← België

Arrest 147752 - - 20/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.752 Rolnummer: A. 103537/XIV-3320 Zaak: Arrest 147752 - - 20/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 22:23 Fiche Arrest nr 147.752 van 20 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.752 van 20 juli 2005 in de zaak A.103.537/XIV-3320 In zake :XXX die woonplaats kiest bij Advocaat L. PEPERMANS, kantoor houdende te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 38 tegen :

  1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 oktober 1981 en van Kazakse nationaliteit, op 18 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 19 maart 2001; Gelet op het arrest nr. 109.523 van 24 juli 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-3320-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. PEPERMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  4. De verzoekende partij komt België binnen op 24 januari 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  5. Op 9 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 19 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 26 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is. Betrokkene, een staatsburger van Russische origine, verliet zijn land op 15 december 1999, Hij reisde, samen met zijn broer -K. A.- en zijn moeder- K. T.- naar België waar hij op 23 januari 2000 arriveerde en op 24 januari 2000 asiel aanvroeg. Betrokkene is niet in het bezit van een geldig internationaal identiteitsdocument. Volgens betrokkenes verklaringen voor het Commissariaat-generaal zou hij in zijn land van herkomst problemen hebben gekend met zijn militaire overheid. Toen betrokkene 18 jaar werd zou hij een uitnodiging ontvangen hebben van het leger om zich te melden bij het Militair commissariaat voor zijn legerdienst. Op 29 oktober 1999 zou hij naar het commissariaat gegaan zijn, waar hij meldde dat hij studeerde en bijgevolg niet in aanmerking kwam voor dienstplicht. Daarop zou hij uitstel verkregen hebben voor drie jaar. Op 5 december 1999 zouden twee mannen betrokkene thuis zijn komen halen. Hij zou mee(ge)voerd zijn naar een verzamelpunt XIV-3320-2/6 en vandaar naar een trein gebracht zijn. Eénmaal onderweg zou hij vernomen hebben dat ze naar de oorlog in Tsjetsjenië gevoerd werden. Daarop zou betrokkene uit de trein gesprongen zijn en naar kenissen gevlucht zijn waar hij op 6 december 1999 aankwam. Hij zou via vrienden zijn moeder van het gebeuren verwittigd hebben. Op 25 december 1999 zou zijn broer hem uit het dorp zijn komen halen en zou hem naar Polen gevoerd hebben. Enige tijd later zou zijn broer hem daar vervoegd hebben omdat die eveneens dreigde te worden weggevoerd naar Tsjetsjenië, in plaats van betrokkene. Op 21 januari 2000 zou ook hun moeder zich bij hen gevoegd hebben. Er dient te worden gesteld dat verscheidene tegenstrijdigheden tussen betrokkenes verklaringen en die van zijn broer -K. A.- de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen. Zo verklaart betrokkene dat hij éénmaal werd opgeroepen op 29 oktober 1999 en dat de volgende confrontatie met de militairen op 5 december 1999 was, toen hij werd meegevoerd. Verder zou hij (zie CGVS p.10) geen convocaties hebben ontvangen. Echter, volgens zijn broer A. (zie CGVS p. 8) zou betrokkene begin november 1999 een tweede convocatie ontvangen hebben om zich op 5 december 1999 aan te melden. Nog steeds volgens zijn broer voor het Commissariaat-generaal zou betrokkene toen opnieuw naar het Commissariaat gegaan zijn om zijn uitstel aan te tonen. Op basis van deze vaststellingen kan ernstig worden getwijfeld aan de waarachtigheid van betrokkenes verklaringen inzake zijn oproeping voor de militaire dienst. De geloofwaardigheid van betrokkenes verklaringen wordt verder ondergraven door tegenstrijdige verklaringen inzake de gebeurtenissen na betrokkenes vlucht uit de trein. Zo verklaart betrokkene voor het Commissariaat-generaal (zie CGVS p.4) dat zijn broer Aleksej hem alleen kwam halen en naar Polen voerde, terwijl zijn broer verklaart, zowel in zijn beroepschrift als tijdens het interview in dringend beroep (zie verzoekschrift dringend beroep, CGVS p. 10) dat hij en zijn vriend Samuel samen betrokkene naar Polen voerden. Verder stelt betrokkene voor het Commissariaat-generaal bij de familie Ivanov te hebben verbleven (zie CGVS p. 3 en p. 7), terwijl hij voor de DVZ verklaart dat het om de familie Almanova ging. Betrokkene beweert verder voor het CGVS (zie Commissariaat-generaal p. 10-11) dat zijn broer Aleksej rechtstreeks door het militair commissariaat bedreigt (bedreigd) werd en niet enkel via hun moeder, terwijl Aleksej zelf geen confrontatie met de militairen vermeldt, maar stelt dat hij hen nooit gezien heeft (zie CGVS p. 10). Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging zoals in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van zijn asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakte) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 9 juni
  7. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
  8. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  9. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoeker uiteenzet dat overeenkomstig dit artikel de Commissaris-generaal of één van zijn adjuncten de aangevochten beslissing bevestigt of beslist dat een verder onderzoek noodzakelijk is binnen dertig dagen na het indienen van het hoger beroep; dat verzoeker stelt dat deze termijn in casu ruimschoots werd overschreden; dat verzoeker besluit dat dit bovendien een schending uitmaakt van het algemeen rechtsbeginsel dat iedere overheid dient te beslissen binnen een redelijke termijn XIV-3320-3/6 en tevens van artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.); 2.1.
  10. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de termijn die in art. 63/3 van de Vreemdelingenwet wordt bepaald, een termijn van orde is; dat de niet-naleving van deze termijn niet leidt tot de nietigheid van de bevestigende beslissing; dat zij stelt dat verzoeker niet uitwerkt in hoeverre artikel 6 van het E.V.R.M. werd geschonden, en dat dit artikel bovendien betrekking heeft op juridictionele instanties; Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in haar memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.1.
  11. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opmerkt dat hij volhardt in de middelen en argumenten zoals vervat in het initieel verzoekschrift; 2.1.
  12. Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet een termijn van dertig werkdagen bepaalt waarbinnen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat, gelet op het groot aantal asielaanvragen en op de datum van de bestreden beslissing, de redelijke termijn niet werd overschreden; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het E.V.R.M., niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak M. tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op het asielrecht, zodat niet kan worden ingezien waarom verzoeker artikel 6 van het E.V.R.M. inroept; dat dit bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd omdat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  13. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert “dat de motivering van de Commissaris-generaal niet steunt op pertinente feiten en bovendien niet afdoende is, zodat er sprake is van machtsoverschrijding”; 2.2.
  14. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat verzoeker geen elementen aanbrengt waaruit zou blijken dat de XIV-3320-4/6 motiveringsverplichting werd geschonden; dat zij uiteenzet dat verzoeker zich ertoe beperkt te stellen dat de Commissaris-generaal zijn beslissing niet heeft gesteund op pertinente feiten en dat de beslissing hierdoor niet afdoende is gemotiveerd, en zo geen gegevens aanbrengt die de vastgestelde tegenstrijdigheden ontkrachten; dat de beslissing bijgevolg voldoende is gemotiveerd; Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in haar memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.2.
  15. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opmerkt dat artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet voorschrijft dat de administratieve beslissingen met redenen omkleed worden; dat artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan die beslissing, en dat de gegeven motivering afdoende dient te zijn; dat in casu aan de motiveringsplicht geenszins is voldaan; dat de Commissaris- generaal de bestreden beslissing motiveert door te wijzen op vier zogenaamde tegenstrijdigheden; dat verzoeker meent dat het bestaan van tegenstrijdigheden op zich niet voldoende is om tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag van verzoeker te besluiten; 2.2.
  16. Overwegende dat verzoeker de schending van de motiveringsplicht inroept; dat verzoeker echter nalaat met concrete elementen aan te tonen waarom de motivering niet afdoende is; dat verzoeker, zonder verdere concrete verduidelijking aan te brengen, opmerkt dat zijn verklaringen blijk geven van een ernstige vrees voor vervolging; dat het middel zoals uiteengezet in het inleidend verzoekschrift onvoldoende is uitgewerkt om tot de vernietiging te kunnen leiden; Overwegende dat voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord het middel verder uitwerkt, moet worden opgemerkt dat de argumenten die verzoeker aanhaalt betrekking hebben op elementen die hem reeds bekend waren bij het indienen van het verzoekschrift en dat zij evenmin de openbare orde raken; dat verzoeker de argumentatie zoals uiteengezet in zijn memorie van wederantwoord derhalve reeds kon uiteenzetten in zijn inleidend verzoekschrift; dat bijgevolg geen rekening kan worden gehouden met de argumentatie van verzoeker in zijn memorie van wederantwoord; dat het tweede middel in het inleidend verzoekschrift te summier is ontwikkeld; Overwegende dat het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden, BESLUIT: XIV-3320-5/6 Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-3320-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.752 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.