id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.674 Rolnummer: A. 89213/XIV-625 Zaak: Arrest 147674 - - 14/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 22:13 Fiche Arrest nr 147.674 van 14 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 147.674 van 14 juli 2005 in de zaak A. 89.213/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Armeense nationaliteit, op 26 januari 2000 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 december 1999 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 mei 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 28 december 1999; Gelet op het arrest nr. 95.529 van 17 mei 2001 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 12 september 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; XIV-625-1/7 Gelet op de beschikking van 9 oktober 2003 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 november 2003; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. NUYTS, die loco advocaat L. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen, van attaché K. DEBERGH, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 1 februari 1996 en zich een eerste maal vluchteling verklaren op 2 februari 1996; dat op dezelfde dag de minister van Binnenlandse Zaken telkens beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 26 april 1996 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; Overwegende dat de eerste verzoekende partij zich een tweede maal vluchteling verklaart op 21 augustus 1996 en de tweede verzoekende partij op 5 september 1996; dat de minister van Binnenlandse Zaken telkens beslist tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, respectievelijk op 21 augustus 1996 en op 5 september 1996; dat de commissaris-generaal op 16 januari 1998 deze beslissingen bevestigt; Overwegende dat de eerste verzoekende partij zich een derde maal vluchteling verklaart op 5 mei 1998 en de tweede verzoekende partij op 7 mei 1998; dat op 19 mei 1999 de minister van Binnenlandse Zaken telkens beslist tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris- generaal deze beslissingen op 24 december 1999 bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending opwerpen van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoeren dat in de beslissing betreffende de tweede verzoekende partij wordt verwezen naar deze betreffende de eerste verzoekende XIV-625-2/7 partij, zodat enkel de motivering van laatstgenoemde beslissing moet worden onderzocht en dat die beslissing is gesteund op drie motieven, te weten dat de eerste verzoekende partij gedurende de zeven dagen die zij in Armenië heeft doorgebracht geen enkel probleem heeft gekend, dat uit de voorgelegde documenten niet blijkt dat de veroordeling van de eerste verzoekende partij iets te maken heeft met haar lidmaatschap van de communistische partij die trouwens zonder problemen deelneemt aan het politieke leven en dat niets erop wijst dat de eerste verzoekende partij geen eerlijk proces zou kunnen krijgen in graad van beroep; dat de verzoekende partijen opmerken dat de eerste verzoekende partij zich gedurende haar verblijf van één week in Armenië niet bij de overheid heeft gemeld en enkel in een hotel heeft verbleven zodat er geen kans op problemen bestond, dat zij toen heeft vernomen dat haar zakenpartner in voorarrest zat, dat zijzelf werd gezocht en dat een zware gevangenisstraf tegen haar werd geëist, dat een ernstig risico op vervolging bestond hetgeen ook blijkt uit een verklaring van haar partijleider K. D. en dat die motivering derhalve niet ter zake is, dat de eerste verzoekende partij op 3 maart 1999 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar en dat al haar bezittingen in beslag werden genomen, blijkens de vordering van het Openbaar Ministerie wegens illegale wapenhandel en landverraad, dat de commissaris-generaal deze laatste beschuldiging uit het oog verliest terwijl het in beginsel om een politiek misdrijf gaat doch dat politieke motieven voor een veroordeling zo goed als nooit uit een strafvonnis blijken, dat de commissaris-generaal de verklaring van partijleider D. niet uitdrukkelijk in twijfel trekt, dat zulks een ernstige indicatie vormt voor een veroordeling op politieke gronden, dat de motiveringsplicht wordt geschonden door daarmee geen rekening te houden in de motivering van de bestreden beslissing, dat de commissaris-generaal zich voor de juistheid van zijn stelling steunt op een verslag van de Belgische ambassade in Moskou, opgesteld voor een andere zaak, dat niet blijkt dat die ambassade over alle nuttige informatie betreffende Armenië beschikt, dat de inhoud van het verslag niet pertinent is nu een vrije deelname van de communistische partij aan het politieke leven niet uitsluit dat individuele leden om politieke redenen worden vervolgd, dat de inhoud ook niet juist is vermits bij de verkiezingen in september 1996 en maart 1998 grote onregelmatigheden voorkwamen en K. D. uiteindelijk samen met anderen op 26 oktober 1999 in het Armeense parlement werd doodgeschoten, dat volgens een verslag van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse zaken veel rechters in Armenië beïnvloedbaar zijn en dat er een gerechtelijke hervorming wordt doorgevoerd doch dat er nog geen hoven van beroep bestaan zodat alle beroepen door het hooggerechtshof worden behandeld, dat de bewijslast bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag bij de overheid ligt en niet omgekeerd, dat uit het stuk waarin de veroordeling van 3 maart 1999 wordt vermeld, blijkt dat de eerste verzoekende partij wordt gezocht en bij het aantekenen van beroep allicht in voorhechtenis zal worden geplaatst, dat vele gevangenen in Armenië blijkens een verslag van Amnesty International van oktober 1996 worden gefolterd en dat de conclusie van de eerste bestreden beslissing dus niet afdoende is gemotiveerd; XIV-625-3/7 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat aan de vereisten van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan nu uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen, dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de bevoegdheid geeft om een asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren als zijnde “kennelijk ongegrond”, dat het asielrelaas coherent, geloofwaardig en aannemelijk moet zijn, dat, voor wat betreft de materiële motivering, de vaststelling dat de eerste verzoekende partij zonder problemen opnieuw op het Armeense grondgebied werd toegelaten en er in een hotel kon verblijven om vervolgens weer via de luchthaven te vertrekken, geen aanwijzing voor een stelselmatige vervolging is en dat met die vaststelling terecht rekening is gehouden bij de beoordeling van de asielaanvraag, dat de commissaris-generaal uit het gebrek aan verband tussen de Armeense processtukken en het lidmaatschap van de communistische partij, uit de deelname van de communistische partij aan het politieke leven en uit de andere vaststellingen de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas kon afleiden, dat de discussie over de kwalificatie van landverraad als politiek misdrijf niet relevant is gezien de ongegrondheid van het asielrelaas betreffende het verband tussen de door de eerste verzoekende partij ondervonden problemen en haar communistisch lidmaatschap, dat de door de verzoekende partij aangehaalde rechtsleer handelt over de territorialiteit van de Belgische strafwet en derhalve niet overdraagbaar is op het Armeense rechtssysteem, dat, voor wat betreft de waarde van het Belgische ambassaderapport, de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, dat de verzoekende partijen er trouwens niet in slagen om de bevindingen uit dat rapport te weerleggen en dat zij slechts ongefundeerde extrapolaties maken, dat de door de verzoekende partijen gelegde verbanden met de dood van K. D. niet relevant zijn, dat de daders werden aangehouden en wachten op hun veroordeling, dat de verzoekende partij enerzijds stelt dat in Armenië geen beroep mogelijk is bij gebrek aan hoven van beroep anderzijds dat alle beroepen door het hooggerechtshof worden behandeld, dat geen verband is aangetoond tussen het lidmaatschap van de communistische partij en de problemen met het gerecht en dat de commissaris-generaal derhalve terecht kon motiveren dat er geen aanwijzingen zijn dat de eerste verzoekende partij niet op een eerlijk proces zou kunnen rekenen; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar het verweer van de eerste verwerende partij; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord betreffende het schorsingsarrest (van 17 mei 2001) aan toevoegt dat in het feitenrelaas niet is verwezen naar de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken van 13 juli 1998 noch naar ‘s Raads schorsingsarrest nr. 78.542 van 4 februari 1999, dat, met betrekking tot haar belang bij de vordering, de verzoekende partij niet alleen van wapenhandel meer ook van landverraad wordt beschuldigd, hetgeen een politiek misdrijf is waarvan de verzoekende partij reeds in tempore non suspecto, gedurende een verhoor XIV-625-4/7 op de dienst Vreemdelingenzaken op 14 april 1999, melding heeft gemaakt, dat de verzoekende partij de beschuldigingen wel degelijk betwist, hetgeen blijkt uit het verhoor op het commissariaat-generaal op 27 september 1999, dat de verzoekende partij in het verzoekschrift heeft vermeld dat zij met een kennis geld heeft verzameld om wapens en levensmiddelen voor de Armeniërs in N. K. te kopen, hetgeen geen gewone wapenhandel en derhalve geen daad van gemeen recht is, dat de verzoekende partij tijdens de eerste en de tweede asielaanvraag niet over de beschuldiging van wapenhandel heeft gesproken omdat zij er pas kennis van kreeg toen zij voor het indienen van de derde asielaanvraag in Armenië was, dat de verzoekende partij zodra mogelijk alle ontvangen documenten heeft getoond, dat zij gedurende de eerste en de tweede aanvraag geen gewag heeft gemaakt van de inzameling van wapens en levensmiddelen voor N. K. omdat zij daar toen niet voor werd vervolgd en dat het opvalt dat de verwerende partijen zich niet beroepen op de exceptie uit het schorsingsarrest; dat de verzoekende partij er in antwoord op het verweer van de eerste verwerende partij aan toevoegt dat in Armenië geen beroep mogelijk is door de afwezigheid van hoven van beroep en dat men zich slechts kan richten tot het hooggerechtshof, dat dit slechts een wettigheidscontrole uitoefent zodat er geen beroep ten gronde mogelijk is, dat de commissaris-generaal niet antwoordt op het argument dat uit het verslag van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat de rechterlijke macht niet onafhankelijk is zodat de verzoekende partij geen recht op een eerlijk proces heeft en dat het verweer van de commissaris-generaal derhalve niet afdoende is; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het zevendaags verblijf van de verzoekende partij in Armenië slechts één element van de motivering vormt; dat de motivering van de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen doch dat het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element van die motivering op zichzelf de beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij met de stelling dat zij gedurende haar verblijf in Armenië geen contact met de overheid aldaar heeft gezocht, het belang van dit element van de motivering wel XIV-625-5/7 relativeert doch niet aannemelijk maakt dat het op onjuiste feitelijke gegevens is gesteund of op onjuiste of kennelijk onredelijke wijze in het geheel van de beoordeling is betrokken; Overwegende dat de verzoekende partij met een aantal stukken alsnog wil aantonen dat zij om politieke redenen wordt vervolgd; dat zij er op wijst dat zij niet enkel wegens wapensmokkel doch ook wegens landverraad wordt vervolgd en daarbij verwijst naar een vordering van het openbaar ministerie van Jerevan van 2 januari 1997; dat uit die vordering echter blijkt dat de verzoekende partij wordt beschuldigd van het feit dat zij als directeur van een onderneming samen met de hoofdboekhouder tussen 30 april 1994 en 30 september 1997 de som van 5.311.704 drams heeft verduisterd en met dat geld 73 vuurwapens en 40.000 kogels heeft aangekocht met het oog op een illegale transactie in Turkije; dat de hoofdboekhouder aan de Turkse grens werd aangehouden doch dat de verzoekende partij tijdig de vlucht kon nemen; dat de verzoekende partij de inhoud van de voormelde vordering en de opgelopen veroordeling bevestigt; dat de commissaris-generaal in redelijkheid geen gegronde vrees voor vervolging op grond van één van de criteria uit de Vluchtelingenconventie hoefde af te leiden uit het kwalificeren van de voormelde feiten als wapensmokkel èn als landverraad in de vordering van het openbaar ministerie in Jerevan; dat het oordeel van de commissaris-generaal niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd, gelet op de aard en de omvang van de wapensmokkel; dat de verzoekende partij verder de van de Belgische ambassade afkomstige informatie als onjuist bestempelt en stelt dat er bedrog bij de presidentsverkiezingen van september 1996 zou zijn gepleegd; dat de verzoekende partij, daargelaten de vraag of zij met de stelling van het tegendeel de inhoud van het kwestieuze verslag effectief weerlegt, het eventuele bedrog bij de presidentsverkiezingen niet op haar eigen situatie, en daarmee niet op het oordeel van de commissaris-generaal dat zij geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk maakt, betrekt; dat de verzoekende partij evenmin aannemelijk maakt dat zij, anders dan in de bestreden beslissing wordt gesteld, in graad van beroep geen eerlijk proces zou kunnen krijgen omwille van één van de criteria uit de Vluchtelingenconventie; dat het eventueel onvoldoende uitgebouwd zijn van de rechterlijke organisatie, waardoor de facto geen beroep bij de Armeense hoven van beroep doch enkel bij het hooggerechtshof zou openstaan, niet als een grond van vrees voor vervolging op grond van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie kan worden beschouwd; dat de verzoekende partij derhalve niet aantoont dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vluchtelingenconventie beschikt; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-625-6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 694,10 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juli tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Ch. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. C. ADAMS. XIV-625-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.674 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.529 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.