id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.750 Rolnummer: A. 121555/XIV-10166 Zaak: Arrest 147750 - - 20/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 22:23 Fiche Arrest nr 147.750 van 20 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.750 van 20 juli 2005 in de zaak A. 121.555/XIV-10.166 In zake : XXX, wonende te B. tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 16 juni 1976 en van Liberiaanse nationaliteit, op 27 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 26 april 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 31 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-10.166-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat J.P. VIDICK, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 21 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 22 september 2000. 1.2. Op 26 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 26 april 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: kennelijk ongegrond. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...). U verklaarde een Liberiaans staatsburger te zijn, woonachtig te Monrovia. In september 1990 ontvluchtte u de oorlog in Liberia en ging u bij uw zus,B., en haar echtgenoot wonen in Nzérékoré, Guinee. In juli 1994 keerde u terug naar Monrovia. Hier werd u rond november 1996 gearresteerd op verdenking lid te zijn van de Ulimo (waarvan u de betekenis niet kent) daar Alhaji Kromah, de leider van Ulimo, in Nzérékoré zijn basis heeft. Gedurende twee weken werd u opgesloten in Monrovia, maar daar u geen informatie hierover kon verschaffen, werd u vrijgelaten. Opnieuw verliet u Liberia en vestigde u zich in Nzérékoré. Daar u in 1995 reeds een knie blessure opliep tijdens het voetballen, ging u in 2000 naar Conakry om deze blessure te laten behandelen. U verbleef in Conakry bij Thomas Freeman. Op 9 september 2000 gaf de Guinese president, Lansana Conte, het bevel alle vreemdelingen (en dan voornamelijk Liberianen en Sierraleoners) te arresteren. Diezelfde avond bevond u zich op een ontmoetings- plaats voor Liberianen te Conakry. U, Thomas Freeman en de overige aanwezigen werden door de politie gearresteerd. Na twee dagen werd Thomas Freeman vrijgelaten. Hij zorgde ervoor dat u (
- op)de nacht van 15 september onofficieel vrijgelaten werd. Hierdoor moest u zich verborgen houden in Thomas Freemans' huis. Freeman adviseerde u uit veiligheidsoverwegingen het land XIV-10.166-2/5 te verlaten. Tegen betaling kon u op 20 september 2000 het vliegtuig nemen naar België. Op 22 september 2000 vroeg u asiel aan in België. Er dient te worden opgemerkt dat u niet aannemelijk hebt gemaakt dat de door u ingeroepen feiten ter staving van uw asielaanvraag een uiting zouden zijn van een geïndividualiseerde 'vrees voor vervolging' in de zin van de Conventie van Genève. Zo kan er ten sterkste getwijfeld worden aan de persoonlijke vrees die u meent te koesteren ten opzichte van uw land van herkomst, Liberia. Vooreerst is het ten zeerste opmerkelijk dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) (verhoor dd. 26 september 2000) met geen woord repte over de reden waarom u Liberia verliet. U maakte voor de Dienst Vreemdelingenzaken namelijk op geen enkel moment melding van uw arrestatie en gevangenschap in Liberia, zelfs niet wanneer u er expliciet naar gevraagd werd (verslag DVZ, punten 42-46). Deze nalatigheid ondermijnt de geloofwaardigheid omtrent de ernst van uw problemen in Liberia in ernstige mate. Verder vermeldde u voor het Commissariaat-generaal (Cg) in 1996 gedurende twee weken te zijn opgesloten te Monrovia op verdenking lid te zijn van Ulimo. Wanneer bleek dat u geen informatie kon verschaffen omtrent deze groep, werd u vrijgelaten (verslag Cg, p.3). Uw vrees gezocht en opnieuw gearresteerd te worden bij uw terugkeer naar Liberia kan dan ook aanzienlijk gerelativeerd worden. Bovendien dateren deze feiten reeds van het jaar 1996. Uit bovengaande opmerkingen blijkt er dan ook geen enkele reden te zijn waarom u -na de door u gekende problemen in Guinee- niet zou kunnen teruggekeerd zijn naar uw land van herkomst. Het door u voorgelegde Liberiaanse diplomatiek paspoort (met nummer D/003413-95) wijzigt voorgaande vaststellingen niet, daar het document slechts persoonsgegevens bevat die niet meteen worden betwist. Het door u voorgelegde artikel van internet en het document van de Guinese autoriteiten (dd. 18 september 2000), wijzigen voorgaande argumenten evenmin daar uw wedervaren in Guinee niet meteen wordt betwist. Tot slot brengt het verzoekschrift van uw (toenmalige) advocaat, Ruelens Frank (dd.29 september 2000), tot instelling van een dringend beroep geen ander element naar voren dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”. 2. Overwegende dat uit de brief van 3 juni 2005 van de Dienst Vreemde- lingenzaken, blijkt dat er op 30 november 2004 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat de verzoekende partij ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocate van de verzoekende partij ter zitting meedeelt te volharden in de verzoekschriften; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactuali- seerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemde- lingencontentieux; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij sedert 30 november 2004 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; 3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de schending van het beginsel van het behoorlijk bestuur, de schending van de rechten van de asielzoeker en de schending van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoekende partij uiteenzet dat XIV-10.166-3/5 zij, ondanks haar uitdrukkelijk verzoek, niet werd bijgestaan door een tolk; dat een ambtenaar van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen optrad als tolk; dat de verzoekende partij stelt dat een tolk zich onderscheidt door de vakkundige en onafhankelijke wijze waarop hij zijn opdracht vervult; dat aldus de objectiviteit van de vertaling wordt gewaarborgd; dat de verzoekende partij besluit dat de ambtenaren van de Belgische overheid bijzonder onbekwaam bleken te zijn en dat de problemen met betrekking tot de bestreden beslissing enkel en alleen het gevolg zijn van de onbekwaamheid van de ambtenaren van het Commissariaat-generaal als tolk; Overwegende dat, wat de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betreft, de verzoekende partij niet aangeeft welke rechtsregel(
- s)en rechtsbeginselen werden geschonden door de bestreden beslissing; dat zij zich beperkt tot het vermelden van “het ontbreken van de motivering of van een afdoende motivering”, hetgeen niet beantwoordt aan een ontvankelijk middel zoals vereist door artikel 20, 2/ van het koninklijk besluit houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 9 juli 2000; dat dit onderdeel van het enig middel van de verzoekende partij onontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij de in de bestreden beslissing vastgestelde hiaten en onduidelijkheden in haar relaas wijt aan de tolk en aan de vertaling; dat zij in dit verband de schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet aanvoert; dat voornoemd artikel als doel heeft de taal van het onderzoek van de asielaanvraag te bepalen en geenszins de verplichting inhoudt om het interview te laten plaatsvinden in aanwezigheid van een tolk; dat het formulier dat de verzoekende partij ondertekende en waarbij zij om een tolk Engels verzocht, dient om de toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet mogelijk te maken; dat bovendien uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend en heeft verklaard dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij gegeven heeft; dat uit het verhoorverslag voor de Commissaris-generaal niet blijkt dat de verzoekende partij enige opmerking omtrent vertaalproblemen heeft gemaakt; dat zij ook thans niet in concreto aantoont welke communicatieproblemen zich hebben voorgedaan in verband met de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden en in welke mate dit haar rechten heeft aangetast; dat het enig middel ongegrond is; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de XIV-10.166-4/5 vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.166-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.750 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div