← België

Arrest 147672 - - 14/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.672 Rolnummer: A. 141660/XIV-16765 Zaak: Arrest 147672 - - 14/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 22:12 Fiche Arrest nr 147.672 van 14 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.672 van 14 juli 2005 in de zaak A. 141.660/XIV-16.

  1. In zake : XXX dien woonplaats kiest bij advocaat N. BOGAERTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Sanderusstraat 25 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 17 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 3 september 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2005; XIV-16.765-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat N. BOGAERTS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 9 april 2003 en zich vluchteling verklaart op 10 april 2003; dat op 24 april 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 1 september 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U beweerde de Somalische nationaliteit te bezitten, afkomstig te zijn uit Mogadishu en tot de F. (Dir) te behoren. Sinds 1996 werkte u in een garage in het Medina-district in Mogadishu. Krijgsheer Muse Sudi controleert dit gebied en bracht zijn auto’s voor reparatie naar de garage waar u werkte. Muse Sudi weigerde echter steeds te betalen voor de uitgevoerde herstellingswerken. Wanneer in 2002 Muse Sudi in conflict kwam met de krijgsheer Omar Finish bracht Muse Sudi een steeds groter aantal te herstellen auto’s binnen en het garagepersoneel kon de arbeidstoevloed niet meer bolwerken. Als protest tegen de toegenomen werkdruk en de wanbetaling besloot u met 5 collega’s een demonstratie te organiseren tegen Muse Sudi. Op 7 juli 2002 demonstreerde u met een 50-tal personen, hoofdzakelijk collega’s, voor het hoofdkwartier van Muse Sudi. Muse Sudi’s militie reageerde hierop en begon kogels af te vuren waarop u en de andere demonstranten het op een lopen zetten. U spurtte naar de garage en even later arriveerden ook Muse Sudi en zijn militieleden. Uw werkgever onderhandelde met hen aangezien ze van plan waren iedereen te doden. U sprong uit het raam en liep naar huis. Muse Sudi gaf het bevel de garage te sluiten. U verstopte zich 1 maand thuis en toen kwam de garagehouder u opzoeken en meldde u dat de garage opnieuw geopend mocht worden. U begon opnieuw te werken in de garage. Op 24 augustus 2002, onderweg naar uw werk, was u buiten aan het eten. Op dat moment bevond uw broer zich in de garage waar u werkte en hij werd er door Muse Sudi’s militieleden gedood. Toen u aankwam in de garage trof u er het lijf van uw broer aan en men vertelde u dat u en de andere organisatoren van de betoging gezocht werden. Dezelfde dag nog vluchtte u naar uw nonkel, Mohamed Macadin, in Afgooye. U bleef in Afgooye tot u op 7 april 2003 het vliegtuig nam naar Djibouti. Dezelfde dag reisde u verder naar Parijs, Frankrijk waar u op 8 april 2003 de trein nam naar België. U vroeg asiel aan op 10 april
  3. B. Motivering. Er dient te worden opgemerkt dat u het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat uw ‘vrees voor vervolging’ in de zin van de Conventie van Genève voldoende ernstig is. Zo verklaarde u dat u samen met 5 collega’s van de garage een betoging organiseerde gericht tegen de uitbuiting door krijgsheer Muse Sudi. U verklaarde hieromtrent dat iedereen, inclusief de garagehouder, de betoging tegen Muse Sudi steunde (gehoorverslag commissariaat-generaal, dd 3 juni 2003, p 6). U preciseerde voor het commissariaat-generaal dat u op 7 juli 2002 betoogde voor het hoofdkwartier van Muse Sudi en dat de manifestatie vervolgens met geweerschoten uiteen werd gedreven (p 6-7). Bijzonder opmerkelijk is echter dat u na het uiteendrijven van de betoging een toevlucht zou hebben gezocht tot de garage waar u voordien werkte (p 7). Men zou toch kunnen verwachten dat indien u werkelijk ernstige represailles XIV-16.765-2/7 verwachtte (waar het afvuren van schoten door de militie van Muse Sudi toch een belangrijke aanwijzing voor was) u uw toevlucht niet zou zoeken op de plaats waar de manifestatie bekokstoofd werd aangezien de garage een evident oord is waar men de betogers, vooral werknemers uit de garage, zou kunnen zoeken. Vervoglens verklaarde u voor het commissariaat-generaal uit het raam van de garage gesprongen te zijn en naar huis gelopen te zijn wanneer Muse Sudi en zijn militieleden de garage betraden (p 7). Wederom is het opmerkelijk dt u zou hebben besloten te vluchten naar een plaats waar u vrij gemakkelijk kon opgespoord worden, temeer daar Muse Sudi in de garage ermee gedreigd had iedereen te vermoorden (p 7). Verder verklaarde u dat u zich gedurende 1 maand zou hebben verscholen in uw eigen huis (p 7) in Medina (p 1) wat de ernst voor de door u ingeroepen ‘vrees voor vervolging’ in niet geringe mate aantast. Bovendien verklaarde u voor het commissariaat- generaal dat men u tijdens de maand dat u zich thuis verscholen hield niet was komen zoeken en dat - indien ze u echt hadden willen vinden - ze u daar hadden kunnen aantreffen (p 9). U verklaarde verder nog ‘ze zochten me nooit zo hard, niemand zocht me’ (p 9). Deze elementen ondermijnen de ernst van uw ‘vrees voor vervolging’ in de zin van de Vluchtelingenconventie. Eveneens bevreemdend in het licht van uw bewering dat de militieleden van Muse Sudi u zouden hebben gedood indien ze u na de betoging zouden hebben gezien (p 9) is dat u na de heropening van de garage in augustus 2002 besloot om er uw werk als mecanicien terug op te nemen. Wanneer de interviewer van het commissariaat-generaal u vraagt ‘waarom ging u er opnieuw werken als u denkt dat men u zal doden ?’ (p 10) antwoordde u ‘ik dacht nooit dat ik verwond zou worden’ (p 10). De ernst van uw ‘vrees voor vervolging’ komt hierdoor nogmaals op losse schroeven te staan. U beweerde voor het commissariaat-generaal dat op 24 augustus 2002, kort nadat u uw werk weer aanving, uw broer werd vermoord in de garage door Muse Sudi’s militie (p 11). Wanneer de interviewer van het commissariaat-generaal u vraagt ‘waarom denkt u dat men u 1 maand niet zoekt en dan plots wel ?’ (p 10) kan u hierop geen sluitende verklaring geven en u vermoedt enkel dat ze dat misschien beslisten toen ze hoorden dat u er werkte (p 10). U slaagt er alleszins niet in uw uitspraak ‘ze doodden hem (mijn broer) en ik was de reden’ (p 7) met feitelijke informatie te staven. Verder verklaarde u voor het commissariaat-generaal dat men op zoek was naar de organisatoren van de betoging en niet naar de deelnemers (p 8). De andere 5 organisatoren van de betoging zag u echter nooit meer terug en u vermoedt dat ze konden ontsnappen (p 9) en u weet niet of er andere mensen uit uw demonstratie problemen kenden, maar u vermoedt van niet (p 13). Indien Muse Sudi’s militie werkelijk op zoek was naar de organisatoren van de betoging, en alle andere organisatoren erin slaagden te ontsnappen en zo uit handen van Muse Sudi’s militie te blijven, is het zeer opmerkelijk dat u besloot gewoon terug aan de slag te gaan in de garage. Tenslotte verklaarde u op 24 augustus 2002 naar uw nonkel in Afgooye te zijn gevlucht alwaar u verbleef tot april
  4. U verklaarde tijdens uw verblijf in Afgooye geen persoonlijke problemen gekend te hebben (p 11), zodat men zich kan afvragen waarom u toch nog besloot het land te verlaten en internationale bescherming in te roepen. Deze vaststellingen leiden ertoe dat de ernst van de door u ingeroepen ‘vrees voor vervolging’ onvoldoende ernstig is. De documenten die u voorlegt, een certificaat van de middelbare school (dd 7 november 1990) en een certificaat van een seminarie (dd 2 april tot 2 september 1993) waar u aan deelnam, doen geen afbreuk aan het voorgaande. Uw reisweg kan, bij gebrek aan geldige documenten ter zake, niet worden nagegaan. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen element dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “
  6. Schending van de materiële motiveringsplicht XIV-16.765-3/7 De art. 52 en 62 van de Vreemdelingenwet dd. 15 december 1980 en de art. 2 en 3 van de Motiveringswet inzake bestuurshandelingen van 29 juli 1991 worden door het commissariaat- generaal geschonden. Krachtens de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, moeten alle administratieve rechtshandelingen met individuele strekking formeel worden gemotiveerd. Deze motiveringsplicht houdt in dat de feitelijke en juridische gronden waarop de beslissing is gesteund, veruitwendigd dienen te worden in de beslissing zelf. De motivering, met name de juridische en feitelijke overwegingen die de beslissing gronden, dient afdoende te zijn (art. 3 van de wet van 29 juli 199 l). Dit wil zeggen dat de feitelijke en juridische overwegingen pertinent moeten zijn en de beslissing dienen te verantwoorden. Een vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke of onnauwkeurige motieven zijn geen afdoende motivering. De beslissing dient duidelijk aan te geven waarom een beslissing werd genomen. De materiële motiveringsplicht houdt in dat de motivering van de administratieve beslissing deugdelijk moet zijn. Ze moet met name begrijpelijk zijn en aanvaardbaar met het oog op het recht, op de feiten en op het beleid. Dat de motivering rechtens aanvaardbaar moet zijn houdt onder andere in dat een juiste wettelijke grondslag aan de basis van de beslissing moet liggen en dat het wettelijk voorschrift dat de motivering schraagt, op juiste wijze wordt geïnterpreteerd. Daarenboven dienen de relevante feiten waarop de beslissing is gebaseerd, te bestaan en juist te zijn. de feiten dienen zorgvuldig vastgesteld te zijn en juist te worden gekwalificeerd. Het bestuur dient volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de besluitvorming beïnvloeden. Zie A. VAN MEENSEL, ‘De uitdrukkelijke motiveringsplicht’ in de W. VAN EECKHOUTTE (ed.), Publiekrecht, de doorwerking van het privaatrecht in het Publiekrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, 206 e.v. Doordat de commissaris-generaal in zijn beslissing overweegt dat verzoeker geen gegevens zou hebben aangebracht dat er wat hem betreft ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De commissaris-generaal oordeelde alsdan ten onrechte dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is. Terwijl de beslissing van de commissaris-generaal over het beroep van verzoeker gemotiveerd moet zijn en dit zowel in rechten als in feiten, en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten worden weergegeven en die weergegeven motieven concreet moeten zijn en van aard om de gewezen beslissing te dragen. Verzoeker stelt in deze vast dat de bestreden beslissing genomen werd met de schending van de wet van 29 juli 1191 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat elke bestuurlijke beslissing materieel gemotiveerd moet zijn, doordat het minimaliseren van feiten geen afdoende motivering is om een verzoek tot verblijf uitgaande van een persoon die voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, te weigeren. Het CGVS stelt dat het bijzonder opmerkelijk is dat verzoeker terugkeerde naar de garage nadat ze uiteen gedreven waren door de militietroepen van Muse Sudi. Verzoeker keerde terug naar de garage omdat dit was afgesproken met de andere demonstranten. Verzoeker vermoedde niet dat de militie naar de garage zou komen. Verzoeker was niet gewoon om dagelijks demonstraties te organiseren, zodat er inderdaad bedenkingen geformuleerd kunnen worden bij de praktische aanpak van de demonstratie. Dit doet evenwel geen afbreuk aan verzoekers verhaal. Het CGVS stelt dat het bijzonder frappant is dat verzoeker terugkeerde naar huis. Verzoeker keerde terug naar huis omdat zijn woning zich bevindt op een andere dan door Muse Sudi beheerste wijk. Verzoeker woont in een omgeving waar de Habargidir overheerst. Dezen zijn in oorlog met de militie van Muse Sudi. Bijgevolg voelde verzoeker zich min of meer veilig in zijn huis, doch geenszins daarbuiten. Verzoeker ontkent formeel te hebben verklaard dat ze hem niet zo hard zochten of dat niemand hem zocht. Eveneens bevreemdend vindt het CGVS dat verzoeker zijn werk als mecanicien gewoon terug opnam. Verzoekers werkgever, die lid is van de militie van Muse Sudi, zei hem dat het terug veilig was om te komen werken. Een vergissing of opzet?? Ook andere collega's zijn terug komen werken. De bewering dat hij de andere organisatoren niet meer terugzag klopt geenszins. Wat er met de anderen gebeurd is, weet verzoeker niet. Slechts één collega was van dezelfde stam. XIV-16.765-4/7 Het leven verandert dagelijks in Somalië. De ene dag zijn er problemen, de andere dag niet. Maar het leven moet verder gaan. Het CGVS is van oordeel dat verzoeker de stelling: ‘ze doodden hem en ik was de reden’ niet met feitelijke informatie kan staven. In Somalië gebeurt het wel vaker dat als men de gezochte persoon niet vindt, men een familielid doodt. Na de demonstratie zijn er verschillende mensen gedood en de militie wist heel goed wie verzoekers broer was. Het CGVS stelt vragen bij het ‘veilige verblijf’ 'van verzoeker bij zijn oom. Verzoeker benadrukt met klem dat hij gedurende de ganse periode bij zijn oom geen voet buiten zette. Niemand wist dat hij aldaar verbleef, zodat er ook geen problemen konden zijn. Men mag niet verwachten van verzoeker dat hij het onmogelijke bewijst. Zodoende dient de beslissing van het CGVS dd. 3 september 2003 als onvoldoende gemotiveerd in feite en in rechte te worden beschouwd.
  7. Gegronde vrees voor vervolging Volgens de bestreden beslissing is de aanvraag van verzoeker onvoldoende ernstig om van een gegronde vrees voor vervolging te spreken. Gelet op de schendingen van de mensenrechten die in Somalie plaats vinden, is in casu wel degelijk voldaan aan de criteria die in de Conventie van Genève worden gesteld: in hoofde van verzoeker is immers een gegronde vrees voor vervolging aanwezig.
  8. Machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat het CGVS bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegheid, zorgvuldig en redelijk te werk moeten gaan. Dat de zorgvuldigheid inhoudt dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen. Dat de voor verzoeker nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doeleinden. De bestreden beslissing is niet afdoende gemotiveerd en schendt als dusdanig de materiële motiveringsplicht.”; 2.
  9. Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit de lezing van het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de stellingen van de verzoekende partij dat zij vermoedde dat de militie naar de garage zou komen, dat zij in haar huis min of meer veilig was en dat haar werkgever haar duidelijk maakte dat het veilig was om opnieuw te komen werken, het besluit van de commissaris-generaal, te weten dat haar vrees voor vervolging niet ernstig was in de zin van het Internationaal verdrag betreffende de status van XIV-16.765-5/7 vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, bevestigen; dat voorts uit het verhoorverslag van het commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partij op de vraag waarom men haar adres niet zou verklikken als men haar naam als organisator van de betoging wel verklikte, wel degelijk het volgende heeft geantwoord: “Ze zochten me nooit zo hard. Niemand zocht me” (p. 9); dat daarenboven uit de stukken van het administratief dossier niet blijkt dat de verzoekende partij ooit melding heeft gemaakt van het feit dat zij bij haar oom zou zijn ondergedoken en er geen voet heeft buiten gezet; dat uit het voormelde verhoorverslag daarentegen blijkt dat de verzoekende partij uitdrukkelijk heeft ontkend problemen te hebben gehad toe zij bij haar oom verbleef (p. 11); dat de verzoekende partij zich voor het overige beperkt tot algemene opmerkingen over de algemene situatie betreffende de rechten van de mens in Somalië, doch nalaat deze op haar individuele toestand te betrekken; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid welke haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling; dat de beschouwingen van de verzoekende partij zulks geenszins aantonen; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. XIV-16.765-6/7 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Ch. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. C. ADAMS. XIV-16.765-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.