← België

Arrest 147998 - - 29/07/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.998 Rolnummer: A. 164597/VII-34354 Zaak: Arrest 147998 - - 29/07/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 22:30 Fiche Arrest nr 147.998 van 29 juli 2005 - Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.998 van 29 juli 2005 in de zaak A. 164.597/VII-34.354 In zake : 1. Vincent SPRUYTTE 2. de b.v.b.a. AVITECH ACCOUSTICS, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8b tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Vincent SPRUYTTE en de b.v.b.a. AVITECH ACCOUSTICS op 26 juli 2005 hebben ingediend om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 15 juni 2005 tot weigering van de verlenging van de erkenning van eerste verzoeker als milieudeskun- dige in de discipline geluid en trillingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juli 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat M. BRUGGEMAN die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; VII-34.354-1/21 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Eerste verzoeker is zaakvoerder van de b.v.b.a. AVITECH ACCOUSTICS, tweede verzoekende partij. 1.2. Op 4 juni 1992 wordt de b.v.b.a. AVITECH ACCOUSTICS erkend als deskundige voor een periode van vijf jaar, dit is de maximale duur waarvoor een erkenning als milieudeskundige krachtens artikel 1.3.2.2., § 5, van Vlarem II kan worden toegekend. Op 16 mei 1997 wordt deze erkenning verlengd voor een periode van vijf jaar. 1.3. Op 3 juni 2002 wordt de erkenning van eerste verzoeker als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen “verlengd” voor een periode van slechts één jaar. Deze beperkte termijn is het gevolg van tegenstrijdige adviezen van de Milieu-inspectie (ongunstig) en van de afdeling Milieuvergunningen (gunstig). Het verlengingsbesluit legt als voorwaarde op : "de in deze erkenning bedoelde deskundige zal gedurende de erkenningsperiode en in overleg met de betrokken afdelingen van de administratie AMINAL, de gepaste corrigerende maatregelen aan zijn werkmethode aanbrengen (...)". 1.4. Op 13 juni 2003 wordt de erkenning van eerste verzoeker verlengd voor een termijn "vanaf 1 juni 2003 tot en met 30 april 2005, datum waarop het BELCERT-certificaat van de in dit besluit bedoelde deskundige vervalt". De beslissing wordt gemotiveerd als volgt : "Gelet op het gemotiveerd advies van de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid van de administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL) dd. 6 juni 2003 waaruit blijkt dat : - de aanvrager voldoet aan de administratieve erkenningsvoorwaarden van het Koninklijk Besluit van 02 april 1974; - de aanvrager beschikt over een kwaliteitshandboek waaruit blijkt dat hij de norm NBN EN ISO/IEC 17025 kan toepassen, zoals vereist wordt in hoofdstuk 1.3 van VLAREM II; - de aanvrager beschikt over een BELCERT certificaat, geldig van 09 april 2002 tot en met 30 april 2005 waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over VII-34.354-2/21 een kwaliteitsmanagementsysteem volgens de norm NBN EN ISO/9001 (versie 2000) waardoor hij geacht wordt - deze afdeling aan de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL op 19 maart 2003 gevraagd heeft het geleverde werk van betrokkene te beoordelen; - de afdeling Milieu-inspectie op 06 mei 2003 mededeelt dat : - deze afdeling aan de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL op 19 maart 2003 gevraagd heeft het geleverde werk van betrokkene te beoordelen; - de afdeling Milieuvergunningen op 19 mei 2003 mededeelt dat riode'; - de andere aangevraagde opdrachten eerder behoren tot het fundamenteel onderzoek en niet tot de courante taken van een commercieel adviesbureau; - in het licht van de gemaakte opmerkingen door de afdeling Milieu-inspectie het bovendien niet aangewezen is om de vorige erkenning uit te breiden (...)". Het annulatieberoep dat eerste verzoeker tegen voornoemde beslissing instelde -dit in de mate dat hij slechts een verlenging kreeg tot 30 april 2005- wordt bij arrest nr. 141.186 van 24 februari 2005 als onontvankelijk verworpen. 1.5. Verwijzend naar zijn aanvraag tot verlenging van zijn erkenning wordt eerste verzoeker door de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid van AMINAL bij brief van 2 januari 2005 uitgenodigd voor een hoorzitting die zou doorgaan op 28 januari 2005. Deze hoorzitting wordt uitgesteld naar 2 februari 2005. Met brieven van 2 en 7 februari 2005 drukt de raadsman van de verzoekende partijen zijn verbazing uit over de aard van de hoorzitting en voert hij nog een gedetailleerd verweer. 1.6. Op 15 juni 2005 wordt de bestreden beslissing genomen, welke aan eerste verzoeker, als zaakvoerder van de tweede verzoekende partij, wordt betekend met een brief gedateerd 12 juli 2005 en verzonden op 13 juli 2005. De verlenging van de erkenning van eerste verzoeker, zaakvoerder van de b.v.b.a. AVITECH ACCOUSTICS, als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen wordt geweigerd. VII-34.354-3/21 In het bestreden besluit wordt “gelet op” de adviezen van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL van respectievelijk 28 februari en 3 maart 2005 en van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL van 5 november 2004 en van 22 februari 2005. De elementen van de adviezen van 28 februari en 3 maart 2005 en van 22 februari 2005 worden in het bestreden besluit weergegeven. De aanhef van het bestreden besluit bevat volgende overwegingen : "Overwegende dat de heer Spruytte tot op heden geen verbetering wist aan te brengen in zijn rapportering ondanks het feit dat voormelde gebreken reeds in de vorige ministeriële besluiten d.d. 03 juni 2002 en 13 juni 2003 en tijdens de hoorzitting van 28 juni 2002 werden meegedeeld; Overwegende dat, ten eerste uit de diverse adviezen van de afdeling Milieu-inspectie en de afdeling Milieuvergunningen blijkt dat de rapporten van de heer Spruytte vaak nog steeds zeer onduidelijk zijn, zodat deze rapporten door de ambtenaren die er gebruik moeten van maken niet leesbaar zijn en moeilijk kunnen worden geïnterpreteerd; Overwegende dat de besproken rapporten vaak niet alle noodzakelijke meetresultaten bevatten, geen rechtvaardiging bevatten waarom bepaalde methodes werden gebruikt en op welke wijze er gemeten werd en bovendien geen duidelijke conclusie bevatten; Overwegende dat door deze gebreken de verslagen van de heer Spruytte vaak niet ten volle kunnen worden beoordeeld en geïnterpreteerd; Overwegende dat, ten tweede uit de adviezen van de voormelde afdelingen bovendien blijkt dat de besproken verslagen van de heer Spruytte een aantal technische fouten bevatten; Overwegende dat ook na de bespreking van deze verslagen op de hoorzitting dd. 02 februari 2005, is gebleken dat bij deze geluidsstudies een aantal fouten werden gemaakt en de betreffende verslagen verschillende onduidelijkheden bevatten; Overwegende dat op dit punt kan worden verwezen naar de argumentatie vervat in de bijkomende adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu-inspectie, opgesteld na de hoorzitting, Overwegende dat, ten derde de heer Spruytte tot op heden nog steeds niet voldoet aan de voorwaarden van erkenning zoals opgenomen in het ministerieel besluit d.d. 13 juni 2003 waarin als voorwaarde was opgenomen: ‘de in deze erkenning bedoelde deskundige zal gedurende de erkenningsperiode rekening houden met de 'Handleiding voor het beoordelen van volledige akoestische onderzoeken van ‘de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL’, Overwegende dat voormelde Handleiding in § 2.6 stelt dat: ‘De meet- en bedrijfsomstandigheden moeten duidelijk beschreven worden. Dat moet toelaten om na te gaan of de metingen werden uitgevoerd onder representatieve werking van de inrichting en onder representatieve geluids- overdracht, dus met maximale geluidsimpact voor de buurt (art. 2, § 1 van de bijlage 4.5.1.). Dit vereist onder meer een plan van de inrichting met aanduiding van de plaats van de voornaamste geluidsbronnen.’; Overwegende dat uit de adviezen van de afdelingen Milieu-inspectie en Milieuvergunningen blijkt dat de onderzochte verslagen opgesteld door de heer Spruytte niet aan deze voorwaarde voldoen; Overwegende dat, ten vierde, de heer Spruytte nog steeds gebruik maakt van een eigen meetmethode dewelke eveneens een aantal problemen oplevert; VII-34.354-4/21 Overwegende dat uit het advies van de afdeling Milieu-inspectie blijkt dat deze meetmethode met de zogenaamde 'Random generator’ niet aanvaardbaar is om volgende redenen: 1. het geluid van een inrichting beoordelen nadat de hoogste niveaus er zonder concrete verantwoording uit verwijderd zijn is onaanvaardbaar; 2. als de meetmarge 1 à 2 db(A) bedraagt kunnen niveaus met een onderling verschil van minder dan 3 dB(A) niet van elkaar worden afgetrokken; 3. het gebruik van voormelde methode maakt de werkwijze van de heer Spruytte volledig ondoorzichtig; 4. in de brief van professor Botteldooren, waarnaar door de heer Spruytte wordt verwezen om zijn methode te verrechtvaardigen, is nergens sprake van de nauwkeurigheid van de methode, er kan dus zeker niet naar verwezen worden om het aftrekken van geluidsniveaus met een onderling verschil van minder dan 3 db(A) te verantwoorden. Professor Botteldooren stelt hierin trouwens duidelijk over de methode het volgende: ‘moet daarom met zeer veel omzichtigheid gebruikt worden’ en ‘enkel bruikbaar wanneer geen belangrijke geluidspieken voorkomen’; Overwegende dat om deze redenen de verlenging van de erkenning van de heer Spruytte dient te worden geweigerd”; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.1. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in een tweede middel aanvoeren wat volgt : “B. TWEEDE MIDDEL: SCHENDING VAN ARTIKEL 5 VAN HET K.B. VAN 2 APRIL 1974 HOUDENDE DE VOORWAARDEN EN MODALITEI- TEN VOOR DE ERKENNING VAN DE LABORATORIA EN LICHAMEN DIE, IN HET KADER VAN DE BESTRIJDING VAN DE GELUIDSHIN- DER, BELAST ZIJN MET HET BEPROEVEN VAN EN DE CONTROLE OP APPARATEN EN INRICHTINGEN; SCHENDING VAN ARTIKEL 1.3.2.1 EN 1.3.2.2 § 5 VAN HET BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING VAN 1 JUNI 1995 HOUDENDE ALGEMENE EN SECTORALE BEPALINGEN INZAKE MILIEUHYGIËNE; SCHENDING VAN HET EVENREDIGHEIDS- BEGINSEL, SCHENDING VAN HET REDELIJKHEIDSBEGINSEL; SCHENDING VAN HET GELIJKHEIDSBEGINSEL; SCHENDING VAN HET RECHTSZEKERHEIDSBEGINSEL; SCHENDING VAN DE ARTIKE- LEN 2 EN 3 VAN DE WET VAN 29 JULI 1991 BETREFFENDE DE UITDRUKKELIJKE MOTIVERING VAN DE BESTUURSHANDELINGEN; SCHENDING VAN HET ALGEMEEN BEGINSEL WAARDOOR ELKE OVERHEID VERPLICHT WORDT HAAR BESLISSING OP DEUGDELIJ- KE GRONDEN TE MOTIVEREN (MATERIËLE MOTIVERINGSPLICHT) VII-34.354-5/21 1. Hoger hebben eerste verzoekers de erkenningshistoriek geschetst: • eerste verzoeker werd erkend met Ministerieel Besluit van 3 juni 2002 voor een periode van één jaar, lopende tot 31 mei 2003 (stuk l); • de erkenning werd bij Ministerieel Besluit van 13 juni 2003 voor een periode van twee jaar erkend en dit voor de periode van 1 juni 2003 tot en met 30 april 2005 (stuk 4). 2. Uiteindelijk wordt in de bestreden beslissing van de rapportage en de methodologie van eerste verzoeker (en dus ook van tweede (...) verzoeker) brandhout gemaakt op basis van - amper - twee geluidsdossiers, Flanders Kart Shop en Vandenbuverie. In het eerste dossier liggen twee rapporten voor van 28 maart 2003 en 3 maart 2004 (stuk 17), in het tweede dossier zijn er rapporten van 7 mei 2002 en 18 februari 2003 (stuk 18). Met andere woorden drie van de vier geluidsrapporten dateren van vóór het Ministerieel Besluit van 13 juni 2003 en voor de verlenging door dit besluit toe te staan. Meer nog, zij dateren zelfs van voor het advies van Aminal van 6 juni 2003, waarvan sprake in dit Ministerieel Besluit! Aldus is er slechts één geluidsrapport van de erkenningsperiode, namelijk dat in Flanders Kart Shop van 3 maart 2004. Dit rapport neemt evenwel de keuze van de meetpunten en de methodologie over van het eerdere rapport van 28 maart 2003. Met andere woorden, de kritiek op het rapport van 3 maart 2004 is gelijk aan de kritiek op het rapport van 28 maart 2003. 3. Het gaat in tegen recht en rede, en tegen de in dit middel vernoemde bepalingen, om de erkenning van eerste verzoeker niet te verlengen ....op grond van dossiers die dateren van voor de laatste erkenningsperiode en van voor de laatste verlengingsbeslissing. Had men het proces willen maken van eerste verzoekers op basis van deze twee rapporten, dan had dit moeten gebeuren ter gelegenheid van de verleng- ingsbeslissing van 13 juni 2003. Verwerende partij, noch de onderliggende administraties, vermochten oude koeien uit de gracht te gaan halen om eerste verzoekers alsnog de erkenning te ontnemen. Bijzonder pijnlijk is dat verwerende partij eerste verzoekers verwijt geen rekening gehouden te hebben met het Ministerieel Besluit van 13 juni 2003, en de daarin vervatte verplichting om rekening te houden met de Handleiding, en dit doet op basis van rapporten die ... dateren van voor dit besluit (en de daarin opgenomen sommatie). Hoe kan verwerende partij stellen dat “de heer Spruytte tot op heden geen verbetering wist aan te brengen in zijn rapportering ondanks het feit dat voormelde gebreken reeds in de vorige Ministeriële Besluiten dd. 3 juni 2002 en 13 juni 2003 en tijdens de hoorzitting van 28 juni 2002 werden meegedeeld", als in de bestreden beslissing wordt gerefereerd naar geen enkele geluidsstudies die - op één uitzondering na - dateren van na het Ministerieel Besluit van 13 juni 2003? (sic)”; dat het derde middel luidt als volgt : “C. DERDE MIDDEL: SCHENDING VAN ARTIKEL 1.3.2.2. §§ 3 EN 5 VAN HET BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING VAN 1 JUNI 1995 HOUDENDE ALGEMENE EN SECTORALE BEPALINGEN INZAKE MILIEUHYGIËNE; SCHENDING VAN DE ARTIKELEN 2 EN 3 VAN DE WET VAN 29 JULI 1991 BETREFFENDE DE UITDRUKKELIJKE MOTIVERING VAN DE BESTUURSHANDELINGEN; SCHENDING VAN HET ALGEMEEN BEGINSEL WAARDOOR ELKE OVERHEID VER- VII-34.354-6/21 PLICHT WORDT HAAR BESLISSING OP DEUGDELIJKE GRONDEN TE MOTIVEREN (MATERIËLE MOTIVERINGSPLICHT); SCHENDING VAN HET EVENREDIGHEIDSBEGINSEL; SCHENDING VAN HET REDELIJK- HEIDSBEGINSEL; SCHENDING VAN HET GELIJKHEIDSBEGINSEL Ingevolge artikel 1.3.2.2 §§ 3en 5 Vlarem II moet de Minister zijn beslissing inzake de erkenning en de verlenging van de erkenning motiveren. Zulks houdt zowel een formele als een materiële motiveringsplicht in. Ook de formele motiveringswet verplicht elke overheid haar beslissingen afdoende te motiveren. Het algemene rechtsbeginsel dat de materiële motiveringsplicht inhoudt, legt de overheid op haar beslissingen te gronden op grond van draagkrachtige elementen. Verder is verweerder gehouden om eerste verzoeker gelijk te behandelen dan de andere geluidsdeskundigen. Hij mag ten opzichte van eerste verzoeker geen beslissing nemen die kennelijk in wanverhouding staat ten opzichte van de verwijten lastens eerste verzoeker. (...) §2. Tweede onderdeel: over de rapportage van verzoekers 1 . In de bestreden beslissing heet het dat eerste verzoeker tot op heden geen verbetering wist aan te brengen in zijn rapportering, “ondanks het feit dat voormelde gebreken reeds in de vorige Ministeriële Besluiten dd. 3 juni 2002 en 13 juni 2003 en tijdens de hoorzitting van 28 juni 2002 werden meegedeeld". Het heet dat de rapporten van eerste verzoeker "vaak" zeer onduidelijk zijn en dat de besproken rapporten "vaak" niet alle noodzakelijk meetresultaten bevatten, geen rechtvaardiging bevatten waarom bepaalde methodes werden gebruikt en op welke wijze er gemeten werd en bovendien geen duidelijke conclusies bevatten. 2. Het is juist dat in het Ministerieel Besluit van 3 juni 2002 eerste verzoeker werd bevolen om tijdens de erkenningsperiode van één jaar "in overleg met de betrokken afdelingen van de administratie Aminal, de gepaste corrigerende maatregelen aan zijn werkmethode aanbrengen” (stuk l). In het Ministerieel Besluit van 13 juni 2003 (stuk 4) heette het dan dat eerste verzoeker gedurende de erkenningsperiode van twee jaar rekening zou houden met de Handleiding voor het beoordeling van volledige akoestische onderzoeken van de afdeling Milieu-Inspectie van Aminal. Hierop heeft eerste verzoeker: • nadere toelichting gegeven over de door hem gebruikte methode en dit aan de hand van een uitvoerige slidevoorstelling (65 slides) onder de titel "Bespreking erkenning Avitech Accoustics" en dit naar aanleiding van de hoorzitting van 28 juni 2002 (stuk 6/1). • zijn methodiek onderworpen aan een kritische toets door professor Dirk Botteldooren. Het eindrapport van zijn Vakgroep informatietechnologie heeft als conclusie dat de techniek van eerste verzoeker "een verbetering (

  1. is)ten opzichte van de gangbare methodes”(stuk 6/2). • zich effectief heeft verbonden om zijn rapportage aan te passen en dit ook heeft gedaan, daartoe een typeverslag heeft bezorgd aan de administratie - zie het advies van de afdeling Milieu-Inspectie dd. 28 februari 2005, zoals geciteerd in de bestreden beslissing - en bovendien, met brief van 13 februari 2003 een verslag heeft toegezonden aan verwerende partij (stuk 7/1) met als bijlage een volledig akoestisch onderzoek, met vraag of dit al dan niet voldoet aan de verlangde criteria. Verwerende partij heeft nooit gereageerd op het schrijven van eerste verzoeker dd. 13 februari 2003, en al evenmin werden er door de afdeling Milieuvergunning of de afdeling Milieu-inspectie in de loop van de twee laatste jaren ooit fundamentele opmerkingen geformuleerd op de methodologie of VII-34.354-7/21 werkwijze van eerste verzoeker, die van die aard zouden zijn om bijkomende aanpassingen te maken. 3. Aldus werden de dossiers van Avitech - meer dan 300 de laatste twee jaar- door de diverse behandelende overheden aanvaard en "verwerkt" in de beoordeling van talrijke milieudossiers waarop ze betrekking hebben. Dit zonder enig voorbehoud! Deze rapporten circuleren bij gemeentelijke en provinciale milieudiensten en bij de provinciale (en ongetwijfeld ook centrale) afdelingen Milieu-inspectie en Milieuvergunningen. Er kan niet genoeg onderstreept worden dat de afdeling Milieu-inspectie op 18 oktober 2004 een voorbehoud- loos gunstig advies verstrekte. De bewering, achteraf, dat de afdeling Milieu-inspectie in de periode tussen 30 juni 2003 en 5 oktober 2004 geen akoestische rapporten heeft ontvangen van eerste verzoeker kan dus niet overtuigen. Indien verwerende partij daarentegen bedoelt te zeggen dat door de provinciale afdelingen van Aminal geen klachten werden geformuleerd over eerste verzoekers in deze periode, en dat er geen dossiers werden doorgestuurd met kritiek op de rapportage of de methodiek van eerste verzoekers, dan is dit ongetwijfeld juist... Dit gegeven kan onmogelijk in het nadeel van eerste verzoekers uitgelegd worden. Het is ook de Milieu-inspectie die eerste verzoekers met enige regelmaat heeft uitgenodigd tot een offerte voor akoestische onderzoeken (stukken 14/1), hetgeen zij uiteraard niet zou doen indien zij de rapportage (en de methodiek ) van eerste verzoekers niet zou appreciëren. Komt daarbij dat het hoe dan ook niet opgaat dat de Milieu-Inspectie, die zélf heeft gevraagd om een wijziging van de rapportage, na twee eerdere "voorwaar- delijke" erkenningen, vervolgens -zonder enige toetsing van de inmiddels ingezonden rapporten van eerste verzoeker- voorbehoudloos gunstig advies verstrekt (om daar dan vervolgens op terug te komen). 4. Meer nog. De collega van eerste verzoeker, Jan Debaere, die eveneens actief is bij de bvba Avitech Accoustics en die werkt met dezelfde rapportage en methodologie als eerste verzoeker, werd erkend door verwerende partij als milieudeskundige op 24 januari 2005 (stuk 11). De houding is incompatibel met de t.a.v. eerste verzoeker genomen beslissing. 5. Avitech heeft als één van de weinige geluidstudiebureau's een ISO-certificaat (stuk 15). Dergelijke standaard is in eerste instantie administratief van aard, hetgeen per definitie betekent dat de rapportage van de geluidsmeting- en (en de contacten van eerste verzoeker met de cliënten en de overheden) kritisch bestudeerd zijn. Het is onbegrijpelijk dat met één van de weinige geluidsdeskundigen die ISO-gecertificeerd zijn, hun erkenning verliezen zgz. omdat de rapportage van eerste verzoeker ... onbegrijpelijk zou zijn. 6. Het valt eerste verzoeker zwaar om de kritiek van verwerende partij over de vormgeving van zijn verslagen te verstaan. In elk verslag wordt een duidelijke inleiding gegeven, wordt een verantwoor- ding van parameters gegeven en wordt een technische analyse gegeven. Vervolgens worden de conclusies herhaald in een beoordeling. Het besluit is steeds kort (minder dan één pagina) bevat steeds de duidelijke conclusie (voldoet of voldoet niet), onder welke omstandigheden in welke punten. Tussenin wordt een uitgebreide paragraaf gewijd aan de onzekerheden en beperkingen voor de conclusies. Eerste verzoeker stelt het rapport dan ook steeds zo op dat de inleiding en het besluit kort en duidelijk zijn voor de leek en in het middendeel meer bestemd is voor de deskundige lezer met daarin een logische opeenvolging van de technische stappen om tot die conclusie te komen. Noch in de bestreden beslissing, noch in de onderliggende adviezen is fundamentele kritiek te vinden op deze rapportage. VII-34.354-8/21 Het heet weliswaar dat "het niet aan de ambtenaar is om een zoektocht te beginnen naar metingen die mogelijk in het verleden ooit zijn uitgevoerd voor een bepaalde inrichting" . Deze kritiek kan alvast niet gerelateerd worden aan de twee enig weerhouden dossiers, Flanders Kart Shop en Vandenbuverie. Eerste verzoeker is bovendien geen enkele bepaling gekend die verplicht om de volledige geluidshistoriek van een bedrijf telkens weer op te nemen in een geluidsrapport. Zeker bij bedrijven met een aanzienlijke geluidshistoriek, zou zulks de rapportage enkel maar onnodig verzwaren. De hamvraag in een rapport is ten andere te weten of de geluidssituatie van een bedrijf, op het ogenblik van de geluidsmeting, al dan niet voldoet, niet om het proces te maken van dit bedrijf. 7. Eerste verzoeker herhaalt dat hij meer dan 300 dossiers heeft behandeld gedurende de twee laatste jaren. Daarvan werden er vier ter discussie gesteld door de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu-Inspectie. Van die vier, worden er uiteindelijk twee bekritiseerd in de bestreden beslissing. In het dossier Flanders Kart Shop wordt verweten dat in de studies geen melding werd gemaakt van de dichtstbijzijnde bewoonde gebouwen. In het dossier Vandenbu- verie heet het dat het "aangewezen (zou) zijn om de uitleg hoe bepaalde resultaten zijn bekomen of de reden waarom bepaalde situaties wel of niet zijn bekeken, weer te geven in de studie”. Los van het punctuele verweer op deze kritiek, kunnen de opmerkingen van de Milieu-inspectie onmogelijk leiden tot de conclusie van de Minister, met name dat de rapporten van eerste verzoeker "vaak" zeer onduidelijk zijn, niet leesbaar zijn, moeilijk kunnen worden geïnterpreteerd, "vaak" niet alle noodzakelijke meetresultaten bevatten, geen rechtvaardiging bevatten waarom bepaalde methodes werden gebruikt en op welke wijze er gemeten werd en bovendien geen duidelijke conclusie bevatten en dus dat de verslagen van eerste verzoeker "vaak" niet ten volle kunnen worden beoordeeld en geïnterpreteerd. Dergelijke conclusie kan onmogelijk getrokken worden uit de kritiek op amper twee dossiers (van de meer dan 300 en van de vier die het voorwerp uitmaakten van de hoorzitting). De motivering is op dit punt zonder meer foutief. 8. Conclusie is dan ook dat verwerende partij de striemende kritiek op de rapportage van eerste verzoeker niet hard kan maken. Dat deze niet blijkt uit de twee dossiers die uiteindelijk in de bestreden beslissing worden weerhouden (Flanders Kart Shop en Vandenbuverie, zie ook verder). Dat hoe dan ook op basis van deze enkele twee dossiers op de zowat 300 dossiers van de twee laatste jaren, onmogelijk kan besloten worden dat de rapportage "vaak" te wensen overlaat, en wel op een wijze dat de niet-verlenging van de erkenning zich opdringt. 9. Het tweede onderdeel is eveneens ernstig en gegrond. §3. Derde onderdeel : over de vermeende technische fouten en onduidelijkhe- den in de verslagen van eerste verzoeker Flanders Kart Shop. 1. Dit dossier heeft betrekking op de aanleg van een karting. Deze aanleg was slechts mogelijk mits een afwijking op de wettelijke afstandregel van 500 meter ten opzichte van een woongebied. Het akoestisch onderzoek was gevraagd in functie van deze afwijkingsaanvraag. 2. Eerste verzoeker voegt bij zijn dossier de belangrijkste stukken van deze zaak (stuk 17). 3. Uit de geluidsstudies zelf blijkt dat een uitgebreide geluidsanalyse uitgevoerd werd in alle punten in de omgeving en dat er tevens contact werd opgenomen met Aminal om te bepalen welke formele eisen waren voor de afwijkingsaanvraag. VII-34.354-9/21 Naar verluidt Animal was Vlarem. in deze niet van toepassing en moest er voor de afwijkingsaanvraag enkel rekening gehouden worden met het woongebied. Op pagina 19 van het officiële verslag A.0301.1902 B van 28 maart 2003 wordt dan ook letterlijk verwezen naar de dichter bijgelegen woningen in woonuitbreidingsgebied met de melding “blijkbaar niet relevant voor de afwijkingsaanvraag". Deze woningen zijn ook terug te vinden op de foto's in de geluidsstudie. In hetzelfde verslag wordt niettemin een berekening gegeven van alle relevante punten in de omgeving, ook in de punten die voor de afwijkingsaan- vraag niet relevant waren (bladzijde 20, stuk 17). De bevoegde ambtenaren hadden dus alle gegevens om te oordelen, ook als ze alsnog de mening toegedaan waren dat met andere bewoonde gebouwen rekening moest gehouden worden dan deze gelegen in het woongebied. Eerste verzoeker heeft niets verdoezeld. Kern van de zaak is dat de geluidsmeting, enkel noodzakelijk was in het licht van een afwijkingsaanvraag van de afstandsregel. Voor deze afwijking waren, volgens de administratie en begrijpelijkerwijze, enkel de woningen relevant in het woongebied, op een afstand van 420 meter. Het gaat zodoende niet om een "normale" Vlaremstudie, maar wel om een geluidstudie met een specifiek doel. Nogmaals, de keuze van de meetpunten gebeurde in overleg zowel met de gemeentelijke milieu-ambtenaar als met Aminal. In het advies van de Milieu-inspectie dd. 22 februari 2005 wordt erkend dat eerste verzoeker contact heeft opgenomen met Aminal maar wordt betwist dat het gesprek over de keuze van de meetpunten ging. Waarover zou dit telefonisch onderhoud gegaan zijn dan over de noodzakelijke meetpunten ? Verzoekende partij merkt tenslotte op dat de gevraagde afwijking ook ingewilligd werd (op basis van de geluidstudie van eerste verzoeker). 4. Conclusie is dan ook dat (
  2. a)eerste verzoeker op voorhand contact heeft opgenomen met de bevoegde overheden; (
  3. b)hij niettemin overgegaan is tot geluidsmetingen in de meer dichter bijgelegen woningen; (
  4. c)de resultaten hiervan ook terug te vinden zijn in het rapport; (
  5. d)het rapport voorts werd afgewerkt overeenkomstig de raadgevingen/instructies van de overheid, met name met bijzondere aandacht voor de woongelegenheden in het woongebied; (
  6. e)de afwijking finaal werd toegestaan. Verzoekers zien echt niet in wat hen te verwijten valt. Verzoekers herhalen hetgeen hun raadsman heeft geschreven in de brief van 7 februari 2005 (stuk 9/2). Zoals de zaak er thans voorstaat, dient vastgesteld te worden dat de kritiek geleverd tijdens de hoorzitting in werkelijkheid niet eens Spruytte als geluidsdeskundige betreft, maar eerder de werking van ... de eigen diensten. 5. De conclusie van de Minister vindt dus geen steun in de feitelijke gebeurtenissen. Vandenbuverie 1. Verzoekers verwijzen naar hun verslag A. 0110. 1686 F (stuk 18). Hoofdverwijt van verwerende partij is dat eerste verzoeker wél volgende situaties gemeten heeft (enkel dieselgroep + kleppen dicht, enkel dieselgroep + kleppen open, dieselgroep kleppen open + betoncentrale), maar niet de situatie van dieselgroep kleppen dicht + betoncentrale. Verzoekers verwijzen opnieuw naar de brief van hun raadsman dd. 7 februari 2005 "Tijdens de hoorzitting heeft mijn cliënt aangetoond dat de meting van het specifieke geluid van dit bedrijf slechts kon worden uitgevoerd in een korte tijdspanne van circa 10 à 15 minuten tijdens een vroege zaterdagvoormiddag. Tijdens de meting, was het enkel mogelijk om 3 situaties te meten : compressor met kleppen open (SI), compressor met kleppen dicht (S2), VII-34.354-10/21 compressor met kleppen dicht en mixer aan (S3). Er werd geopteerd om enkel de metingen weer te geven en geen extra interpretaties te geven. Niettemin is het zeer eenvoudig om de situatie S4, mixer aan en kleppen open - zijnde de "ontbrekende " meting - te berekenen door middel van de gekende logaritimische optelregels; Het principe is : S4 = S3 + SI - S2. Gaat men over tot narekening, dan zal men vaststellen dat ook deze situatie voldoet aan de wettelijke regelen. Aan mijn cliënt kan men hoogstens verwijten dat hij niet zelf deze berekening heeft uitgevoerd. Dit is, in de hoger geschetste situatie, werkelijk een detailkritiek. " 2. Verzoekers benadrukken dat de overheden die zich hebben moeten uitgespreken over deze geluidstudie, geen enkele opmerking hebben geformu- leerd. Er is géén bijkomend verslag gevraagd. Er is géén vraag gesteld met betrekking tot de wijze waarop de situatie dieselgroep (kleppen dicht) + betoncentrale moet gemeten worden. Dit is begrijpelijk, nu de situatie kleppen dicht + betoncentrale enkel een theoretische hypothese is die in werkelijkheid zich niet zal voordoen. 3. Van een technische fout in het dossier Vandenbuverie is in het gemotiveerd advies van de afdeling Milieuvergunningen niet eens sprake (en evenmin in het definitief advies van de afdeling Milieu-inspectie). Enkel wordt eerste verzoeker verweten dat eerste verzoeker de meetomstan- digheden onvoldoende heeft toegelicht in zijn rapport. Dit is geen technische fout, hoogstens een onduidelijkheid in rapportage, in één enkel dossier, dat dan nog dateert van een vroegere erkenningsperiode. Deze onduidelijkheid - zo bestaande - kan onmogelijk de draconische sanctie van de niet-verlenging van de erkenning verantwoorden. 4. Het derde onderdeel is ernstig en gegrond. §4. Vierde onderdeel : miskenning van de Handleiding van de afdeling Milieu-inspectie 1. De Minister stelt dat eerste verzoeker geen rekening heeft gehouden met de Handleiding voor het beoordelen van volledig akoestische onderzoeken. In het bijzonder wordt de schending van § 2.6 van deze Handleiding opgeworpen dat als volgt luidt: "De meet- en bedrijfsomstandigheden moeten duidelijk beschreven worden. Dat moet toelaten om na te gaan of de metingen werden uitgevoerd onder representatieve werking van de inrichting en onder representatieve geluids- overdracht, dus met maximale geluidsimpact voor de buurt (artikel 2, § 1 van de bijlage 4.5. l). Dit vereist onder meer een plan van de inrichting met aanduiding van de plaats van de voornaamste geluidsbronnen ". 2. De handleiding heeft dus enkel betrekking op de rapportage, niet op de methode. Verzoekers kunnen zich niet voorstellen dat redelijkerwijze, op basis van twee rapporten, die beweerdelijk doch betwist zouden strijden met de handlei- ding, kan geoordeeld worden dat eerste verzoeker de handleiding niet zou naleven. 3. Het vierde onderdeel is ernstig en gegrond. §5. Vijfde onderdeel : over de meetmethode van eerste verzoeker 1 . De Minister sluit zich aan bij het definitief advies van de Milieu-inspectie dd. 3 maart 2005, "zoals aangepast na de vergadering van 24 februari 2005 " (over welke vergadering het gaat en hoe het definitief advies voordien luidde, is onduidelijk) waarin de Milieu-inspectie stelt dat zij de meetmethode met de zogenaamde "random generator" niet meer aanvaardt. 2. Vooreerst deze bedenking. Eerste verzoeker is geluidsdeskundige sinds 1992. Van meet af aan heeft hij gewerkt met de thans door de Milieu-inspectie afgevallen methode. In deze dertien jaar is geen enkel dossier geweigerd VII-34.354-11/21 geworden door de afdeling Milieuvergunning of door de afdeling Milieu-Inspectie (ook niet de dossiers Flanders Kart Shop en Vandenbuverie). Evenmin is eerste verzoeker bekend met één enkele tegenexpertise waaruit blijkt dat de resultaten van zijn methode niet juist zouden zijn. Eerste verzoeker heeft in deze periode wellicht enkele duizenden rapporten opgesteld. Het gaat niet op dat vijftien jaar na datum de methode van eerste verzoeker wordt afgevallen op basis van amper twee dossiers. 3. Verzoekers hebben hoger aangegeven dat zijn collega, Jan Debaere, met precies dezelfde methode werkt. Nochtans werd de heer Debaere nog maar op 24 januari 2005 erkend als geluidsdeskundige. Deze handelswijze is manifest in strijd met de thans bestreden beslissing. 4. Het is juist dat in de Ministeriële Beslissing van 3 juni 2002 (stuk 1) vragen werden gesteld over de methode van eerste verzoeker. Nadat deze door eerste verzoeker werd toegelicht (zie onder meer stuk 6/1) werd op 13 juni 2003 een nieuwe verlengingsbeslissing genomen, waarbij aan eerste verzoeker enkel werd gevraagd om zich te houden aan de "Handleiding voor het beoordelen van volledige akoestische onderzoeken". Deze Handleiding (stuk 12) betreft evenwel enkel de rapportage, niet de methode. Met andere woorden, verwerende partij heeft met besluit van 13 juni 2003, na een eerdere kritiek, de methode van eerste verzoeker aanvaard. Op dat ogenblik kende verwerende partij, en kende de Milieu-inspectie maar al te goed de methode van eerste verzoeker, waar deze uitvoerig was toegelicht op een hoorzitting van 28 juni 2002 met bijgaande slideshow (stuk 6/1), terwijl ook het eindrapport van professor Botteldooren toen reeds bekend was. Het Ministerieel Besluit van 3 juni 2002 was precies beperkt tot één jaar teneinde de methodiek van eerste verzoeker te onderzoeken. Deze werd dus afdoende beschouwd, ten bewijze het Ministerieel Besluit van 13 juni 2003, waarbij enkel nog werd voorbehoud gemaakt omtrent de rapportage (zie de verwijzing naar de Handleiding). Op deze aanvaarding kan niet teruggekomen worden. 5. De afdeling Milieu-Inspectie heeft op 18 oktober 2004 een voorbehoud- loos gunstig advies verstrekt. De afdeling Milieu-inspectie kon dit advies niet amper enkele weken nadien geheel omvormen in een radicale verwerping van de geluidsmethode van eerste verzoeker op basis van één (hoogstens twee) dossiers. De motivering in de bestreden beslissing is niet constistent. 6. De Milieu-inspectie, en in zijn navolging de Minister, vallen de geluidsmet- hode van eerste verzoeker af op basis van ... één enkel dossier (Flanders Kart Shop), hoogstens twee dossiers (tevens Vandenbuverie). Nochtans betreft de voornaamste kritiek op deze verslagen de rapportage, niet de methode. 7. Puntsgewijze beantwoording van de door de Minister aangehaalde redenen om de geluidsmethode van eerste verzoeker af te vallen: -Verwijderen van de hoogste niveaus In essentie wordt hierin kritiek geleverd op een klassieke methode om een geluidsdistributie om te zetten in een statistische relevante steekproef. Door de Milieu-inspectie wordt sterk van leer getrokken tegen de "gangbare methode", waarmede bedoeld wordt een statistische analyse, zijnde een techniek die nog steeds door tal van deskundigen wordt gebruikt (stukken 20) Eerste verzoeker heeft deze methode verfijnd en, naar verluidt professor Botteldooren, verbeterd. Verzoekers stellen vast dat de Milieu-inspectie het niet opheeft noch met de gangbare methode en evenmin met de random generator methode, die misschien minder gangbaar is, maar voor de verwerking van data, binnen de wereld van akoestici, een bekende statistische methode is. Maar dit mag niet doen vergeten VII-34.354-12/21 dat er geen enkele wettelijke regel is die de statistische geluidsmethode verbiedt. Integendeel blijkt zij volop gebruikt worden in de sector. Bovendien vergeet de Milieu-inspectie dat niet enkel de hoogste waarden in de statistische methode worden verwijderd, maar ook de laagste waarden. Het eindresultaat is neutraal. Komt daarbij dat de methode van eerste verzoeker enkel wordt gebruikt bij stabiele of licht fluctuerende geluiden, niet bij impulsieve of piekgeluiden. Dit wordt ten overvloede aangetoond in het kwaliteitshandboek van Avitech (stuk 22, zie p. 27) en in het typerapport dat Avitech heeft opgesteld ten verzoeke van de Milieu-inspectie (stuk 25 . Nogmaals, er bestaat niet één erkende methode "Avitech", anders dan de Milieu-inspectie suggereert. Zo ook wordt door eerste verzoekers gerapporteerd in de toelichting reeds in 1997 gegeven aan de leden van de Milieu-inspectie over de methode random generator (stuk 24), in de slideshow voorgebracht ter gelegenheid van de hoorzitting van 28 juni 2002 (stuk 6/1), en in het eindverslag van professor Botteldooren (stuk 6/2). Tenslotte wordt steeds een grafiek opgenomen in elke geluidmeting, waarop alle waarden, ook de hoogste en de laagste waarden, die vervolgens verwijderd worden worden aangegeven, derwijze dat de overheid tot een gepaste controle kan overgaan, waar zij dit nodig acht (zie de stukken 16 en 17 als voorbeeld). -Aftrekken van niveaus met een onderliggend verschil van minder dan 3 dB(A) in acht genomen de meetmarge van 1 à 2 dB(A) De technische essentie van een akoestisch onderzoek is het bepalen van het zogenaamde specifieke geluid. Dit is het geluid geproduceerd door een bedrijf Er kan nooit rechtstreeks gemeten worden omdat er altijd omgevingsgeluid meegemeten wordt. Bijgevolg kan een enkele meting uitgevoerd met het bedrijf in de omgeving, een meting van enkel de omgeving en via een berekening (een logaritmisch verschil) het verschil maken. De stelling van de Milieu-Inspectie is dat dit enkel mogelijk is als het liniaire verschil tussen beide metingen meer dan 3 dB(A) zou bedragen. Wanneer men een fout van maximaal 0,1 dB(A) aanvaardt, dan kan deze stelling onderschreven worden. Dergelijke norm is wettelijk niet opgelegd. Wanneer er een kleiner verschil bestaat tussen hoger genoemde metingen dan 3 dB (A) dan zal immers de meetmarge effectief groter zijn. Eerste verzoekers methode geeft een precieze inschatting van deze fout (nl. 1 tot 2 dB(A)). Uit een wetenschappelijke publicatie in bijlage (stuk 23) blijkt de verhoging van de meetfout, niet belet dat toch nuttig kan gemeten worden binnen de 3 dB(A) omgeving. Uit de literatuur blijkt geenszins dat het verboden is om geluidsniveau's met een verschil kleiner dan 3 dB(A) van elkaar af te trekken (volgens de logaritmische methode). Integendeel. De resultaten kunnen, niet tegenstaande de verhoogde meetfout, niettemin relevant blijven. Conclusie is dat eerste verzoeker in overeenstemming met de literatuur en de praktijk handelt. -Ondoorzichtigheid van de methode van eerste verzoeker Het heet dat "het gebruik van voormelde methode de werkwijze van de heer Spruytte volledig ondoorzichtig maakt". Dit is een bewering, die incompatibel is met de uitvoerige toelichting van de geluidsmethodologie door eerste verzoeker in zijn slideshow, voorgelegd naar aanleiding van de hoorzitting van 28 juni 2002 (stuk 6/1) en zoals impliciet aanvaard door verwerende partij in de verlengingsbeslissing van 13 juni 2003 (stuk 4). Het blijft ten andere bij een loutere bewering Volledigheidshalve merkt eerste verzoeker op dat hij reeds eerder nauwkeurig heeft uiteengezet wat de grenzen zijn van de methode van eerste verzoeker en dus meteen ook wat diens nauwkeurigheid is (stuk 24, blz. 12 t/m 25). -Advies professor Botteldooren VII-34.354-13/21 Eerste verzoeker heeft zijn methode onderworpen aan het advies van de vakgroep Informatietechnologie, onder leiding van professor Botteldooren. Conclusie van zijn eindrapport is dat de techniek voorgesteld door Avitech, als belangrijkste voordeel heeft dat de informatie kan verkregen worden over de statistische distributie van een specifiek geluid: hierdoor kan op meer accurate wijze rekening gehouden worden met het verwachte tijdsverloop van de bronemissie. Hij besluit finaal dat de methode van eerste verzoeker een verbetering inhoudt ten opzichte van de gangbare methode. Nogmaals, verwerende partij zal er niet in slagen dat de gangbare, statistische methode onwettig is. De verslagen welke eerste verzoeker voegt aan zijn dossier (stukken 20) bewijzen integendeel dat de statistische methode nog steeds gangbaar is bij andere, erkende, geluidsdeskundigen. Uit de analyse van professor Botteldooren volgt dat de random generator methode niet kan gebruikt worden wanneer men geïnteresseerd is in geluiden (10 tot 20 dB(A)) boven de achtergrondevents. Dit gebeurt effectief ook niet door verzoekende partij, en verwerende partij zal er niet in slagen, ook niet aan de hand van de in bestreden beslissing aangehaalde dossiers, om het tegendeel te bewijzen. Uit het verslag van professor Botteldooren blijkt verder dat in de methode van eerste verzoeker de keuze van de parameters met grote omzichtigheid dient te gebeuren. Dit is ook precies hetgeen dat eerste verzoeker doet, daarbij geruggesteund door een jarenlange ervaring. Verwerende partij zal niet bewijzen en bewijst niet dat eerste verzoeker niet omzichtig te werk gaat bij zijn methode. Dit blijkt alvast niet uit de twee dossiers welke finaal de eindstreep hebben gehaald. 8. Conclusie is dat elk van de vier overwegingen die de Minister aanhaalt in de bestreden beslissing niet op draagkrachtige motieven steunt, zodat ook om deze redenen de bestreden beslissing onwettig is. 9. Tot slot nog dit. Merkwaardig is nog de zinsnede dat de afdeling Milieuvergunningen "overtuigd (
  7. is)van de ruime technische kennis en ervaring van de heer Spruytte in zijn vakgebied " . Deze bewering is uiteraard incompati- bel met het volledig, en in bijzonder grove bewoordingen, afvallen van de door hem gebruikte - en beproefde! - en succesvol bevonden (zie stuk 14/12 met een referentielijst van eerste verzoeker) techniek. (...)”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij, wat het tweede middel betreft, in haar nota betoogt dat de bestreden beslissing “niet louter berust op het beoordelen van vier dossiers maar een gevolg is van een zeer omvangrijke evaluatieprocedure die reeds sinds 2002 bezig is” en dat het bestreden besluit namelijk vier te onderscheiden motieven hanteert om de erkenning te weigeren; dat zij daarop de in de aanhef van het bestreden besluit opgenomen overwegingen citeert; dat zij nog verwijst naar het schrijven van de milieu-inspectie van 18 november 2004, waaruit blijkt dat deze tot op die datum geen akoestische rapporten heeft ontvangen en naar het advies van 28 februari 2005 waarin onder meer wordt gesteld dat de brief van eerste verzoeker van 13 februari 2003 waar een recent verslag van een volledig akoestisch onderzoek voor goedkeuring zou zijn bijgevoegd niet te vinden is in het archief van de milieu-inspectie; dat die brief “blijkbaar” niet aangetekend zou zijn verstuurd; VII-34.354-14/21 Overwegende dat, wat het derde middel-inzonderheid het tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel- betreft, dat de verwerende partij in haar nota in essentie betoogt dat het tweede onderdeel gericht is tegen een overtollig motief, daar er nog drie andere motieven bestaan die even afdoende en draagkrachtig zijn om de erkenning te weigeren, dat het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort om in de plaats van de overheid te treden en in deze een appreciatie uit te spreken over het werk van eerste verzoeker, dat “volledigheidshalve, zij de standpunten van de afdeling Milieuvergunningen en van de afdeling Milieu-inspectie met betrekking tot de dossiers Flanders Kart Shop, Vandebuverie en Victor Buyck citeert die met het bestreden besluit worden bijgetreden (tweede onderdeel), dat het al dan niet miskennen van de “ Handleiding” van de afdeling Milieu-inspectie een “discussie nopens een appreciatie” betreft, dat desbetreffend kan worden verwezen naar de adviezen van de afdelingen Milieu-inspectie en Milieuvergunningen van AMINAL en dat in het bestreden besluit een evaluatie is gegeven naar aanleiding van een jarenlange observatie en proefperiode waaromtrent de Raad van State geen opportuniteitsoordeel vermag uit te spreken (derde onderdeel),dat nergens uit blijkt dat de door eerste verzoeker gehanteerde meetmethode in het verleden zou zijn aanvaard, dat, integendeel, de erkenning van 23 juni 2003 opnieuw voor een beperkte termijn werd verleend om ook over de bruikbaarheid van deze methode verder uitsluitsel te geven, dat in casu geen type-verslag werd gevraagd, maar wel een rapport met duidelijke meetresultaten -zoals blijkt uit het advies van de Milieu- inspectie van 28 februari 2005-, dat het in deze zin was dat in 2003 werd besloten dat het werk van eerste verzoeker verder diende te worden beoordeeld zowel naar vorm als naar inhoud, dat, wat het oordeel over de gehanteerde methodiek “random generator” betreft, de verwerende partij citeert uit evengenoemd advies van de Milieu-inspectie van 28 februari 2005 en van 3 maart 2005, waaruit de onaanvaard- baarheid van die methodiek zou moeten blijken (vijfde onderdeel); 2.1.3. Overwegende dat, alhoewel de verwerende partij betoogt dat het bestreden besluit niet berust op het “beoordelen van vier dossiers” maar een gevolg is van een zeer omvangrijke evaluatieprocedure die reeds sinds 2002 bezig is, uit het bestreden besluit en de stukken van het administratief dossier blijkt dat op de hoorzitting van 2 februari 2005 eerste verzoeker werd gehoord over vier dossiers, dat in het daaropvolgend advies van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL van 28 februari 2005 nog gewag wordt gemaakt van drie van die vier dossiers, namelijk Flanders Kart Shop, Vandenbuverie en Victor Buyck, en dat daarin enkel bezwaren worden geuit voor wat betreft de eerste twee dossiers, dat ook het advies van de VII-34.354-15/21 afdeling Milieuvergunningen van 22 februari 2005 en het “definitief” advies van de afdeling Milieu-inspectie van 3 maart 2005 uitsluitend slaan op diezelfde twee dossiers; dat daarbij komt dat, zoals de verzoekende partijen terecht betogen, drie van die vier geluidsstudies werden gemaakt op respectievelijk 18 februari, 28 maart en 7 mei 2003 en aldus dateren van vóór het ministerieel besluit van 13 juni 2003, waarbij aan eerste verzoeker een verlenging van de erkenning voor een periode van twee jaar werd toegestaan; dat nochtans als basismotief in het bestreden besluit wordt gesteld dat “de heer Spruytte tot op heden geen verbetering wist aan te brengen in zijn rapportering ondanks het feit dat voormelde gebreken reeds in de vorige Ministeriële Besluiten dd. 3 juni 2002 en 13 juni 2003 en tijdens de hoorzitting van 28 juni 2002 werden meegedeeld”; dat prima facie bezwaarlijk rapporten van vóór 13 juni 2003 als een referentie voor het verwijt van het niet aanbrengen van enige verbetering kunnen worden aangewend; dat daarbij komt dat niet wordt betwist de bewering van de verzoekende partijen dat gedurende de laatste twee jaar voor verschillende overheden ongeveer 300 geluidsstudies werden opgemaakt die zonder enig voorbehoud werden aanvaard en in de beoordeling van talrijke milieudossiers werden betrokken; dat het voor de verwerende partij prima facie mogelijk moet zijn geweest om in concreto méér dan één rapport dat dateert van na het ministerieel besluit van 13 juni 2003 te onderzoeken en desgevallend in haar beslissing te betrekken; dat voor een zwaarwichtige beslissing als de onderhavige de verwerende partij haar concrete motivering bezwaarlijk kon steunen op één rapport; dat prima facie de verwerende partij dan ook niet kan worden gevolgd in haar betoog dat de bestreden beslissing werd genomen na een jarenlange en grondige studie en evaluatie van zowel de meetmethode als de rapporteringsmethode gehanteerd door verzoeken- de partijen”; dat in het bestreden besluit onder “ten eerste” dan ook niet op goede gronden worden gemotiveerd dat “de rapporten van de heer Spruytte vaak nog steeds onduidelijk zijn en vaak niet alle noodzakelijke meetresultaten bevatten”; dat, voorts, in de overweging “ten tweede” er sprake is van een “aantal fouten”; dat prima facie uit de adviezen waarnaar in het bestreden besluit desbetreffend wordt verwezen, blijkt dat het in casu lijkt te gaan over discussies aangaande de wijze van het berekenen van geluidsniveau’s -dit in de rapporten met betrekking tot Vandenbuve- rie daterend van vóór het ministerieel besluit van 13 juni 2003- of over betwistingen over de interpretatie en toepasselijkheid van Vlarem-afstandsregels -dit in de rapporten met betrekking tot Flanders Kart Shop; dat in het licht van de uitvoerige kritiek die de verzoekende partijen in het derde onderdeel van het derde middel geven op de beweerde technische fouten, de summiere motivering van de bestreden beslissing het niet evident lijkt te maken dat er sprake is van tekortkomingen vanwege VII-34.354-16/21 de verzoekende partijen die op zich een niet-verlenging van de erkenning kunnen verantwoorden; dat de overweging “ten derde” waarbij wordt gesteld dat eerste verzoeker nog steeds niet voldoet aan de voorwaarde van erkenning opgenomen in het ministerieel besluit van 13 juni 2003 inzake het rekening houden met de “Handleiding voor het beoordelen van volledige akoestische onderzoeken” in concreto slechts blijkt te slaan op één rapport; dat desbetreffend kan worden verwezen naar het hiervoren gestelde; dat, tenslotte, de verzoekende partijen wordt verweten “nog steeds” gebruik te maken van een eigen meetmethode, de zogenaamde “Random generator”, die niet aanvaardbaar wordt geacht; dat in het ministerieel besluit van 3 juni 2002, waarbij de erkenning met een jaar werd verlengd, als voorwaarde was opgenomen dat eerste verzoeker “gedurende de erkenningsperiode en in overleg met de betrokken afdelingen van de administratie AMINAL de gepaste corrigerende maatregelen aan zijn werkmethode (zal) aanbrengen”; dat het blijkbaar ging om methodes van meten en berekenen van gemiddelden; dat in het besluit van 13 juni 2003, waarbij de erkenning werd verlengd tot 30 april 2005 van die voorwaarde geen sprake meer is; dat wel wordt opgelegd rekening te houden met de “Handleiding voor het beoordelen van volledige akoestische onderzoeken”, die prima facie niet de meet- en rekenmethodes betreft maar de wijze van rapportage en toetsing; dat blijkbaar tijdens die periode van erkenning daaromtrent ook geen opmerkingen meer werden gemaakt, zodat prima facie op basis van die elementen er redelijkerwijze kon worden van uitgegaan dat de door eerste verzoeker gehanteerde meet- en berekenmethode wel aanvaardbaar werd geacht; dat evenwel in de bestreden beslissing een summiere kritiek op die methode -kritiek die daarenboven slaat op amper twee dossiers- plots een motief vormt tot niet-verlenging van de erkenning; dat daarbij komt dat de te gebruiken rekenmethodes niet zijn gereglemen- teerd, dat niet blijkt te zijn aangetoond dat die methode tot belangrijke fouten in meerdere dossiers heeft geleid, dat volgens de verzoekende partijen -hierin niet tegengesproken door de verwerende partij- niet steeds, maar alleen in bepaalde omstandigheden, namelijk wanneer het verantwoord is- wordt gebruik gemaakt van die methode en dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift omstandig uiteenzetten waarom van die methode gebruik wordt gemaakt en vakliteratuur voorleggen ter ondersteuning van hun visie; dat in het licht van evengenoemde omstandigheden, het onderdeel van de motivering met betrekking tot de “eigen meetmethode” van eerste verzoeker in de huidige stand van de procedure niet draagkrachtig lijkt; dat de middelen in de besproken mate ernstig zijn; VII-34.354-17/21 Overwegende dat het gegeven dat het al dan niet erkennen als milieudeskundige tot de discretionaire bevoegdheid van het bestuur behoort, niet wegneemt dat het bestuur daarbij de wettelijk voorziene voorwaarden dient te hanteren, en, vooral, dat zij haar beslissing naar behoren dient te motiveren; dat dergelijke beoordeling geen standpunt inhoudt over de opportuniteit van het al dan niet erkennen als deskundige; dat de verwerende partij in haar desbetreffende kritiek niet kan worden gevolgd; 2.2.1. Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat eerste verzoeker volgend betoog houdt : “1 . Door de bestreden beslissing beschikt eerste verzoeker niet langer over een erkenning als geluidsdeskundige. Eerder werd hem ook de MER-erkenning afgenomen . Aldus kan eerste verzoeker, die geluidsdeskundige is, geen werk meer uitoefenen in het Vlaamse Gewest waarvoor de erkenning als geluidsdeskundige noodzakelijk is. Heel concreet betekent dit dat eerste verzoeker zelf geen enkele opdracht meer kan uitvoeren waarvoor een erkenning conform het K.B. van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen en het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) kan uitvoeren. Eén en ander geeft aanleiding tot een aanzienlijk financieel verlies in hoofde van eerste verzoeker. Waar 70% van de omzet van tweede verzoekster rechtstreeks gerelateerd is aan geluidsonderzoeken waarvoor een erkenning vereist is, en eerste verzoeker senior geluidsdeskundige is, zal eerste verzoeker niet meer kunnen ingezet worden. Daardoor wordt de situatie van eerste verzoeker, binnen de bvba Avitech Accoustics, en samen met de bvba Avitech Accoustics, onhoudbaar. 2. Er is uiteraard meer. Naast het stilvallen van een volledige economische activiteit op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, zal eerste verzoeker zonder twijfel door de bestreden beslissing een ernstig reputatieverlies oplopen dat des te meer onherstelbaar zal zijn naarmate de tijd verstrijkt. In dit verband benadrukt eerste verzoeker dat de namen van de geluidsdeskundigen publiekelijk be k e nd g e maakt wo r d e n o p d e w e bs it e va n Amin a l (www.mina.be/milieudeskundigen.htlm). De reputatie is in een bijzonder kleine wereld als deze van de geluidsdeskun- digen (in Vlaanderen, amper 34 geluidsdeskundigen) van doorslaggevend belang. Indien de niet-erkenning langer duurt dan enkele weken, zal het reputatieverschil (sic) in de huidige sterk concurrentiële tijdsgeest definitief en onherroepelijk zijn. Dit zal op zijn beurt leiden tot een onomkeerbaar klantenverlies nu klanten ondertussen opdrachten zullen toevertrouwen aan één van de (weinig) andere deskundigen. Dit is zeker het geval nu eerste verzoeker bijna steeds optreedt als consultant en maar weinig werk haalt uit gerechtelijke aanstellingen en dergelijke meer. VII-34.354-18/21 Eerste verzoeker zal bovendien niet meer, minstens veel moeilijker, kunnen optreden als spreker-deskundige op studiedagen en cursussen, wat hij nochtans zeer regelmatig deed . Dit zet zijn reputatieverlies nogmaals in de verf In dit verband wijst eerste verzoeker Uw Raad toch op de zeer scherpe bewoordingen die tegenover hem en zijn methode worden gebruikt in de bestreden beslissing. 3. Er is nog meer. Doordat eerste verzoeker niet als erkend geluidsdeskundi- ge inzetbaar is, gedurende langere termijn (dit is zeker het geval indien enkel een gewone vernietigingsprocedure gevolgd wordt), zal hij tevens specifieke en snel voorbijgestreefde ervaring moeten missen in zijn specialiteit. Ook dit ervarings- verlies is in sé onherstelbaar . Dergelijk ervaringsverlies is inderdaad onherstelbaar in een bij uitstek zeer gespecialiseerde technische sector met steeds nieuwe uitdagingen (bijvoorbeeld is eerste verzoeker de laatste tijd sterk betrokken bij de bouw van windturbines). Het spreekt voor zich dat indien eerste verzoeker gedurende langere tijd geen erkende geluidsdeskundige meer zal zijn, hij ongetwijfeld zal geconfronteerd worden met een ernstig verlies aan deze technische ervaring, hetgeen op zijn beurt ontegensprekelijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt”; 2.2.2. Overwegende dat dit betoog overtuigt; dat inderdaad blijkens de door AMINAL op het internet gepubliceerde lijst van de erkende milieudeskundigen in de discipline geluid en trillingen er thans nog 34 personen als milieudeskundigen zijn erkend; dat het niet langer erkennen van eerste verzoeker als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen niet alleen een belangrijk financieel verlies meebrengt, maar ook een zware weerslag heeft op zijn reputatie die hij sedert 1992 in zijn vakgebied heeft opgebouwd; dat de verwerende partij niet kan worden gevolgd in haar stelling dat het in casu om een zuiver te herstellen financieel verlies gaat; dat het dienvolgens niet nodig is te onderzoeken of ook ten aanzien van de tweede verzoekende partij aan de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan; 2.3.1. Overwegende, wat de ingeroepen uiterst dringende noodzakelijk- heid betreft, dat eerste verzoeker aanvoert wat volgt : “1. Eerste verzoeker heeft uiteengezet dat zijn situatie op de markt, maar ook binnen tweede verzoekster, onhoudbaar wordt door de niet-verlenging van de erkenning. In een zeer kleine sector als deze waar eerste verzoekers actief in zijn, zal de boodschap zich zeer snel verspreiden en op korte termijn onherstelbare schade berokkenen. Gelet op de voor allen toegankelijke publicatie van de erkende geluidsdeskundigen op de website van de Vlaamse overheid (...) zal de schade inderdaad niet lang op zich laten wachten. Niet alleen dreigen eerste verzoekers geen nieuwe opdrachten meer te kunnen binnenhalen, meer nog, bestaande cliënten met lopende opdrachten kunnen afhaken”; VII-34.354-19/21 2.3.2. Overwegende dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat eerste verzoeker niet langer beschikt over een erkenning als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen; dat, zoals de raadsman van de verzoekende partijen ter terechtzitting betoogde, de naam van eerste verzoeker reeds uit de op het internet door AMINAL gepubliceerde lijst van erkende milieudeskundigen in de discipline geluid en trillingen werd geschrapt; dat de uiteenzetting van eerste verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering verantwoordt; dat, in achtgeno- men de complexiteit van de zaak en het gegeven dat de verwerende partij de bestreden beslissing van 15 juni 2005 aan de verzoekende partijen heeft betekend met een op 13 juli 2005 ter post aangetekende brief, de verzoekende partijen niet te lang hebben getalmd met het instellen van hun vordering op 26 juli 2005, dit is binnen een periode van zeven werkdagen na ontvangst van het bestreden besluit; 2.4. Overwegende dat minstens in hoofde van eerste verzoeker is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden bevolen, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 15 juni 2005 tot weigering van de verlenging van de erkenning van Vincent SPRUYTTE als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen Artikel 2. Dit arrest wordt bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. VII-34.354-20/21 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juli tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-34.354-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.998 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.