat deze laatste is onderzocht door Meneer DE BLOCK. Dat er niet kan worden nagegaan in welke mate er door de tegenpartij is rekening gehouden met het medisch attest onder gesloten enveloppe, opgestuurd op 18 oktober 2001, nu de eiseres en Mevrouw XXX geen kennis hebben kunnen nemen van het verslag van Meneer DE BLOCK. Dat er niet kan worden nagegaan of de tegenpartij heeft rekening gehouden met het nieuwe medische attest, opgestuurd op 18 oktober 2001 om de gezondheidstoestand van Mevrouw XXXte evalueren. Dat, gelet op de ernst van de aandoening, het aan de tegenpartij toekwam om rekening te houden met nieuwe elementen aangebracht door de eiseres en Mevrouw XXX betreffende de gezondheidstoestand van deze laatste, nu deze gezondheidstoestand heel snel kan verslechteren en achteruitgaan. Dat het niet blijkt uit de bestreden beslissing dat de tegenpartij heeft rekening gehouden met het nieuwe medische attest dat is opgestuurd door de raadsman van de eiseres onder gesloten enveloppe en dat het verslag van dokter DE BLOCK niet is ter kennis is gebracht aan de eiseres, noch aan Mevrouw XXX, zodat er niet is voldaan door de bestreden beslissing aan de verplichting tot formele motivering, opgelegd door de combinatie van de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen. Dat de voornoemde artikelen aan de verwerende partij de verplichting opleggen om zijn beslissingen op afdoende wijze te motiveren, zodat de betrokkene in staat wordt gesteld om de motieven ervan te begrijpen. Dat in onderhavig geval de bestreden beslissing er niet in slaagt om aan de eiseres duidelijk te maken wat de motieven zijn van de bestreden beslissing omdat het verslag van de dokter DE BLOCK noch aan haarzelf, noch aan Mevrouw XXX werd ter kennis gebracht en dat zij dus niet kunnen begrijpen waarom men tot de concusie zou kunnen gekomen zijn dat Mevrouw XXX wel zou kunnen reizen en in welke mate deze laatste de nodige medische zorgen zou kunnen verkrijgen in haar land van oorsprong. Dat het principe van de formele motivering, opgelegd door de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980, het artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 21 juli 1991 en het principe van een goed bestuur aan de verwerende partij oplegt om de betrokken kennis te geven van medische verslagen opgesteld door een controlegeneesheer en waarnaar wordt verwezen in de betrokken beslissing. Dat aan deze vereiste niets is voldaan in onderhavig geval, zodat de bestreden beslissing een manifest gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de voornoemde wetsartikelen. Dat men zich trouwens kan vragen stellen bij het feit dat men zich baseert op een doktersverslag dat gebaseerd is op een medisch onderzoek van meer dan een half jaar geleden betreffende een kankerpatiënt, nu het duidelijk is dat het risico groot is dat dit medisch verslag in kwestie, waarnaar wordt verwezen in de bestreden beslissing totaal niet meer actueel is. Dat dit overigens kracht wordt bijgezet door het feit dat Mevrouw XXX op 23 februari jongsleden is overleden, wat opnieuw de vraag doet rijzen op welke basis de controlegeneesheer DE BLOCK heeft kunnen oordelen dat Mevrouw XXX in staat was om te reizen, ondanks haar ziekte. Dat deze elementen niet kunnen worden geverifieerd door de eiseres, nu zij geen kennis heeft gekregen van het medisch verslag waarnaar wordt verwezen in de bestreden beslissing, evenmin als Mevrouw XXX Dat er is geoordeeld in verschillende arresten van de Raad van State dat er van de dienst Vreemdelingenzaken een grondig en diepgaand onderzoek wordt vereist van de elementen die worden ingeroepen (en in het bijzonder deze van medische aard) om de argumenten aangehaald door de eiser te beantwoorden (stuk 5, RASSART Hélène, ‘La jurisprudence du Conseil d’Etat concernant l’article 9, alinéa 3 de la loi du 15 décembre 1980 (1998-2000)’ R.D.E., 2000, n/ 109, p 323-330). Dat vervolgens er aan herinnerd moet worden dat de Raad van State heeft geoordeeld dat opdat de beslissing van de tegenpartij adequaat zou gemotiveerd zijn, een compleet dossier noodzakelijk is en dat ze verplicht is om de bestreden beslissing, evenals de bijlagen waarop de beslissing zich steunt, worden meegedeeld aan de vreemdeling (stuk 5, C.E. 77273, 30 november 1998, geciteerd in op. cit. p 325). Dat in onderhavig geval het rapport van de dokter DE BLOCK van de tegenpartij niet was aangehecht aan de bestreden beslissing, zodat er niet kan worden vastgesteld of alle motieven ingeroepen door de eiseres werden onderworpen aan een grondig en diepgaand onderzoek. XIV-8817-3/5 Dat aan de eiseres niet de redenen zijn ter kennis gebracht waarom de verwerende partij een andere mening is toegedaan en derhalve de bestreden beslissing een manifest gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de artikelen 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 21 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet, nu deze artikelen aan de verwerende partij opleggen om de beslissingen te motiveren in rechte en in feite. Tweede middel: Schending van het artikel 3 en 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden. Overwegende dat het niet aangetoond is dat Mevrouw XXX in geval van terugkeer naar Kirghistan, geen enkel gezondheidsrisico zou lopen en dat ze in staat zou zijn om te reizen, net integendeel, het feit dat ze recentelijk overleden is, toont de ernst van de ziekte aan die ze ingeroepen had in het kader van haar regularisatieaanvraag en in die van de eiseres; Dat het risico op verergering van de gezondheidstoestand kan worden beschouwd als mensonterende en vernederende behandelingen, in de zin van het artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en dat de bestreden beslissing zodoende een schending begaat van laatsgenoemd artikel; Dat het opleggen aan de eiseres om terug te gaan naar Kirghistan om de regularisatieaanvraag aldaar in te dienen en derhalve Mevrouw XXX in de steek te laten, een schending had uitgemaakt van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden, die enerzijds een verbod instellen op mensonterende en vernederende behandelingen en anderzijds het recht op een privé- en familieleven garanderen;”, 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift stelt dat haar nicht op 23 februari 2002 overleden is; dat zij niet aannemelijk maakt dat zij nog steeds belang heeft bij de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing, nu zij een machtiging tot verblijf in België vroeg omwille van de bijstand die zij zou verlenen aan haar nicht, die inmiddels overleden is; dat de beide middelen derhalve niet-ontvankelijk zijn;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-8817-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Ch. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. C. ADAMS. XIV-8817-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.668 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.