id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.723 Rolnummer: A. 62960/X-10148 Zaak: Arrest 147723 - - 20/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-01 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 22:21 Fiche Arrest nr 147.723 van 20 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.723 van 20 juli 2005 in de zaak A. 62.960/X-10.
- In zake : Gilbert DE WILDE, die woonplaats kiest bij Advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- tussenkomende partij : Philippe DE MEERSMAN, die woonplaats kiest bij Advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gilbert DE WILDE op 24 maart 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 januari 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij het beroep van Philippe DE MEERSMAN tegen de beslissing van 7 april 1994 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen wordt ingewilligd en hem de bouwver- gunning wordt verleend strekkende tot "de regularisatie van het overdekken van een bestaand buitenterras bij een bestaande manege" op een perceel gelegen te Gent (Zwijnaarde) aan de Klossestraat 64, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 364z en 364c2; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 november 1995; Gelet op de beschikking van 16 januari 1996 die de tussenkomst van Philippe DE MEERSMAN toelaat; X-10.148-1/5 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 7 maart 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 1 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor verzoeker, van Advocaat I. BOCKSTAELE die, loco Advocaat P. TAELMAN verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. HULPIAU die, loco Advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de tussenkomende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer uiteenzet wat volgt : "
- De verzoekende partij is de onmiddellijk aanpalende buurman van de manege 'De Hoefslag'. In en rond deze manege worden herhaalde sportmanifestaties georganiseerd, waaronder ruitersportwedstrijden en binnenmotorcrossevenementen. Als buurman ondervindt de verzoekende partij veel hinder van deze manege en de er georganiseerde manifestaties, voornamelijk door al wat er zich buiten de gebouwen afspeelt.
- De manege beschikt over een milieuvergunning voor het uitbaten van een rijschool, de stalling van 100 paarden, een propaangastank, mestopslag en het stallen van 4 voertuigen, andere dan personenwagens. Deze milieuvergunning X-10.148-2/5 werd op 21 april 1994 verleend door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en is door de verzoekende partij aangevochten met een annulatieberoep (...). De uitbater had tevens een vergunning voor een dansgelegenheid met cafetaria gevraagd, maar dit werd geweigerd. (...)"; Overwegende dat de tussenkomende partij in het verzoekschrift tot tussenkomst opwerpt dat verzoeker niet doet blijken van het wettig vereiste belang; dat zij stelt dat verzoeker niet het bewijs levert dat hij in de onmiddellijke omgeving van het betrokken perceel woont, dat de eigendom van verzoeker zich situeert op ruim 200 m van haar percelen, dat zijn woning drie huisnummers verder in de Hemelrijkstraat ligt dan het perceel waarop de gebouwen van de manege zijn gelegen, dat zoals blijkt uit het plan niet minder dan drie andere percelen en woningen het perceel van verzoeker scheiden van de terreinen waarop haar inrichting is gelegen, en dat bovendien een natuurlijke afscheiding wordt gemaakt tussen de Klossestraat en de Hemelrijkstraat door enerzijds een openbare weg (Oude Spoorweg - grintverharding) en anderzijds een dicht begroeid bos, dat van enige schending van een esthetisch uitzicht geen sprake kan zijn, aangezien het vergunde werk enkel een overdekking van een bestaand vergund terras betreft, dat op geen enkele wijze storend is voor wie dan ook, dat verzoeker bovendien ook geen zicht heeft op het gebouw aan de zijde waarvan het kwestieuze terras is gebouwd, dat verzoeker in gebreke blijft aan te tonen dat hij op enige wijze hinder ondervindt of zelfs maar zou kunnen ondervinden van het kwestieuze bouwwerk; Overwegende dat verzoekers raadsman in antwoord op het schrijven van 3 mei 2000 van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat waarin werd gevraagd "mede te delen of er zich sedert (de afhandeling van de voorafgaande maatregelen) omstandigheden hebben voorgedaan die een weerslag hebben op de verdere behandeling van de zaak en alleszins het actueel belang van Uw cliënt bij de gevraagde vernietiging te willen toelichten", met een schrijven van 29 mei 2000 meedeelde "cliënt laat ons weten dat in de betrokken gebouwen nog steeds feesten en luidruchtige evenementen worden georganiseerd in strijd met de gewestplanbestemming. Dit illustreert ten volle dat de bouwwerken niet hadden mogen worden vergund."; dat verzoeker geen antwoord heeft gegeven op de door de tussenkomende partij aan de hand van concrete en precieze gegevens aangevoerde exceptie van belang zoals hiervoor uiteengezet; dat het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat uit het liggingsplan, gevoegd bij de bouwaanvraag van 24 februari 1992 "tot bouwen overdekking bestaand X-10.148-3/5 buitenterras bij bestaande manege (manege De Hoefslag)" heeft afgeleid dat verzoeker niet "de onmiddellijke aanpalende buurman van de manege" is of kan zijn, vermits het perceel waarop die bouwaanvraag betrekking heeft, in de richting van verzoekers woonplaats, eerst afgescheiden wordt door een beek, en vervolgens door aan de aanvrager toebehorende weiden, welke palen aan een weg (oude spoorweg), dat hij in vogelvlucht woont op een afstand van 170 à 200 m van het gebouw waartegen het litigieuze terras wordt aangebouwd, doch dat hij blijkbaar -dit mede op grond van de zich in het administratief dossier bevindende luchtfoto- geen zicht heeft op het terras, en dat redelijkerwijze moeilijk kan worden aangenomen dat het vergunde gesloten terras, de door verzoeker aangevoerde hinder zou meebrengen, dat het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat op grond van de hem beschikbare gegevens terecht de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie gegrond heeft bevonden en op grond daarvan heeft besloten tot de niet ontvankelijkheid van het beroep; dat het verslag hiertoe is beperkt (artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State); dat de door verzoeker voor het eerst in zijn laatste memorie aangevoerde omstandige argumentatie, welke hij reeds in zijn antwoord aan het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat had kunnen aanvoeren, aan voormelde vaststellingen geen afbreuk meer kan doen; dat er anders over oordelen betekent dat -indien op grond van deze argumentatie tot de verwerping van de exceptie zou dienen te worden besloten- de Auditeur-verslaggever andermaal, maar nu bij arrest, moet worden gelast met het onderzoek van de zaak, onderzoek dat hij, toen het ogenblik daarvoor was gekomen, niet heeft kunnen doen ingevolge het gebrekkige antwoord dat door verzoeker op zijn vragen werd gegeven; dat een dergelijke opdracht, die het normale verloop van de procedure verstoort, niet kan worden gegeven ter wille van een partij die zelf heeft nagelaten op een afdoende wijze haar medewerking aan de procedure te verlenen; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.148-4/5 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euo, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig juli 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.148-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.