id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.751 Rolnummer: A. 118673/XIV-9244 Zaak: Arrest 147751 - - 20/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 22:23 Fiche Arrest nr 147.751 van 20 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.751 van 20 juli 2005 in de zaak A. 118.673/XIV-9244 In zake : XXX, wonende te A., V.straat 45 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 december 1976 en van XXX nationaliteit, op 25 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 22 februari 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-9244-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat J.P. VIDICK, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 12 januari 2002 en verklaart zich vluchteling op 15 januari
- 1.
- Op 29 januari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 februari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaringen, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...). Mijn beslissing is gebaseerd op de bvolgende motieven: U verklaarde afkomstig te zijn uit B. (N.), maar te wonen in E. (S.). Sinds 1997 was u lid van de S. (S.), binnen dewelke u de functie van peacemaker had. Op 1 oktober 2001 nam u deel aan een manifestatie in K. ter herdenkeing (herdenking) van de veertigste verjaardag van de hereniging van XXX. Rond de middag werd de feestende massa op de B. bestormd en beschoten door de politie. U zag drie doden vallen; samen met een aantal anderen werd u opgepakt en naar het politiekantoor van K. gevoerd. Daar werden enkele arrestanten uit de politiewagen gehaald en u werd met een vijftigtal andere opgepakte betogers naar B. gevoerd. Met meer dan vijftig personen werd u in een politiecel opgesloten. Tijdens deze opsluiting overleed een medegevangene. Op 15 oktober 2001 werd u na een tussenkomst van de Human Rights Defence Group vrijgelaten en ging u voor een maand naar S. om u er te laten verzorgen. Op 30 november 2001 vond er bij u thuis in E. een bijeenkomst van het S. plaats. Na enige tijd viel de politie binnen en vijf personen, waaronder uzelf, werden opgepakt en meegevoerd naar het politiekantoor in Buea. Door de zware mishandelingen verloor u het bewustzijn en werd u naar het Buea General Hospital gebracht, waar u door één agent werd bewaakt. Op 25 december 2001 kon u vanuit dit ziekenhuis ontsnappen omdat de aandacht van de agent, die verondersteld werd u te bewaken, meer naar een verpleegster uitging. U vluchtte naar uw schoonbroer in L. Uw vrouw zei u dat u door agenten gezocht werd. Op 11 januari 2002 reisde u vanuit Douala naar België, waar u op 15 januari 2002 asiel aanvroeg. XIV-9244-2/7 Er moet worden vastgesteld dat vage en foutieve verklaringen niet toelaten geloof te hechten aan uw relaas. Vooreerst is uw engagement binnen de S. niet geloofwaardig. U stelde verkeerdelijk dat de S. (S.) de jongerenafdeling van de S. is (verhoorverslag Commissariaat- generaal, p.5); het betreft daarentegen een autonome organistie binnen de S. (zie Kristine Goossens, XXX, een luchtspiegeling van een democratische staat?, januari 2000). Tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken had u het dan weer enkel over de S. en maakte u geen gewag van de S. (verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, dd. 23 januari 2002, punt 42). Verder wist u niet tot wanneer J. S.-leider bleef en wat de huidige functie van N. is. Gevraagd naar andere functies binnen de S. kon u er geen noemen (p.3-4). Verder stemt uw S.-lidkaart niet overeen met het model in het bezit van het Commissariaat-generaal, en bevat het enkele flagrante spellingsfouten (Demogracy; Singn.) zodat de authenticiteit van dit document niet enkel niet te garanderen valt, maar zelfs ten zeerste valt te betwisten. Het attest van C. (dd. 8 januari 2002) en de fax van de chairman van de S. in de F. (dd. 15 februari 2002) doen hieraan geen afbreuk omdat de authenticiteit ervan evenmin kan gegarandeerd worden. Uw betrokkenheid bij de evenementen in K. kan eveneens betwijfeld worden. U stelde dat het traject tussen B. en K. ongeveer een uur tijd in beslag nam, wat zeer bedenkelijk is gezien het een traject van meer dan 100 km betreft, waar(over) het openbaar vervoer een zestal uur voor nodig heeft (Lonely Planet, West Africa). Volgens uw verklaringen chargeerde de politie omtrent de middag op de B.; volgens onze bronnen, in het dossier gevoegd, opende de gendarmerie om negen uur het vuur in het stadion van de K. Daarenboven kan uw reisweg bij gebrek aan geldige documenten terzake niet worden nagegaan. Uw identiteitskaart (Nr. 100231924, afgeleverd op 1 mei 1997) doet geen afbreuk aan het voorgaande vermits uw nationaliteit en identiteit niet worden betwist. De neergelegde informatie van Amnesty International doet evenmin afbreuk aan het bovenstaande omdat het algemene informatie betreft, zonder dat u er bij naam vernoemd wordt. Het medische attest (dd. 13 februari 2002, afgeleverd door Dr. M.) vermeldt niet wat de oorzaak is van de beschreven letsels en doet alsdusdanig evenmin terzake. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”.
- Overwegende dat uit de brief van 3 juni 2005 van de Dienst Vreemdeling- enzaken, blijkt dat er op 13 maart 2003 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat de verzoekende partij ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocate van de verzoekende partij ter zitting van 15 juni 2005 meent dat de afvoering geen bewijs is van afwezigheid van de verzoekende partij en dat zij volhardt in het inleidend verzoekschrift; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactualiseerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemdelingenconten- tieux; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij sedert 13 maart 2003 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen “het ontbreken van een goede administratie”; XIV-9244-3/7 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het enig middel aanvoert dat de aangevochten beslissing “een bevestiging inhoudt komende uit de redactie van een rapport opgesteld door Christine Goossens die niemand meer is dan een agent van het CGVS”; dat verzoeker uiteenzet dat informatie opgesteld door een ambtenaar van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet aan de basis mag liggen van een negatieve beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker bepaalde elementen van de bestreden beslissing aanvecht, met name de verhouding tussen het S. en het S., en het oordeel van de Commissaris-generaal over de door verzoeker ingediende documenten, met name verzoekers lidkaart van de S. en het medisch attest; dat verzoeker meent dat het Commissariaat-generaal verplicht is de echtheid van dit document te bewijzen en dat dit document bij gebrek aan bewijs als authentiek moet worden beschouwd; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen tot doel heeft de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiverings- plicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiverings- plicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het enig middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvank- elijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3 van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft XIV-9244-4/7 besloten omdat een aantal vage en foutieve verklaringen niet toelaten geloof te hechten aan het verhaal van verzoeker: - hij stelde verkeerdelijk dat de S. (S.) de jongerenafdeling van de S. is; het betreft daarentegen een autonome organistie binnen de S.; tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken had hij het enkel over de S. en maakte hij geen gewag van de S.; - verder wist verzoeker niet tot wanneer J. S.-leider bleef en wat de huidige functie van Ngala Nfor is; gevraagd naar andere functies binnen de S. kon hij er geen noemen; - verder stemt zijn S.-lidkaart niet overeen met het model in het bezit van het Commissariaat- generaal, en bevat het enkele flagrante spellingsfouten (Demogracy; Singn.), zodat de authenticiteit van dit document niet enkel niet te garanderen valt, maar zelfs ten zeerste valt te betwisten; het attest van C. (dd. 8 januari 2002) en de fax van de chairman van de S. in de F. (dd. 15 februari 2002) doen hieraan geen afbreuk, omdat de authenticiteit ervan evenmin kan gegarandeerd worden; Overwegende dat de verklaring van verzoeker dat bronnen die afkomstig zijn van medewerkers van het Commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen, niet mogen worden gebruikt, niet opgaat; dat verzoeker niet aanduidt in welk opzicht deze bronnen zouden tekortschieten; dat verzoeker een uitleg post factum geeft betreffende de verhouding tussen het S. en het S., die geen afbreuk doet aan de door hem afgelegde en niet betwiste verklaringen; dat in de ontvankelijkheidsfase de bewijslast in de eerste plaats bij de asielzoeker berust; dat het derhalve aan de asielzoeker toekomt om de authenticiteit te bewijzen van de documenten die hij aanvoert ter ondersteuning van zijn asielaanvraag; dat, met betrekking tot het medisch attest, uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens om te komen tot zijn besluit; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het eerste onderdeel van het enig middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel van het eerste middel niet aangeeft welke rechtsregel(s) en rechtsbeginselen werden geschonden door de bestreden beslissing; dat hij zich beperkt tot het vermelden “dat het eveneens gaat over het ontbreken aan een goede administratie van een dossier die alle nodige goedwillige attentie vereiste vanwege het CGVS in mate de verzoeker zelf meegewerkt heeft met zijn weinige middelen aan het opstellen van de bewijzen ondermeer betreffende zijn identiteit”; dat verzoeker geen gegevens aanbrengt die aantonen dat de Commissaris-generaal substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen heeft geschonden of zijn macht heeft overschreden of afgewend; dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; XIV-9244-5/7
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-9244-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9244-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div