id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.760 Rolnummer: A. 105741/XIV-4938 Zaak: Arrest 147760 - - 25/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 22:25 Fiche Arrest nr 147.760 van 25 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.760 van 25 juli 2005 in de zaak A.105.741/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 22 juni 1943 en van Slowaakse nationaliteit, op 8 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 2 juli 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-4938-1/6 Gelet op de beschikking van 5 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 januari 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 1 februari 2001 en verklaart zich vluchteling op 8 februari
- 1.
- Op 8 februari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 9 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene, een Slov(w)aaks staatsburger van Roma-origine, zou op 31 januari 2001 Slov(w)akije verlaten hebben richting België waar haar zoon Jozef Balog (o.v. 4.946.120) zich reeds bevond. betrokkene zou op 1 februari 2001 in België aangekomen zijn waar ze op 8 februari 2001 het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van een geldig internationaal Slov(w)aaks paspoort. Volgens betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 8 februari 2001) zou betrokkene haar land verlaten hebben omdat ze er problemen had met de politie die op zoek was naar haar zoon J. B.. Betrokkenes zoon zou lid zijn van de ROIKA. Ongeveer een jaar geleden zouden de vervolgingen begonnen zijn. Betrokkenes zoon en zijn vrouw zouden meermaals geslagen zijn. In maart 2000 zou betrokkenes zoon naar België gekomen zijn. Na het vertrek van haar zoon zou betrokkene lastiggevallen en geslagen zijn door politieagenten die haar vroegen waar haar zoon was. Uit betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 8 februari 2001) blijkt dat ze haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door haar zoon J. . ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen omwille van verschillende tegenstrijdige verklaringen. Derhalve dient ook voor betrokkene een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen te worden. XIV-4938-2/6 Verder haalt betrokkene aan dat ze na het vertrek van haar zoon uit Slov(w)akije door de politie lastiggevallen en geslagen werd omdat ze op zoek waren naar betrokkenes zoon. Gezien het feit dat haar zoon bedrieglijke verklaringen aflegde op het Commissariaat-generaal waardoor er geen geloof aan zijn problemen kon gehecht worden is het ongeloofwaardig dat de politie betrokkene zou lastiggevallen hebben omdat ze op zoek waren naar haar zoon. Gezien het bovenstaande kan er in hoofde van betrokkene geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. Het door betrokkene neergelegde document (internationaal Slov(w)aaks paspoort) wijzigt niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet aangezien het geen betrekking heeft op de door betrokkene ingeroepen problemen. Aangezien uit betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat betrokkenes asielaanvraag kennelijk ongegrond is, achtte de Commissaris-generaal het niet noodzakelijk om betrokkene nogmaals te horen in een interview op het Commissariaat-generaal. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 februari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit de schending van “art. 51/4 van de Vreemdelingenwet”; Overwegende dat de thans bestreden beslissing steun vindt in de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 december 2000 genomen in de zaak van de zoon van de verzoekende partij, de heer J. B.; dat de zaak van de zoon gekend is onder het rolnummer A. 98.399/XIV-1152; dat in deze zaak op 6 januari 2003 een eindarrest is gewezen door deze kamer, anders samengesteld, gekend onder het nr. 114.258, dat in kracht van gewijsde is getreden; Overwegende dat verzoekster artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet dienstig kan aanvoeren, nu blijkt uit de bestreden beslissing en uit het administratief dossier dat zij niet werd gehoord; dat het niet horen van verzoekster zijn oorzaak vindt in de omstandigheid, dat blijkt uit de verklaringen van de verzoekende partij voor de Dienst Vreemdelingenzaken van 8 februari 2001 “dat ze haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door haar zoon J. B. ter staving van zijn asielrelaas.”; XIV-4938-3/6 Overwegende dat het eerste middel van de verzoekende partij niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel afleidt uit de schending van “artikel 57 van de Taalwet”; Overwegende dat dit middel geen betrekking heeft op de bestreden beslissing, vermits de verzoekende partij niet werd gehoord op het Commissariaat-generaal; Overwegende dat het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel afleidt uit de schending van “het motiveringsvereiste”; Overwegende dat uit de inhoud van het middel blijkt dat het uitgaat van een foutief feitenrelaas, zodat het feitelijke grondslag mist en bijgevolg onontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel afleidt uit de schending van “art. 63/3 (van) (de) Vreemdelingenwet”; Overwegende dat uit de bladzijden 9 tot en met 12 van het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij steunt op een asielrelaas dat betrekking heeft op een andere zaak waarvan zij niet aantoont dat die zaak met haar zaak te maken heeft; dat een middel dat steunt op een asielrelaas dat vreemd is aan het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijke grondslag mist en bijgevolg onontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel afleidt uit de schending van “de motiveringsverplichting”; 2.5.
- Overwegende dat het eerste onderdeel van dit middel algemene en theoretische beschouwingen inhoudt over de motiveringsplicht; dat hiervoor wordt verwezen naar de bladzijden 12 tot 13 van het verzoekschrift; dat een dergelijke uiteenzetting niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; 2.5.
- Overwegende dat het tweede onderdeel van het middel een bestreden beslissing weergeeft die niets te maken heeft met de thans bestreden beslissing; dat de Raad van State hiertoe verwijst naar de bladzijden 13 tot en met 15 van het verzoekschrift; dat dit onderdeel feitelijke grondslag mist en bijgevolg onontvankelijk is; XIV-4938-4/6 2.5.
- Overwegende dat het derde onderdeel van het vijfde middel een soort ontleding inhoudt van de verschillende onderdelen van de bestreden beslissing genomen in het kader van de asielaanvraag van de zoon van de verzoekende partij; dat deze ontleding feitelijke grondslag mist, vermits zij uitgaat van een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die niet het voorwerp uitmaakt van het beroep in het kader van huidige procedure; dat dit onderdeel bijgevolg niet kan leiden tot de nietigverklaring van de thans bestreden beslissing; dat dit onderdeel bovendien een vergissing inhoudt betreffende de nationaliteit van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij een Slowaaks staatsburger is van Roma-origine en geen Albanese is, zoals verzoekende partij beweert in haar verzoekschrift op bladzijde 18; Overwegende dat de volgende onderdelen van het vijfde middel uitgaan van een foutieve bestreden beslissing, zodat deze onderdelen feitelijke grondslag missen en in hun geheel genomen onontvankelijk zijn; Overwegende dat mocht de verzoekende partij een causaal verband aantonen tussen de thans bestreden beslissing en de bestreden beslissing genomen in het kader van de zaak van haar zoon, de heer J. B., wat niet het geval is, dit causaal verband geenszins kan leiden tot de nietigverklaring van de thans bestreden beslissing, vermits in de zaak van de heer J. B. (zaak gekend onder het rolnummer A. 98.399/XIV-1152) een eindarrest met het nr. 114.258 is uitgesproken op 6 januari 2003 door de XIVde kamer van de Raad van State, dat in kracht van gewijsde is getreden en waardoor het beroep definitief werd verworpen; Overwegende dat het vijfde middel van de verzoekende partij zinledig is en er enkel toe strekt het verzoekschrift ondoorzichtig te maken en onnodig te verlengen, zodat misbruik wordt gemaakt van de procedure voor de Raad van State, met als enig doel de procedure te vertragen, wat een oneigenlijk gebruik uitmaakt van een rechtsmiddel; dat een Advocaat die een dergelijk verzoekschrift opstelt (en dit niet enkel in deze zaak), de principes van waardigheid, kiesheid en respect voor de magistratuur, eigen aan zijn beroep, miskent, en zijn rol van medewerker van het gerecht op de helling zet; dat deze handelwijze moet stoppen en dat de Advocaat van de verzoekende partij in de toekomst beknopte en duidelijke verzoekschriften zal indienen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een zesde middel afleidt uit de schending van “art. 63/3 van de Vreemdelingenwet”; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State de termijn bepaald in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet een termijn van orde en geen vervaltermijn is, zodat de overschrijding van deze termijn niet wordt gesanctioneerd; dat voor het overige wordt verwezen naar de bladzijden 34 en 35 van het Auditoraatsverslag XIV-4938-5/6 waar dit middel oordeelkundig wordt ontleed en beantwoord; dat het zesde middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat het Auditoraatsverslag een zevende middel onderzoekt dat de verzoekende partij voor het eerst zou hebben opgeworpen in haar memorie van wederantwoord; Overwegende dat de Raad van State een dergelijk middel niet aantreft in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij, waar enkel wordt ingegaan op de zes middelen van het verzoekschrift tot nietigverklaring; Overwegende dat de bespreking van een “zevende” middel in het Auditoraatsverslag een materiële vergissing uitmaakt, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-4938-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.760 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.