id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.995 Rolnummer: A. 161523/X-12266 Zaak: Arrest 147995 - - 29/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-09 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 22:29 Fiche Arrest nr 147.995 van 29 juli 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.995 van 29 juli
(1). Oorspronkelijk werd de toegang tot bedoelde percelen voorzien via de Tervuursesteenweg. Ten behoeve van de goede ruimtelijke orde en ter beperking van mogelijke hinder of overlast, werd besloten dat het beter zou zijn de toegang van de percelen via de Blindestraat toe te staan. In het bestreden besluit werd hierop bovendien uitvoerig ingegaan. Zo werd overwogen dat de ontsluiting van de nieuwe woningen via de doodlopende arm van de Tervuursesteenweg niet de beste oplossing zou zijn, noch verkeerstechnisch noch landschappelijk: 'Ten eerste is het perceel ter plaatse van de inrit lager gelegen dan de Tervuursesteenweg, wat de aansluiting bemoeilijkt (overbruggen hoogteverschil). Ten tweede staat de Tervuursesteenweg schuin op het perceel waardoor de toegang een vrij scherpe bocht wordt en de kans reëel is dat de aanpalende tuin beschadigd wordt door manoeuvrerende wagens. Opdat deze bocht genomen kan worden, komt de inrit tot tegen de ingebuisde Hanswijkbeek, daar waar het groen langs de beek anders over de hele breedte van het perceel zou kunnen doorlopen.'
- Er werd geoordeeld dat ontsluiting en oriëntatie van het nieuwe wooncomplex op de Blindestraat een betere oplossing zou zijn: 'Dit straatje heeft voldoende breedte, ook voor de brandweer: ca 4m; nu reeds verleent deze straat immers toegang tot garages. Door de toegang op deze plaats te situeren moet geen hoogteverschil overbrugd worden en is de inrit een normale -en niet langer een scherpe- bocht. De toegang langs de Tervuursesteenweg kan dan beperkt worden tot een voetgangersdoorsteek (bv. trapje en/of hellend vlak).'
- Aldus werd een uitvoerig verkeerstechnische en landschappelijke analyse gedaan waarna besloten werd dat het opportuun was de ontsluiting van de percelen toe te staan via de Blindestraat in plaats van via de Tervuursesteenweg. Men kan bezwaarlijk voorhouden dat het een essentiële wijziging zou betreffen. Beide straten zijn namelijk bestaande straten. Bovendien dient hiervoor aan de plannen niets te wijzigen. Het gehele plan blijft hetzelfde, met dien verstande dat de twee bomen die aangeplant zouden worden langs de zijde van de inrit tot de percelen aan de Blindestraat, verwijderd zullen moeten worden om aldus een toegang voor voertuigen mogelijk te maken. Naar de Tervuursesteenweg is enkel een fiets- en voetdoorgang mogelijk volgens de vergunning waarin duidelijk is gemotiveerd waarom geen gemotoriseerde toegang langs daar toegelaten wordt.
- Hierbij aansluitend kan meteen tevens de tweede opmerking van verzoekende partijen - de voorwaarde zou niet precies genoeg zijn daar uit niets blijkt hoe de toegang gerealiseerd zou moeten worden - weerlegd worden
(2). X-12.266-7/13 De voorwaarde kan geenszins onvoldoende precies genoemd worden en kan slechts op één enkele wijze worden uitgevoerd. De inrit tot de percelen, bevindt zich namelijk op de plannen aan het einde van de Tervuursesteenweg en het voor voertuigen berei(k)bare deel loopt door tot aan de Blindestraat. De toegang van de percelen via de Blindestraat kan dan ook enkel via diezelfde strook gebeuren, d.w.z. met een toegang aan het einde van Blindestraat. Een andere uitvoeringswijze van deze voorwaarde is niet mogelijk (althans niet zonder een essentiële wijziging van de plannen door te voeren). 53. Het betreft in casu geen essentiële wijziging, en de voorwaarde kan slechts op één enkele wijze uitgevoerd worden, en is dus in elk geval voldoende precies. De opmerkingen van verzoekende partijen missen grondslag."; Overwegende dat, al kan op grond van artikel 53, § 3, van het stedenbouwdecreet de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning onderworpen zijn aan bepaalde voorwaarden, die voorwaarden op het eerste gezicht beperkt moeten zijn wat de strekking ervan betreft en precies, en alleen betrekking mogen hebben op bijkomende of bijkomstige gegevens; dat ze op het eerste gezicht geen aanleiding mogen geven tot een beoordeling in de uitvoering van de verleende vergunning; dat een stedenbouwkundige vergunning immers op zich de uitvoering moet toelaten van de in artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening bedoelde werken, handelingen of wijzigingen; Overwegende dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning is verleend mits naleving van onder meer de volgende voorwaarde : "De hoofdingang tot het project wordt langs de Blindestraat, en niet langs de Tervuursesteenweg, gesitueerd. Vanuit de Tervuursesteenweg kan enkel een voetgangersdoorsteek gerealiseerd worden. Het overige verkeer dient via de Blindestraat toegang tot de site te krijgen."; Overwegende dat het goedgekeurde plan blad 1/9 "Ligging - omgeving - inplanting 1/500, profiel 1/500, verhardingen en beplantingen 1/250" de hoofdingang van het project, die op het eerste gezicht als een essentiëel bestanddeel van de vergunning dient te worden aanzien, voorziet langs de Tervuursesteenweg en niet langs de Blindestraat; dat voormeld plan op het betrokken perceel langs de zijde met de Blindestraat een strook van circa 3,50 m breed voorziet te beplanten met een rij esdoorns, met daarachter een "keerpunt" en een fietsenstalling, uitgevoerd in waterdoorlatende betonstraatstenen; dat op grond van de goedgekeurde plannen niet duidelijk is waar ter naleving van de opgelegde voorwaarde de toegang voor het overige verkeer tot de site moet worden aangelegd en op welke wijze deze moet worden uitgevoerd; dat evenmin duidelijk is welke de gevolgen deze voorwaarde heeft voor het op de goedgekeurde plannen voorziene "keerpunt", de fietsenstalling X-12.266-8/13 en de groenaanplanting met de rij esdoorns; dat de bewoordingen van de opgelegde voorwaarde hiertoe niet lijken te kunnen volstaan; dat met de nadien door de verwerende partij in haar nota met opmerkingen gegeven argumentatie dat er slechts één mogelijke uitvoeringswijze is "zonder een essentiële wijziging van de plannen door te voeren" -daargelaten de vraag of deze argumentatie zelf voldoende duidelijkheid brengt- geen rekening kan worden gehouden, aangezien deze volgens haar enig mogelijke uitvoeringswijze niet blijkt uit de bewoordingen van de opgelegde voorwaarde; dat zij daarenboven voormelde vaststelling dat de opgelegde voorwaarde onvoldoende duidelijk is omschreven op het eerste gezicht slechts lijkt te bevestigen; dat dient te worden vastgesteld dat de opgelegde voorwaarde op het eerste gezicht onvoldoende duidelijk is om geen appreciatiebevoegdheid over de uitvoering ervan aan de vergunninghouder over te laten; dat het middel ernstig is; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partijen, waaronder ook de zevende en de negende verzoekende partij, onder meer een verlies aan privacy door inkijk in hun tuinen aanvoeren; dat zij uiteenzetten dat de bestreden vergunning triplexappartementen voorziet op de eerste verdieping, met terrassen aan de achterzijde op een hoogte van 2,69 m, met inkijk in de tuinen van de verzoekende partijen, gelegen op 24 tot 26 m van terrassen, en in de woonkamers, veranda's en overdekte terrassen van de verzoekende partijen op 46 m, dat het geen occasionele inkijk betreft, daar de eerste verdiepingen van de vergunde woningen intensief gebruikt zullen worden daar er zich geen slaapvertrekken, maar leefruimtes bevinden, en dat het planten van een haag de inkijk niet zal verhinderen, gezien de hoogte van het terrassen; dat zij hieraan nog toevoegen dat het hierboven weergegeven nadeel eigen is aan de bebouwingswijze, zijnde een bebouwing in tweede bouworde, en niet aan een dicht bebouwde omgeving of aan de bestemming woongebied; dat zij voorts stellen dat het nadeel uit zijn aard moeilijk te herstellen is en dat, eenmaal gebouwd, het in de praktijk bijzonder moeilijk is afbraak van de gebouwen te verkrijgen; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen repliceert als volgt : "120. De verzoekende partijen dienen in principe gegevens aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat ze ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel(...). X-12.266-9/13 121. Verzoekende partijen spreken zichzelf schromelijk tegen in hun verzoekschrift tot schorsing. Op p. 32 van hun verzoekschrift tot schorsing stellen zij namelijk zelf : 'Achter de achtergevels bevinden er zich nog tuinen met een diepte variërend tussen de twintig (...) meter en de vijfentwintig meter.' 122. Dat de tuinen een diepte hebben van 25 tot 30 meter wordt uiteraard niet betwist. De alinea daarna stelt men vervolgens dat er eerst, aansluitend op deze tuinen een strook van dertien meter gras wordt voorzien, waarna er opnieuw een strook van 13 meter voor private tuinen wordt voorzien. Ook dit wordt uiteraard niet betwist. Het is aldus duidelijk dat de woningen worden opgetrokken op 26 meter van de perceelsgrens van verzoekende partijen. 123. Concreet wil dit zeggen dat de geplande kangoeroewoningen gebouwd worden op een afstand van 51 tot 56 meter van de achtergevels van verzoekende partijen! Verzoekende partijen moeten nuanceren, uitgaande van de ligging van hun eigendommen in stedelijk gebied, wanneer ze stellen dat : 'het voor elk van de woningen van de verzoekende partijen het dus zo is dat er ongeveer recht achter de woningen er zich zodoende op 26 meter (voor de eerste tot vierde verzoekende partijen) of 24 meter (voor de vijfde tot achtste verzoekende partijen) van de perceelsgrens een terras bevindt.(...)'. 124. De voorgaande gegevens geven de nuancering aan. De terrassen liggen op 26 meter van de perceelgrenzen van verzoekende partijen, en op +/- 50 meter van de achtergevels! Inkijk is dus uiterst miniem, de afstanden zijn voor een stad groot. 125. Het volstaat bovendien een blik te werpen op de bijgevoegde luchtfoto(...) om te zien dat dergelijke afstanden uitzonderlijk zijn, zelfs in deze buurt. De huizenrijen te(
- n)noorden en noordwesten van de woningen van verzoekende partijen liggen telkens veel dichter bij elkaar. Zulks is overigens zeer normaal wanneer men niet in een landelijk(
- e)omgeving woont, maar in een stads- of dorpskern. Men kan daar bezwaarlijk verwachten nooit buren te krijgen, laat staan op dergelijk(
- e)afstanden... 126. Privacy en in- en uitkijkmogelijkheid zijn recht evenredig met de plaats waar iemand woont. Naar gelang men meer in een dorpscentrum of een stad of verstedelijkt gebied woont is er minder privacy dan wanneer men op de buiten, in open bebouwing, met grote tuinen, woonachtig is. Verzoekende partijen wonen in een stadscentrum of verstedelijkt gebied. De luchtfoto geeft hiervan een goed beeld(...). Ontegensprekelijk kan men daar geen absolute privacy zonder enige in-of uitkijkmogelijkheid claimen. 127. Het aldus ge formuleerde nadeel volgt niet uit het aangevochten besluit op zich maar uit de ligging van de eigen woning en eigen tuin in een druk woongebied te midden van een verstedelijkt gebied. Er is geen rechtstreeks causaal verband tussen het voorgehouden nadeel en het aangevochten besluit. Het nadeel volgt uit de bestemming als woonzone en de ligging in een verstedelijkt gebied. Er moet een causaal verband zijn tussen het voorgehouden MTHEN en het aangevochten besluit. Uit de bewoordingen van artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de (R)aad van State kan worden afgeleid dat het MTHEN moet voortvloeien uit de uitvoering van de bestreden beslissing als zodanig, zodat wanneer dat MTHEN daaruit niet rechtstreeks voortkomt, niet voldaan is aan de tweede schorsingsvoorwaarde. Uw Raad stelde ter vergelijking reeds eerder: 'Dat verzoeker in zijn uiteenzetting geen overtuigende gegevens bijbrengt waaruit, gelet op de afstand en de gesteldheid van het terrein tussen zijn woning en de bouwplaats, zijn rechtstreeks nadeel kan blijken; dat daarenboven het betrokken bouwterrein is gelegen aan de noordelijke rand van een groter gebied dat volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Antwerpen is bestemd tot gebied voor dagrecreatie; dat enkel met de geldende bestemmingsvoorschriften rekening kan gehouden worden; dat in deze X-12.266-10/13 omstandigheden verzoekers uiteenzetting geen afdoende concrete gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning hem een MTHEN kan berokkenen in de zin van art. 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;'. 128. Er is geen schending van de privacy ingevolge de opgelegde voorwaarde die perfect tegemoet komt aan wat overeenstemt met een goede plaatselijke ruimtelijke ordening, draagkracht, aanvaardbare perceelsordening en integratie rekening houdend met configuratie en aanwezige bebouwing in de omgeving. Verzoekende partijen kunnen zich verwachten aan vergunningen zoals de voorliggende. 129. Er is aldus geen ernstig nadeel. Men kan bezwaarlijk voorhouden wanneer men in dergelijk verstedelijkt gebied woont, privacyhinder als ernstige reden tot schorsing of vernietiging van een vergunning in te kunnen roepen wanneer de afstand tussen de bestaande woningen van verzoekende partijen en de geplande woningen +/- 50 (!) meter bedraagt. Bovendien volgt het voorgehouden nadeel uit de ligging van de eigendom van verzoekende partijen eerder dan uit de aangevochten vergunning. De moeilijke herstelbaarheid van het nadeel wordt evenmin aangetoond. Een bijkomend groenscherm volstaat daartoe. 130. Ten slotte kan hierbij vermeld worden dat de opgelegde voorwaarde om een groenscherm aan te brengen, verhindert dat het nadeel zich zou voordoen. Er is geen ernstig nadeel, noch is dergelijk nadeel moeilijk te herstellen. De opgelegde voorwaarde waarborgt dat bovendien. 131. Aan de tweede schorsingsvoorwaarde is niet voldaan wat betreft dit onderdeel."; Overwegende dat, ook al is het bouwperceel gelegen in een verstedelijkt gebied, de aantasting van de privacy in beginsel als een ernstig nadeel kan worden aangevoerd; dat te dezen de bij het bestreden besluit vergunde "kangoeroewoningen" blijken te worden ingeplant in tweede bouworde achter de bestaande woningen van de verzoekende partijen; dat hun tuinen aan de achterzijde palen aan het bouwperceel; dat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor de bouw van twee volumes met respectievelijk 5 en 6 zgn. "kangoeroewoningen", waarbij boven een gelijkvloerse woning met 2 slaapkamers en tuin zich telkens een woning met 2 à 3 slaapkamers bevindt, en aldus in totaal 22 woongelegenheden worden gecreëerd; dat, zoals blijkt uit de goedgekeurde plannen, de leefruimten en de terrassen zich bevinden op de door de verzoekende partijen aangegeven verdieping, hoogte en afstand tot hun tuinen, al dan niet overdekte terrassen en veranda’s; dat deze gegevens overigens overeenstemmen met deze die door de verwerende partij in haar nota met opmerkingen naar voor worden gebracht; dat verzoekende partijen ter staving van de ernst van het ingeroepen nadeel een gedetailleerde fotoreportage hebben neergelegd, waaruit de situatie van elk van de verzoekende partijen afzonderlijk blijkt ten opzichte van het vergunde project; dat in de gegeven omstandigheden en gelet op de uitbouw, de omvang en de inplanting van de gebouwen, het betoog van de verzoekende partijen aannemelijk is dat ingevolge X-12.266-11/13 de bestreden stedenbouwkundige vergunning hun privacy ernstig in het gedrang wordt gebracht; dat zij tevens op goede gronden betogen dat eens de vergunde werken uitgevoerd, na vernietiging van de bestreden beslissing, een herstel van het aangevoerde nadeel moeilijk te verkrijgen zal zijn; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen voldoende concrete gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat ook aan de tweede in voormeld artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarden is voldaan, Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 januari 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij aan Ludovicus GOOVAERTS en Jenny VAN DEN EYNDE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van elf kangoeroewoningen te Mechelen, Tervuursesteenweg, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nrs. 226 C2 en 337. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juli 2005, door : de HH.. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. X-12.266-12/13 De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-12.266-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.995 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.588 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div