← België

Arrest 148029 - - 04/08/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.029 Rolnummer: A. 81460/X-8594 Zaak: Arrest 148029 - - 04/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 22:33 Fiche Arrest nr 148.029 van 4 augustus 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 148.029 van 4 augustus 2005 in de zaak A. 81.460/X-

  1. In zake :
  2. Marcel BLOCKX,
  3. Maria VERJAUW,
  4. de v.z.w. TER MUNCK,
  5. Rony LONTIE, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 64 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32/
  6. tussenkomende partijen :
  7. de Katholieke Universiteit Leuven, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14,
  8. de stad LEUVEN, die woonplaats kiest bij Advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J. Lipsiusstraat
  9. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marcel BLOCKX en Maria VERJAUW op 8 december 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven in Leuven-Heverlee ("Termunkveld"), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 1998; Gelet op het arrest nr. 85.241 van 9 februari 2000 waarbij de verzoeken tot tussenkomst van de stad Leuven en van de Katholieke Universiteit Leuven in de vordering tot schorsing worden ingewilligd, de vordering tot schorsing X-8594-1/9 van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure ten laste van de tussenkomende partijen worden gelegd; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partijen op 9 maart 2000; Gelet op de verzoekschriften tot voortzetting van het geding van 10 april 2000 ingediend door de eerste verzoekende partij van 11 april 2000 ingediend door tweede verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 september 2001 ingediend door de Katholieke Universiteit Leuven; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2001 die de tussenkomst van de Katholieke Universiteit Leuven toelaat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 8 november 2001 ingediend door de stad Leuven; Gelet op de beschikking van 23 november 2001 die de tussenkomst van de stad Leuven toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 7 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2004; X-8594-2/9 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat M. VAN BEVER, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat A. BINON die, loco Advocaat B. BEELEN verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partijen een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat het arrest nr. 85.241 van 9 februari 2000 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft verworpen; dat dit arrest aan de verzoekende partijen ter kennis werd gebracht op 9 maart 2000; Overwegende dat de raadsman van de verzoekende partijen met een op 10 april 2000 ter post aangetekende brief meedeelt dat "thans nog enkel de heer Marcel Blockx als partij zal optreden in het kader van de annulatieprocedure"; dat de raadsman van de verzoekende partijen evenwel met een op 11 april 2000 ter post aangetekende brief meedeelt dat "ook mevrouw Maria Verjauw de procedure tot nietigverklaring wenst verder te zetten"; dat de verzoekende partijen, de vzw Ter Munck en Rony Lontie geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; dat het verzoek tot voortzetting van Maria Verjauw buiten de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest werd ingediend; dat bijgevolg te haren aanzien eveneens het vermoeden van afstand van geding geldt; X-8594-3/9 Overwegende dat de tweede tussenkomende partij een exceptie van ontvankelijkheid opwerpt daar de verzoekende partij in haar verzoek tot voortzetting vraagt dat de vordering tot nietigverklaring onontvankelijk minstens ongegrond wordt verklaard, dat dit overeenstemt met een afstand van geding; Overwegende dat uit het verzoek tot voortzetting duidelijk blijkt dat het gaat om een materiële vergissing en dat de verzoekende partij geen afstand van geding wenst te doen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat luidens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven het gebied, genaamd "Termunckveld", is gelegen deels in agrarisch gebied en deels in recreatiegebied; dat de verzoekende partij "ter plekke" 1,3 ha landbouwgrond exploiteert, die eigendom is van zijn echtgenote; dat de Vlaamse regering bij besluit van 27 mei 1997 haar besluit van 1 juni 1995 houdende vaststelling van het gewestplan Leuven voor de delen van de kaartbladen 24/6, 32/1 en 32/2, waarbij onder meer het gebied "Termunkveld" tot researchpark werd bestemd, heeft ingetrokken; dat zij bij besluit van dezelfde datum het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven voor een gedeelte van het grondgebied van de stad Leuven te Heverlee, voorlopig heeft vastgesteld voor een deel van het kaartblad 32/2, met aanvullend stedenbouwkundig voorschrift zoals vervat in de bijlagen 1 en 2 bij dit besluit; dat de betrokken gronden worden bestemd tot "researchpark" (bijlage 2 : aanvullend stedenbouwkundig voorschrift gewestplan Leuven, artikel 14) en "bufferzone"; dat verzoekende partij tijdens het openbaar onderzoek een bezwaarschrift heeft ingediend; dat de regionale commissie van advies op 27 mei 1998 een gunstig advies heeft uitgebracht; dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 13 juli 1998 advies heeft uitgebracht over het ontwerp; dat de Vlaamse regering bij het bestreden besluit van 23 juli 1998 het bijgevoegde plan tot gedeeltelijke wijziging van het koninklijk besluit van 7 april 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Leuven definitief heeft vastgesteld voor delen van het grondgebied Leuven zoals aangeduid op delen van het kaartblad 32/2, met aanvullend stedenbouwkundig voorschrift zoals vervat in de bijlagen 1 en 2 bij dit besluit; dat de betrokken gronden worden bestemd, deels tot "researchpark" (bijlage 2 : aanvullend stedenbouwkundig voorschrift gewestplan Leuven, artikel 14), en deels tot "bufferzone"; dat dit besluit bij uittreksel werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 1998; X-8594-4/9 Overwegende dat de verwerende partij het belang van de verzoekende partij betwist; dat zij stelt dat het door de verzoekende partij ingeroepen nadeel niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden gewestplanherziening zelf, maar eventueel enkel nog uit later nog te nemen beslissingen; Overwegende dat de in het gewestplan vastgestelde bestemming de rechtsposities van de betrokken gebieden bepaalt; dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij de betrokken gronden als landbouwgronden exploiteert; dat deze door het bestreden besluit worden bestemd tot "researchpark" en "bufferzone", daar waar zij voorheen tot agrarisch gebied waren bestemd; dat de verzoekende partij daardoor alleen reeds blijk geeft van het rechtens vereiste belang; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat, desnoods ambtshalve, dient te worden onderzocht of het bestreden besluit werd vastgesteld met naleving van artikel 3, § 1 en 84, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State zijn adviesverlenende taak ontleent aan artikel 160 van de Grondwet; dat in zoverre de raadpleging van de Raad van State betrekking heeft op het onderzoek van wetgevende en verordenende teksten, die raadpleging voortvloeit uit het streven van de grondwetgever om de eerbiediging van de rechtsstaat en de kwaliteit van die teksten uit wetgevingstechnisch en formeel oogpunt te waarborgen, en bijgevolg ook de rechtszekerheid; dat de raadpleging van de afdeling wetgeving, zoals ze is geregeld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter uitvoering van de Grondwet, als dusdanig een pleegvorm is die van openbare orde en derhalve substantieel is; dat de nadere regels waarin is voorzien met het oog op de regelmatige afhandeling van die raadpleging, eveneens van die aard zijn en niet uitsluitend bedoeld zijn om een goede organisatie van de werkzaamheden van de Raad van State te garanderen; dat daaruit voortvloeit dat wanneer de wet de bevoegde overheid toestaat om onder bepaalde voorwaarden na te laten de afdeling wetgeving te raadplegen of om haar volgens een versnelde rechtspleging om advies te verzoeken, die voorwaarden op restrictieve wijze dienen te worden geïnterpreteerd; dat elke onregelmatigheid in dat verband zo nodig ambtshalve dient te worden opgeworpen; Overwegende dat, artikel 3, § 1,eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt : X-8594-5/9 "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; Overwegende dat artikel 84, eerste lid, van die wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer, "wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4"; dat in dit geval de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, moet worden overgenomen in de aanhef van de verordening; Overwegende dat het in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toekomt te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de "bijzondere redenen" die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, met toepassing van meer vermeld artikel 84, eerste lid, er in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet op kan beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig heeft voorgelicht omtrent de "bijzondere redenen" die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht; dat in dat geval de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 8 juli 1998 door de Vlaamse minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening werd verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering "houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven in Leuven-Heverlee"; dat de Vlaamse regering, ter voldoening aan het X-8594-6/9 vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan motiveert "door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22.12.1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (art. 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling door de Vlaamse regering wordt vastgesteld op 240 dagen. De vergadering van de Vlaamse regering voor het desbetreffende besluit van Leuven is voorzien op 22 juli 1998 voor de vervaldag van 4 augustus
  10. De agendering met de eventuele aanpassing van het besluit aan de bemerkingen van de Raad van State is voorzien op woensdag 15 juli 1998 voor 10 uur. Deze agendering is hoogdringend omdat de Vlaamse regering een laatste maal vergadert op 22 juli 1998 en daarna pas op 8 september 1998"; dat de afdeling wetgeving op 13 juli 1998 advies heeft uitgebracht; dat het advies vermeldt :"Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot 'het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan'."; Overwegende dat bij nader toezien de Vlaamse regering voor de verantwoording van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag zich bezwaarlijk kan beroepen op artikel 11, § 7, van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, ingevoegd bij voormeld decreet van 22 december 1993; dat naar luid van dat artikel de Vlaamse regering op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan moet vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek - of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek -, en zij deze termijn van 180 dagen - of, anders berekend, 240 dagen - met 60 dagen kan verlengen; dat de gegeven verantwoording voorts steunt op het verstrijken van de genoemde termijn op 4 augustus 1998; dat derhalve de verantwoording van het spoedeisend karakter is gelegen in het verstrijken van de termijn van 180 (= 240) dagen; dat de verantwoording niet gewaagt van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn, noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden; Overwegende dat in een geval als het voorliggende, met name in het geval dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, niet X-8594-7/9 valt in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen; dat het advies ter zake zich trouwens ertoe beperkt akte te nemen van de redenen van de spoed; dat, aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de verstrekte verantwoording berust, zij, in de uiterst korte tijd die haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet hoeft na te gaan in het arsenaal van de vigerende teksten of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd; dat, zoals door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat in zijn verslag terecht werd opgeworpen, ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het betreden besluit werd genomen met schending van de artikelen 3, § 1 en 84, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, BESLUIT: Artikel
  11. Vernietigd wordt het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven in Leuven-Heverlee ("Termunkveld"). Artikel
  12. De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de tweede, derde en vierde verzoekende partij. Artikel
  13. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. X-8594-8/9 Artikel
  14. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de verwerende partij ten belope van 347,06 euro, ten laste van de tweede verzoekende partij ten belope van 347,06 euro, en ten laste van de derde en vierde verzoekende partij in de vordering tot schorsing, ieder voor 173,53 euro. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier augustus 2005, door de Xe kamer, samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-8594-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.029 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.