← België

Arrest 147762 - - 25/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.762 Rolnummer: A. 109237/XIV-6206 Zaak: Arrest 147762 - - 25/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-13 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 22:25 Fiche Arrest nr 147.762 van 25 juli 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.762 van 25 juli 2005 in de zaak A. 109.237/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 januari 1958 en van Armeense nationaliteit, op 21 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op het arrest nr. 114.390 van 13 januari 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-6206-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 4 mei 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat G. VERGAUWE, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 18 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 22 september
  6. 1.
  7. Op 17 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 27 juli 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 5 juni 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. XIV-6206-2/5
  9. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift geen uiteenzetting van middelen bevat; dat verzoeker in zijn verzoekschrift wel degelijk een uiteenzetting van de feiten geeft en een middel ontwikkelt dat summier doch voldoende duidelijk is opdat de Raad van State er zou kunnen op antwoorden; dat bovendien dient te worden vastgesteld dat ook de verwerende partijen inhoudelijk op de middelen zijn ingegaan; dat deze exceptie wordt verworpen;
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 3.
  11. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht en van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen rekening heeft gehouden met de feiten, die erop wijzen dat verzoeker wel degelijk voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie; 3.
  12. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord concludeert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn ziekte niet aanvaardt als zijnde een geldige reden voor afwezigheid op het interview bij de Commissaris-generaal, en dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn bevoegdheid heeft overschreden doordat hij de bestreden beslissing nam met toepassing van artikel 52, § 2, 4/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), terwijl dit artikel enkel kan worden toegepast door de Minister van Binnenlandse Zaken of door diens gemachtigde; 3.
  13. Overwegende dat bij aangetekende brief van 5 juni 2001 verzoeker wordt uitgenodigd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om op 19 juni 2001 zijn asielrelaas te komen toelichten; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Advocaat van verzoeker op 18 juni 2001 een aangetekende brief verstuurt naar de Commissaris-generaal, waaruit blijkt dat verzoeker wegens ziekte onmogelijk aanwezig kan zijn op het interview; dat op de vraag om inlichtingen die vervat ligt in de uitnodiging voor het verhoor wordt geantwoord dat verzoeker zijn samengevat relaas zo vlug mogelijk zal nazenden; dat deze samenvatting niet in het administratief dossier is terug te vinden; dat het aan de houding van verzoeker te wijten is dat hij zijn asielmotieven niet kon uiteenzetten op het Commissariaat-generaal omdat hij, zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven, binnen de maand, aan de vraag om inlichtingen vervat in de aangetekende brief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; XIV-6206-3/5 Overwegende dat het niet omwille van verzoekers ziekte is dat de bestreden beslissing werd genomen, maar wel omwille van het ontbreken van een antwoord op de in de oproeping vervatte vraag om inlichtingen; dat de Commissaris-generaal op grond van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet terecht tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag besloot; Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde te bevestigen hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij evenwel zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit als de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde bij het nemen van zijn beslissing; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 52, § 2, 4/ van voornoemde wet bepaalt dat een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de vreemdeling binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; dat de Commissaris-generaal op grond van deze bepaling zijn bevestigende beslissing heeft genomen; dat hij immers oordeelt in beroep en door de devolutieve werking van het beroep kennis neemt van het geheel van de zaak, zoals de asielinstantie in eerste aanleg; dat hij precies daarom voornoemde criteria mag, kan en moet hanteren; dat verzoeker noch in zijn inleidend verzoekschrift, noch in zijn memorie van wederantwoord elementen aanbrengt die afbreuk doen aan de beslissing van de Commissaris-generaal; dat Commissaris-generaal zijn bevoegdheid niet heeft overschreden en dat de bestreden beslissing wettig is;
  14. Overwegende dat het enig middel niet tot de nietigverklaring kan leiden, XIV-6206-4/5 BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juli tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6206-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.762 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.