id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.037 Rolnummer: A. 81059/X-8531 Zaak: Arrest 148037 - - 04/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 22:35 Fiche Arrest nr 148.037 van 4 augustus 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 148.037 van 4 augustus 2005 in de zaak A. 81.059X-8531. In zake : 1. de v.z.w. NATUURRESERVATEN OOST-BRABANT (thans de v.z.w. NATUURPUNT OOST-BRABANT) 2. de v.z.w. VRIENDEN VAN HET HEVERLEEBOS EN MEERDAALWOUD, 3. Viviane SCHOL-MAES, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. BERGE, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 64, tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 Grimbergen, Woutersstraat 32/7. tussenkomende partij: de Katholieke Universiteit Leuven, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. NATUURRESERVATEN OOST-BRABANT, de v.z.w. VRIENDEN VAN HET HEVERLEEBOS EN MEERDAALWOUD en Viviane SCHOL-MAES op 10 november 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "een deel" van het besluit van 23 juni 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, "meer bepaald dat deel van het kaartblad 32/2 dat betrekking heeft op de bestemmingswijziging van zone van openbaar nut naar 'universiteitspark' te Heverlee, Boudewijnlaan, campus Dijlevallei", bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 september 1998; X-8531-1/21 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 17 februari 1999 ingediend door de Katholieke Universiteit Leuven; Gelet op de beschikking van 16 juni 1999 die de tussenkomst van de Katholieke Universiteit Leuven toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories, van de tussenkomende partij, van antwoord, en van de verwerende partij van wederantwoord van de verzoekende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 27 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan partijen en gezien de laatste memorie, van de verzoekende partijen en van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. BERGE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat M. VAN BEVER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het gebied gelegen aan de Boudewijnlaan te Leuven (Heverlee), Campus Dijlevallei, volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven is gelegen in een gebied "voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen"; dat X-8531-2/21 de Vlaamse regering bij besluit van 27 mei 1997 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, dit gebied heeft bestemd tot "universiteitspark"; dat de Vlaamse regering met het bestreden besluit het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, definitief heeft vastgesteld; dat de meergenoemde zone wordt bestemd tot "universiteitspark" (kaartblad 32/2); Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat het verzoekschrift onontvankelijk is doordat het ondertekend blijkt te zijn "voor Jan BERGE" zonder vermelding evenwel van de identiteit van de ondertekenaar; Overwegende dat de tussenkomende partij in dit verband nog stelt wat volgt: "De verzoekende partijen stellen op blz. 1 dat Mter. Jan Bergé, advocaat aan de balie te Leuven, voor hen 'optreedt en ondertekent'. Dit laatste is alleszins feitelijk niet correct. Blijkens blz. 22 is het verzoekschrift ondertekend door een onbekende, die zegt te ondertekenen 'voor Jan Bergé, advocaat tableau Leuven'. Het is op zicht van het verzoekschrift niet te achterhalen wie de ondertekenaar ervan is geweest, noch welke zijn hoedanigheid is, met name of hij de hoedanigheid heeft van advocaat. Art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State laat toe dat de verzoekende partij ofwel zelf het verzoekschrift ondertekent, ofwel zich daartoe laat vertegenwoordigen door een op de tabel van de orde van advocaten ingeschreven advocaat (...). Het spreekt voor zich dat deze wijze van ondertekenen een substantieel vormvoorschrift is. Aan de vereiste dat de processtukken ondertekend worden hetzij door de partij zelf, hetzij door een met name genoemd advocaat, waarvan de hoedanigheid uit de procesakte zelf blijkt, houdt het Hof van cassatie zeer streng de hand. Zo weigerde het Hof acht te slaan op een memorie : 'Ondertekend 'loco ...' advocaat van eiseres, met de naam 'Johan Lambers', zonder aanduiding van de hoedanigheid van de ondertekenaar' (...). (...) het hof (weigerde) acht te slaan : 'Op de voor eiser ingediende memorie, die in opdracht van de advocaat Marc Deboel is ondertekend met een onleesbare handtekening, zonder vermelding van de naam en de hoedanigheid van de ondertekenaar'. (...) Het Hof (verwierp) een memorie : 'Neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent en dat werd ondertekend 'i.o. loco' mr. M. ..., D., ..., advocaat te Kortrijk, met de naam D... M..., zonder aanduiding van de hoedanigheid van de ondertekenaar'. Dit is sinds lang een onwrikbare rechtspraak van het Hof van Cassatie (...). X-8531-3/21 Terzake is zelfs de identiteit van wie 'voor' heeft getekend niet eens gekend, laat staan dat zijn hoedanigheid zou blijken. Er is geen reden om ter zake de toepassing van art. 19 van de gecoördineerde wetten anders te beslissen."; Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren wat volgt: "De verwerende partij werpt op dat het verzoekschrift houdende beroep tot nietigverklaring onontvankelijk zou zijn omdat het werd ondertekend voor Mr. BERGÉ, zonder de identiteit van de ondertekenaar te vermelden. Er bestaat nochtans geen twijfel over dat het verzoekschrift voldoet aan de voorgeschreven formaliteiten, gelet op het feit dat het verzoekschrift werd ondertekend door een advocaat die is ingeschreven op de tabel van de Orde der Advocaten (en dus geen advocaat-stagiair
- is)(hetgeen als dusdanig ook bij de ondertekening werd vermeld). In ondergeschikte orde kan nog opgemerkt worden dat de belangen van de verwerende partij in ieder geval op geen enkele wijze worden geschonden. LANCKSWEERDT merkt zeer terecht op dat dergelijke formele voorschriften met gezond verstand moeten worden toegepast : de miskenning ervan hoeft niet altijd tot de onontvankelijkheid van de vordering te leiden. Men dient zich volgens deze auteur steeds af te vragen of de miskenning van een formele vereiste het normaal verloop van de procedure of de rechten van verweer van de andere partijen heeft geschaad (...). In casu is het zeer duidelijk dat noch het normaal verloop van de procedure noch de rechten van verweer van de verwerende partij werden geschaad. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid dient te worden afgewezen."; Overwegende dat luidens artikel 1 van het procedurereglement het verzoekschrift wordt ondertekend door de partij of door een advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde der Advocaten; dat evenwel niet is vereist dat de naleving van die substantiële pleegvorm aan de hand van het verzoekschrift zelf kan worden vastgesteld; dat het noodzakelijk doch voldoende is dat de naleving van het aangehaalde voorschrift in de loop van het geding komt vast te staan; dat, zo het beroepschrift omtrent de precieze identiteit of hoedanigheid van de ondertekenaar enige twijfel laat bestaan, hieraan kan worden verholpen door tijdens de verdere procedure desgevraagd de gewenste toelichting te verschaffen, eventueel door aan te tonen dat de beroepsakte wel degelijk door een advocaat werd ondertekend; dat de raadsman van verzoekende partijen met een schrijven van 6 juni 2003 aan het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat heeft meegedeeld dat "het verzoekschrift (...) tijdens mijn afwezigheid (werd) ondertekend door Mr. Veerle VAN DUFFEL, advocaat aan de Balie te Leuven, die op dat ogenblik mijn medewerkster was"; dat dit ook als zodanig is vermeld in het auditoraatsverslag over de zaak; dat noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij hieromtrent enige opmerking hebben geformuleerd; dat de door verwerende en de tussenkomende partij opgeworpen exceptie, niet kan worden aangenomen; X-8531-4/21 Overwegende dat de tussenkomende partij een exceptie van ontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat het bestreden besluit werd bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 september 1998, dat de laatste nuttige dag om een annulatieberoep in te stellen derhalve 10 november 1998 was en dat het verzoekschrift blijkt afgestempeld te zijn op 12 december 1998; Overwegende dat het onderhavig beroep, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij beweert, werd ingesteld met een op 10 november 1998 ter post aangetekende brief; dat dit beroep ratione temporis ontvankelijk is; dat de opgeworpen exceptie kan niet worden aangenomen; Overwegende dat zowel de verwerende partij, als de tussenkomende partij betwisten dat de verzoekende partijen over het rechtens wettelijke vereiste belang beschikken; dat de verwerende partij in dit verband betoogt wat volgt: "Onontvankelijkheid van de vordering in hoofde van derde verzoekende partij bij gebrek aan belang. Derde verzoekende partij voert aan dat zij rechtstreeks hinder (o.m. toenemende verkeershinder) van het geplande 'universiteitspark'(ondervindt) en dat de aantasting van landschap en natuur haar ook schade zal berokkenen. Zij toont echter niet aan welke hinder zij zou ondervinden : o.m. wat betreft de verkeershinder dient gesteld te worden de Kapeldreef nu reeds van belang is voor de ontsluiting van de campus Arenberg. Dit geldt enkel voor het gedeelte waar de universiteit gevestigd is en niet voor het deel in Egenhoven (Kapelberg, Toverberg). In de toekomst zal die situatie niet veranderen zodat geen bijkomend deel van de Kapeldreef een ontsluitingsfunctie zal krijgen. Voorts is evenmin aangetoond hoe de inplanting van het universiteitspark haar schade zou kunnen berokkenen. Zo was dit gebied reeds voordien bestemd tot zone voor openbaar nut. (en niet tot bijvoorbeeld natuurgebied) Dit was m.a.w. een gebied dat bestemd was om voorzieningen, zoals scholen, administratieve gebouwen, ... te ontvangen. De natuurfunctie wordt met de gewestplanwijziging juist gevrijwaard door het omzetten van het echte valleigedeelte van de Dijle met de hoogste natuurwaarde van openbaar nut naar natuurgebied! onontvankelijkheid van de vordering in hoofde van eerste en tweede verzoekende partij bij gebrek aan belang Voordien was dit gebied bestemd tot zone voor openbaar nut. (en niet tot bijvoorbeeld natuurgebied) Dit was m.a.w. een gebied dat bestemd was om voorzieningen, zoals scholen, administratieve gebouwen, ... te ontvangen. Met de gewestplanwijziging wordt een deel van het gebied omgezet in natuurgebied : De natuurfunctie wordt zodoende met de gewestplanwijziging juist gevrijwaard door het omzetten van het echte valleigedeelte van de Dijle met de hoogste natuurwaarde van 'zone van openbaar nut' naar 'natuurgebied'! X-8531-5/21 Zodoende hebben eerste en tweede verzoekende partij geen belang bij het instellen van de vordering."; Overwegende dat de tussenkomende partij stelt wat volgt: "1. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep als bedoeld in artikel 14 van die wet voor de afdeling administratie van de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of een belang. De ontvankelijkheidvoorwaarde dat verzoeker doet blijken van een benadeling of belang is ingegeven uit praktische overwegingen, nl. vermijden dat de Raad van State wordt overspoeld met verzoekschriften die louter uit klaagzucht zijn ingegeven. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 december 1946 blijkt dat de wetgever met deze ontvankelijkheidvoorwaarde in wezen heeft beoogd de 'actio popularis' uit te sluiten, vordering waarvan de ontvankelijkheid het mogelijk zou hebben gemaakt dat om het even wie om het even wat bij de Raad van State met een annulatieberoep bestreed. Vastgesteld kan worden dat de rechtspraak het bestaan erkent in hoofde van de verzoeker van het rechtens vereiste belang, indien twee voorwaarden zijn vervuld.: enerzijds dient verzoeker door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden, anderzijds moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van de beslissing aan de verzoekende partij een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Dit is de vereiste van het zogenaamde nuttig effect. Dit voordeel moet rechtstreeks uit de vernietiging volgen en in relatie staan tot de finaliteit van het vernietigingscontenieux, dat erin bestaat onwettige rechtshandelingen ex tunc uit de interne rechtsorde te doen verdwijnen. (...). Het nuttigheidsbeginsel vereist: * dat de verzoeker niet alleen gegriefd is, m.a.w. een nadeel ondervindt, maar bovendien dat de vernietiging van de bestreden beslissing hem/haar een direct voordeel verschaft, wat op zijn minst veronderstelt dat de bestreden akte op hem van toepassing is of kan zijn (...); * dat het voordeel dat de verzoeker van de vernietiging van de bestreden beslissing verkrijgt, rechtstreeks uit de annulatie voortvloeit, d.w.z. dat het zich op rechtstreekse wijze moet realiseren. 2. De verzoekers streven een slechts zeer gedeeltelijke vernietiging na van het BVR dd. 23 juni 1998, met name enkel betreffende een gebied van 13,5 ha van het kaartblad 32/2, waarvan de vroegere bestemming van gemeenschap(s)- en openbare nutsvoorziening gewijzigd wordt naar 'universiteitspark'. Geen van de verzoekers beweert binnen de perimeter van dit gebied te wonen, te werken of er gronden te bezitten, eensdeels. Anderdeels zou de zeer gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit enkel rechtstreeks voor gevolg hebben dat deze gebiedsstrook opnieuw de bestemming krijgt, voorzien door het op 7 april 1977 goedgekeurd gewestplan Leuven, nl. deze voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, als bedoeld door art. 17, 6.2 van het gewestplannenbesluit van 28 december 1972. De eventuele annulatie van het gedeelte van het bij het bestreden besluit gewijzigd gewestplan zou inderdaad zelfs niet eens met zich brengen dat de verwerende partij het dossier opnieuw in overweging moet nemen en een nieuwe beslissing moet nemen, zodat een vernietiging voor de X-8531-6/21 verzoekers niet eens een kans op enig perspectief biedt dat op hun wens uiteindelijk wordt ingegaan. Daaruit volgt dat geen van de verzoekende partijen door het gedeelte van het besluit dat zij aanvechten kan gegriefd zijn, vermits het bestreden besluit, vanuit de invalshoek van de belangen en/of nadelen die de verzoekers beweren erdoor te ondergaan, de vroegere situatie aanzienlijk verbetert, vermits: 1. het bestreden besluit aldaar voortaan nog enkel een universiteitspark toelaat, daar waar voorheen talloze andere gebouwen en werken mogelijk waren en 2. ter 'compensatie' het overige van het gebied 'Heverlee Boudewijnlaan, campus Dijlevallei (kaartblad 32/2)' zijn vroegere bestemming gewijzigd ziet in deze van bufferzone (1,3 ha), natuurgebied (26,5 ha), parkgebied (24,3
- ha)en reservegebied voor openbaar nut in overdruk (6,3
- ha)(...). 2.1 De verzoekende partijen gaan er inderdaad volledig aan voorbij dat vóór het bestreden besluit het bewuste gebied geenszins de bestemming natuurgebied had, doch wel, zoals reeds aangestipt, deze van gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, bestemming die het gebied van rechtswege zal terugkrijgen mocht op de annulatievraag ingegaan worden. Tot vóór het bestreden besluit mochten daar uiteraard niet alleen onderwijsgebouwen in de ruime zin van het woord komen, maar veel meer dan dat! Werden inderdaad in de rechtspraak van Uw Raad als gemeenschapsvoorzieningen in de zin van art. 17, 6.2 en art. 20 van het gewestplannenbesluit aangenomen : * de aanleg van sportinfrastructuurwerken, mits er geen persoonlijke winst wordt nagestreefd en de voorzieningen toegankelijk zijn tegen redelijke voorwaarden, zoals : ***een berghok, aanlegkaaien en een slipway langs de Leie (...); ***een manège- en ruitersclub (...); ***privaat ingerichte en geëxploiteerde tennisvelden (...); * een schoolgebouw (...); * openbare wegen (...); * pylonen en zendmasten van TV-maatschappijen (...); * een opvangcentrum voor nomaden (...); * administratieve gebouwen (...); * specifiek in de verzorgingssector zijn er de arresten die de bouw van serviceflats voor bejaarden als wettig aanzien (...); * containerparken (...); * een motel, restaurant, parking, dienststation en aanhorigheden langs een autosnelweg (...). Zijn eveneens als gemeenschapsvoorzieningen te kwalificeren, kerken, ziekenhuizen, theaters, congrespaleizen, kerkhoven, enz.. 3. Er is zelfs meer : bij nader toezien was voor de uitbouw van die site tot wetenschapspark niet eens een wijziging van het gewestplan van 7 april 1977 nodig, vermits de realisatie van een researchpark, althans zoals het door de decreetgever is geconcipieerd, ongetwijfeld als de realisatie van een onderwijsinstelling sensu lato moet worden aangezien, en mitsdien perfect ook mogelijk is op een sire bestemd voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen in de zin van art. 17, 2.6 van het gewestplannenbesluit. Want wat is een research- of wetenschapspark? Zo ongetwijfeld op een wetenschapspark - net als op een site voor gemeenschapsvoorzieningen - vergunningsplichtige activiteiten kunnen komen, is het niettemin van groot belang vast te stellen dat de mogelijkheid tot uitrusting van zgn. wetenschapsparken, die blijkens art. 12 van het B. Vl. Reg. dd. 16 juni 1998 uitsluitend door de Vlaamse universiteiten X-8531-7/21 kunnen worden ontwikkeld (de hogescholen kunnen ze enkel ontwikkelen in samenwerking met de universiteiten), één van de substantiële beleidspijlers van de Vlaamse regering is teneinde te komen tot een grotere synergie tussen industrie en onderwijs en zodoende een vorm van TOEGEPAST ONDERWIJS te realiseren, evolutie die trouwens ook in het buitenland op gang is gekomen, hetgeen de totaal eigen aard van die activiteiten uitlegt, specificiteit waaraan de verzoekende partijen kennelijk voorbij gaan. Die beleidsvisie en die specificiteit blijken uit meerdere wetgevende initiatieven, waarvan er hierna slechts enkele worden vermeld. 1. Het decreet van 23 januari 1991 (B.S. 09 februari 1991, err. 25 april 1991) richt bij de Vlaamse regering een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid op, genaamd 'Het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie' (afgekort I.W.T.). Het I.W.T. krijgt o.m. een wetenschappelijk- technologische onderzoeksopdracht in industrie en landbouw, ter uitvoering waarvan het projecten kan ondersteunen, begeleiden, financieren, enz. De raad van bestuur bestaat uit 11 leden, allen aangewezen door de Vlaamse regering en waarvan er 4 worden voorgedragen door de V.L.I.R. (Vlaamse lnteruniversitaire Raad). Reeds hier gaan bedrijfswereld en universitaire wereld hand in hand. Een aanzienlijk percentage van de assistenten- en doctoraatsmandaten in de positieve wetenschappen zijn zgn. 'I.W.T.-mandaten', d.w.z. dat de activiteiten van die onderzoekers en doctorandi grotendeels in zulke onderzoekcentra verlopen. 2. Op 12 juni 1992 ziet het decreet op de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap het licht, inmiddels talloze malen gewijzigd. Het bracht een grote vernieuwing tot stand, o.m. m.b.t. de opdracht van de universiteiten, door het decreet 'zending' genoemd en opgevat 'in het belang van de samenleving' (art. 4). Dus geen op zichzelf geplooide cocon-universiteiten meer, maar sociaal gericht, met open venster, ten dienste van de gemeenschap. Vandaar dat voortaan de universiteiten decretaal werkzaam zijn, benevens op het gebied van het academisch onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, ook op het gebied van de 'Wetenschappelijke dienstverlening' (art. 4). Het op wetenschappelijk onderzoek gesteund academisch onderwijs (art. 5) is dus niet langer meer de enige (decretale) opdracht van een universiteit. 3. Op 23 oktober 1991 komt het besluit tot stand van de Vlaamse regering tot regeling van de bevordering van het industrieel wetenschappelijk-technologisch onderzoek in Vlaanderen (B.S., 30 januari 1992). Het voorziet in terugvorderbare renteloze voorschotten voor o.m. geprogrammeerde onderzoeksprojecten, d.w.z. projecten van industriële wetenschappelijk-technologisch(
- e)onderzoeken die een onderneming uitvoert, hetzij alleen, hetzij 'in samenwerking met (...) universitaire instellingen, instellingen van het hoger onderwijs van het lange type (...)' en die moeten aangevraagd worden bij het I.W.T. (art. 1.7, art. 2, § 1 en art. 3, § 2). Blijkens art. 12.5 worden de aanvragen o.m. geëvalueerd aan de hand van 'de kwaliteit en organisatie van de samenwerking tussen de universitaire en industriële partners'. Dus ook hier aansporing tot samenwerking tussen universiteit en industrie met het oog op valorisatie van het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek tot toegepast wetenschappelijk onderzoek. 4. Op 6 juli 1994 neemt de Vlaamse regering het besluit houdende de erkenning, het beheer en de subsidiering van researchparken (of wetenschapsparken) en incubatie- en innovatiecentra X-8531-8/21 (B.S., 15 oktober 1994), dat andermaal voorziet in een sterke binding tussen de wetenschappelijk-industriële wereld en de universitaire wereld. Vermits echter dit besluit inmiddels is opgeheven en vervangen door het B. Vl. Reg. dd. 16 juni 1998, wordt er hierna nader op ingegaan. 5. Op 13 juli 1994 ziet het decreet betreffende de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap het licht (B.S. 31 augustus 1994, reeds herhaaldelijk gewijzigd). Ook in dit decreet staat de samenwerkingsidee voorop. Ook hogescholen zijn blijkens art. 3 'in het belang van de samenleving', benevens op het vlak van het onderwijs en de dienstverlening, ook werkzaam op het vlak van 'het projectmatig onderzoek' en zulks 'in het kader van een samenwerking met een binnenlandse of buitenlandse universiteit of derden'. Art. 63, 2/ lid, laat de hogescholen toe met universiteiten of derden overeenkomsten te sluiten omtrent samenwerking o.m. met het oog op 'projectmatig wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke dienstverlening, kwaliteitszorg, sociale voorzieningen en het gebruik van infrastructuur'. 6. Een besluit van de Vlaamse regering dd. 7 september 1994 regelt de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek (B.S., 7 december 1994), waarbij blijkens art. 2.3 van de bijlage de universiteiten alweer mogen samenwerken met 'andere medecontractanten'. 7. Er is vervolgens niet in het minst nog het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen (B.S., 19 juli 1995). Het decreet regelt de samenwerking met zgn. spin-offs, d.w.z. vennootschappen waarvan de activiteit gericht is op de maatschappelijke of industriële valorisatie van wetenschappelijke onderzoek en van technologie, administratieve of logistieke innovaties van de universiteit of hogeschool en waaraan de universiteit of hogeschool deelneemt. In de omstandigheden in het decreet omschreven, kunnen de universiteiten een inbreng doen in die vennootschappen, zonder dat het tot een meerderheidsparticipatie mag komen (art. 9 t.e.m. 19). Blijkens art. 20, § 2, kunnen de universiteiten en de hogescholen voortaan ook deelnemen in vennootschappen die als doel hebben de exploitatie en het beheer van 'incubatie- en innovatiecentrum of van researchparken'. 8. Tenslotte is er het B. Vl. Reg., dd. 16 juni 1998 tot regeling van de toekenningsvoorwaarden, de subsidiepercentages en het beheer van de bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen. Het heft het vroeger besluit van 6 juli 1994 op en verfijnt het. 8.1. Art. 1 houdt o.m. volgende definities in : 'Art. 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: (...) 2/ wetenschapspark : wetenschappelijk gebied voorbehouden voor de ondernemingen, universiteiten kunnen in beperkte mate complementair aanwezig zijn; (...) Van een industriegebied, waar 'fabrieken' zich kunnen vestigen om goederen te produceren en te distribueren is derhalve geen sprake. Bedoeling is door samenvloeiing van praktijk en kennis tot X-8531-9/21 ontwikkeling van nieuwe producten te komen. Eens zo ver, is er van repetitieve reproductie geen sprake. Dit wordt o.m. gewaarborgd door het bepaalde in art. 16, § 1.3/, dat voorziet dat in het beheerscomité steeds drie vertegenwoordigers moeten zitting hebben, voorgedragen 'door de universiteit in kwestie', en vooral ook door het bepaalde in art. 17 dat zegt: '§ 1. De vertegenwoordigers, voorgedragen door de universiteiten in kwestie stellen de vereiste criteria op waaraan de onderzoeksactiviteit van de kandidaat-investeerders moet voldoen. §2. In opdracht van het beheerscomité onderzoekt de universiteit het researchkarakter van de ondernemingen die zich op het wetenschapspark willen vestigen op basis van de criteria vastgesteld in§ 1. ' Door zodoende een quasi-vetorecht te geven aan de universiteit in kwestie, heeft de gewestregering het wetenschappelijk karakter van het opzet maximaal willen beveiligen. 8.2. Art. 12 smeedt een onvoorwaardelijke band met de universiteiten, door te bepalen wat volgt : 'Wetenschapsparken kunnen opgericht worden in samenwerking met universiteiten die beschikken over één of meerdere volgende faculteiten : toegepaste wetenschappen, wetenschappen, medische wetenschappen, landbouwwetenschappen en in samenwerking met industriële hogescholen, op voorwaarde dat ze een specifiek samenwerkingsakkoord inzake het ontwikkelen en de werking van een wetenschapspark hebben afgesloten met een universiteit.' Het is dus uitgesloten dat de ontwikkeling van een wetenschapspark zou kunnen buiten de universiteit om. Samenwerking is een noodzaak. Het ligt eveneens voor de hand dat de decreetgever heeft gewild dat de wetenschapsparken ook territoriaal zo dicht mogelijk bij de universitaire sites zouden aansluiten. Het besluit ligt voor de hand: een wetenschapspark, door de decreetgever van 11 februari 1995 zelf (hoogste rechtsbron na de grondwetgever) opgevat als substantieel verbonden met een universiteit die positief wetenschappelijk onderwijs aanbiedt, is een geheel specifiek oord dat niets uitstaande heeft met het industriegebied, bedoeld door de art. 7 en 8 van het gewestplannenbesluit van 28 december 1972, alwaar essentieel productiebedrijven bedoeld zijn. Het researchpark is niet min en niet meer dan een onderzoeksgebied, waar enkel onderzoeksintensieve ondernemingen zich kunnen vestigen waarvan de activiteit nooit verder kan gaan dan onderzoek. Commercialisatie van de resultaten van het onderzoek via repetitieve productie is er onbestaanbaar mee. Daaruit volgt dat, vermits het de bedoeling is zodoende te komen tot wederzijdse bevruchting van kennis en expertise en tot een synergie van beiden, men terecht kan gewagen van onderwijsgebouwen in de ruime zin van het woord. Ook het universitair onderwijs neemt andere vormen aan. In de positieve branches is de samenwerking met het bedrijfsleven een modaliteit van het hedendaagse universitair curriculum. Waaruit volgt dat de realisatie van een wetenschapspark ook perfect mogelijk is op een site bestemd voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, zodat: 1. de bestreden gewestplanwijziging op zich daarvoor niet eens nodig was en 2. de realisatie van een wetenschapspark alleszins ook nog na een eventuele inwilliging van de vordering van de verzoekers mogelijk blijft. Wél was een wijziging van het bestaande gewestplan nodig om voortaan op die site nog UITSLUITEND een researchpark mogelijk te maken met beperking voor alle andere mogelijke openbare voorzieningen binnen de grenzen van art. 20 van het gewestplannenbesluit. X-8531-10/21 Ook uit die beschouwingen volgt dat de verzoekende partijen geen enkel rechtstreeks nut kunnen bekomen door het eventueel inwilligen van hun vordering."; Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren wat volgt: "3.2.1. Belang van de eerste en tweede verzoekende partijen In het verzoekschrift houdende beroep tot nietigverklaring werd reeds uitgebreid verwezen naar het evidente belang van verzoekers. Essentieel is dat de in het (deels) bestreden besluit doorgevoerde bestemmingswijziging een uiterst nefaste invloed zal hebben op de natuurwaarden in het betrokken gebied (reeds uitgebreid toegelicht) en dat daarenboven de goede ruimtelijke ordening in het gedrang wordt gebracht door de aansnijding van een waardevolle open ruimte. Het belang van verzoekers kan zeer concreet als volgt gemotiveerd worden: indien het deels bestreden besluit vernietigd wordt, krijgt het gebied inderdaad opnieuw haar oorspronkelijke bestemming, zijnde 'zone voor openbaar nut'. In dat geval is de kans reëel dat de bevoegde overheid sowieso in een nieuwe bestemming voor dit gebied zal voorzien, aangezien de bestemming 'zone voor openbaar nut' voorbijgestreefd is. Dit blijkt uit het feit dat er in de voorbije 20 jaren geen enkel initiatief werd genomen om de bestemming zoals voorzien op papier ('zone voor openbaar nut') ook effectief te realiseren. De gronden waren in essentie bestemd om te voorzien in eventuele uitbreidingsbehoeften van de universitaire campus Arenberg en/of herlocalisatie van andere faculteiten vanuit de stad. De K.U.L., vrijwillig tussenkomende partij, heeft overigens eigendomsrechten of minstens onteigeningsmacht verworven m.b.t. deze gronden. In het verleden, net als nu overigens, bleek deze uitbreidingsbehoefte gewoonweg niet te bestaan. Verzoekers gaan er dan ook terecht van uit dat ook naar de toekomst het kwestieuze gebied van bebouwing gevrijwaard blijft, waarmee meteen ook de grote ecologische waarde van het gebied behouden blijft. Daarenboven zal ook de bevoegde overheid moeten vaststellen dat de bestemming 'zone voor openbaar nut' niet langer in overeenstemming is met de feitelijke plaatselijke situatie. Op deze onbetwistbare vaststelling - de verwerende partij betwist niet dat het betrokken gebied ecologisch waardevol is - kan de verwerende partij slechts gepast reageren door het betrokken gebied de bestemming natuurgebied te geven. In beide hypotheses staat het belang van de verzoekende partijen bij de nietigverklaring vast. Hierbij kan overigens meteen opgemerkt worden dat het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen in het ontwerpgewestplan Leuven veel kleiner was en dat o.m. het deel van het gebied dat thans de bestemming universiteitspark heeft verkregen de bestemming natuurgebied had. De omzetting naar gebied voor gemeeschapsvoorzieningen gebeurde ingevolge het bezwaarschrift van de K.U.L. dd. 06.01.1975 tijdens het openbaar onderzoek van het ontwerp- gewestplan. Deze wijziging ten nadele van het natuurgebied en de open ruimte in het algemeen is nadien niet meer het voorwerp geweest van een nieuw openbaar onderzoek, zodat derden ook geen bezwaren meer konden formuleren tegen de wijziging. De bewering als zou door de recente (aangevochten) gewestplanwijziging de natuurfunctie juist gevrijwaard blijven, geldt inderdaad voor de terreinen ten zuiden van de huidige campus, maar dan ook alleen daarvoor. De terreinen van het 'universiteitspark' zijn ecologisch zeker even waardevol, o.m. gelet op hun ligging in de vallei van de Dijle en de Voer of er onmiddellijk bij aansluitend. Het belang van de eerste en tweede verzoekende partijen is dan ook niet voor ernstige betwisting vatbaar. 3.2.2 Belang van de derde verzoekende partij X-8531-11/21 De verwerende partij is blijkbaar van oordeel dat de derde verzoekende partij als 'buur' geen hinder zal ondervinden van het geplande universiteitspark. In het verzoekschrift houdende beroep tot nietigverklaring werd reeds verwezen naar de vaste rechtspraak van uw Raad dat een particulier het vereiste belang heeft bij het bestrijden van een gewestplanwijziging die betrekking heeft op een terrein dat in de onmiddellijke omgeving ligt van zijn eigendom. De verwerende partij brengt geen argumenten aan om in dit concrete geval van deze duidelijke rechtspraak af te wijken. De verwerende partij probeert de concrete negatieve invloed van een universiteitspark op de onmiddellijke leefomgeving van derde verzoekster te minimaliseren door voor te houden dat o.m. de verkeerssituatie naar de toekomst toe niet zou wijzigen. Uiteraard kan de verwerende partij dergelijke garanties absoluut niet geven, aangezien zij terzake niet bevoegd is. In de commentaar bij het eerste middel geeft de verwerende partij overigens zelf toe dat er over de concrete aanleg van de ontsluitingswegen nog geen beslissing is genomen. Verder getuigt het niet van veel zin voor realiteit om te stellen dat de beoogde bouw van diverse bijkomende bedrijven geen invloed zou hebben op de plaatselijke verkeerssituatie. Het argument dat de Kapeldreef nu reeds voor de nodige drukte zorgt in de ontsluiting van campus Arenberg, is niet van aard om derde verzoekster ervan te overtuigen dat bijkomende bedrijven geen bijkomende verkeers- en geluidshinder zouden veroorzaken. Dat de aantasting van natuur en open ruimte zonder meer schade berokkent aan derde verzoekster, wimpelt de verwerende partij af zeggende dat een deel van het betrokken gebied alsnog de bestemming natuurgebied krijgt. De verwerende partij licht nergens toe waarom het alzo beschermde deel zou verschillen, wat haar ecologische waarde betreft, van het gebied dat de bestemming 'universiteitspark' kreeg. De beweringen van de verwerende partij missen overtuigings- en bewijskracht. De verzoekende partijen hebben het vereiste belang."; Overwegende dat verenigingen zonder winstoogmerk krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte mogen optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht; dat inzonderheid de milieuverenigingen, krachtens de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, over een persoonlijk vorderingsrecht beschikken bij de gewone rechtbanken; dat voor de Raad van State diezelfde milieuverenigingen in rechte kunnen optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang, alsmede van de vereiste hoedanigheid; Overwegende dat de eerste verzoekende partij luidens haar statuten onder meer tot doel heeft: X-8531-12/21 "
- a)Acties en initiatieven te coördineren en te stimuleren en aan beleidsbeïnvloeding te doen met het oog op het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van de natuur en het milieu in Vlaams-Brabant alsmede met het oog op de bevordering van een goede ruimtelijke ordening. (...)
- c)Op alle wettelijk toegelaten manieren handelingen tegen te gaan die, met rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg, een vernietiging van natuur, landschap en open ruimte, een achteruitgang van de milieukwaliteit of een aantasting van de leefomgeving van mens, dier en plant kunnen veroorzaken, alsook het tegengaan en aanklagen van overtredingen van alle wetten, decreten, besluiten of verordeningen die rechtstreeks of onrechtstreeks de bescherming van natuur, milieu, open ruimte of landschap en de goede ruimtelijke ordening als doel of tot gevolg hebben"; Overwegende dat de tweede verzoekende partij luidens haar statuten onder meer tot doel heeft: "Het natuurbehoud en de bescherming van het leefmilieu te bevorderen; (...) Haar activiteiten richten zich tot de Vlaams-Brabantse gouw, met bijzondere aandacht voor de streek van Leuven. (...) Zij kan alle bijkomende verrichtingen doen die bij haar doel aansluiten, alle nuttige en noodzakelijke initiatieven nemen tot het verwezenlijken van dit doel en ook roerende en onroerende goederen huren of verwerven."; Overwegende dat te dezen het beroep tot nietigverklaring de wijziging van het gewestplan Leuven voor een gebied met een oppervlakte van 13,5 ha van "gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen" in "universiteitspark" tot voorwerp heeft; dat "art. 6. Universiteitspark" van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Leuven bepaalt wat volgt: "De gebieden die als universiteitspark zijn aangeduid, zijn bestemd voor de vestiging van onderzoekslaboratoria, instellingen en kleinschalige innoverende bedrijven, waarvan een belangrijke component van de activiteit op wetenschappelijk onderzoek is afgestemd in samenwerking met de universitaire onderzoeksinstellingen. De ermee samenhangende kantoren en diensten (o.a. doorgangsgebouw) zijn eveneens toegelaten. Bij de inrichting van het gebied zal ten zeerste rekening worden gehouden met de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het terrein en de onmiddellijke omgeving. Hierbij wordt aandacht besteed aan het parkkarakter, de aard en de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende gebieden, enz... Het gebied wordt gerealiseerd door de KU Leuven die hiervoor beroep kan doen op een publiek samenwerkingsverband."; dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij en de tussenkomende partij voorhouden, de bestemmingsvoorschriften die gelden voor "universiteitspark" alleszins van aard zijn een impact te hebben op het leefmilieu in dat gebied en werken, handelingen en exploitaties toe te laten die niet kunnen worden toegelaten in X-8531-13/21 gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; dat de omvang en de impact van de aangevochten gewestplanwijziging beantwoorden aan de draagwijdte van de doelstellingen van de betrokken verenigingen zoals hiervoor vermeld; dat de exceptie ten aanzien van de eerste en de tweede verzoekende partij niet kan worden aangenomen; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de derde verzoekende partij woonachtig is te Leuven (Heverlee), Kapeldreef 29, palende aan het gebied dat door het bestreden besluit tot "universiteitspark" wordt bestemd; dat derde verzoekende partij hierdoor alleen reeds doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van het bestreden besluit wat dit gebiedsdeel betreft; dat de exceptie ook ten aanzien van de derde verzoekende partij niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de tussenkomende partij wat betreft het voorwerp van de vordering opwerpt dat een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit niet mogelijk is; dat zij dit toelicht als volgt: "Uw Raad (neemt) vast aan dat een gedeeltelijke vernietiging van een gewestplan mogelijk is (zoals ook een gedeeltelijke herziening ervan mogelijk is). Daarvoor is echter vereist dat de gevraagde vernietiging enkel slaat op een, van planologisch standpunt, isoleerbaar gebied binnen het gewest (...) en 'dat de vernietiging van deze bestemming niet tot gevolg heeft de overige bestemmingswijzigingen van het gewestplan in het gedrang te brengen' (...). Zoals blijkt uit de dossierstukken, heeft het bestreden besluit een relatief groot aantal wijzigingen aangebracht aan het op 7 april 1977 goedgekeurd gewestplan Leuven. Het kan niet worden betwist dat aan de gehele operatie de gedachte onderliggend is geweest voldoende ruimte te vrijwaren voor de natuur- en landbouwfunctie, betrachting die de verzoekende partijen nauw aan het hart ligt. Vanuit die hoofdbetrachting is de noodzakelijk te maken afweging gebeurd om, acht slaande op alle in het geding zijnde maatschappelijke activiteiten en sociale en economische behoeften, deze gebieden aldus te herbestemmen en de andere gebieden alzo. Vanuit dat vertrekpunt maakt de gehele wijzigingsonderneming één geheel uit. Dit is o.m. zeer duidelijk het geval met de Dijlevallei, zoals blijkt uit de motivering van zowel het bestreden besluit zelf, als de bijlage nr. 28. (...) De vraag rijst derhalve of te dezen, gelet op de tot stand gebrachte evenwichtsoefening, op ontvankelijke wijze tegen slechts een deel van het gewijzigd gewestplan kan opgekomen worden. Een eventuele annulatie van slechts een deel zou immers de verweerder niet meer toelaten bij het eventueel hernemen van de lopende procedure of het later opnieuw uitwerken van wijzigingen, de thans gedane compensaties in rekening te brengen. In elk geval en minstens had de vordering moeten betrekking hebben op het gehele gebied van 75,6 ha, bedoeld onder 'A.23. Heverlee Boudewijnlaan, campus Dijlevallei (kaartblad 32/2)'. Dat bij de uitwerking van de gewestplanwijzigingen minstens dit gebiedsdeel door de verwerende partij als één eenheid werd opgevat, blijkt onbetwistbaar uit de in bijlage 28 opgenomen motivering (...). X-8531-14/21 Zoals gezegd was voordien gans dit gebied bestemd voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen. Teneinde de natuurfunctie maximaal te vrijwaren eensdeels, en, anderdeels, toch ook aan de behoefte aan bedrijventerreinen tegemoet te komen 'incluis universiteitspark, gelet op de ligging in de Vlaamse Ruit en de specifieke troeven van Leuven' (bijlage 28, blz. 5) en op de omstandigheid dat het 'ruimtelijk structuurplan Vlaanderen zowel de luchthaven van Zaventem als de Leuvense universiteit als motoren van de economie (erkent)' (...), werd beslist niet voor het ganse gebied de feitelijke toestand van landschappelijk waardevol agrarisch gebied te verjuridiseren - wat ook reeds een vergaande landschappelijke bescherming had mogelijk gemaakt -, maar een gedeelte van het gebied (nl. 13,5 ha), omwille van zijn onmiddellijke aansluiting bij de campus waardoor niet alleen de informatieve en virtuele maar vooral ook de 'menselijke' samenwerkingsmogelijkheden geoptimaliseerd kunnen worden, uitsluitend tot universiteitspark te bestemmen (en dus niet voor andere dan onderzoeksondernemingen), in compensatie waarvan dan het overige van het gebied een maximale natuurbescherming zou krijgen als bufferzone, natuurgebied en parkgebied. Om die betrachting maximaal te realiseren, is zelfs nog afgeweken van het op 27 mei 1997 goedgekeurd ontwerp, zoals blijkt uit de bijlage 28, die op blz. 2 vermeld wat volgt : 'Boudewijn Campus Dijlevallei. De begrenzing van het natuurgebied wordt aangepast zodat de bestaande bebouwing en parking van IMEC de bestemming openbaar nut behoudt. Aansluitend bij de zone bestemd als universiteitspark wordt de bestemming openbaar nut behouden voor een overstort op de Voer en een bergingsbekken voor de sanering en de waterbeheersing van de Voer'. Bij de afweging van de verschillende belangen is dat subgebied kennelijk als één planologische eenheid opgevat geworden. Door thans het annulatieberoep uitsluitend te beperken tot één onderdeel ervan, nl. het researchpark van slechts 13,5 ha, beogen de verzoekende partijen kennelijk de verwerende partij te beletten, in geval van annulatie, dit gehele subgebied in de herbeoordeling te betrekken. Zodoende is te dezen aan de vereisten om op ontvankelijke wijze slechts de gedeeltelijke vernietiging van een gewestplanwijziging te vorderen, niet voldaan."; Overwegende dat verzoekers in hun laatste memorie repliceren als volgt: "1. De auditeur is van mening dat verzoekers niet enkel de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen vragen in de mate deze de bestemming van een gebied met een oppervlakte van 13,5 ha, gelegen aan de Boudewijnlaan te Heverlee, wijzigt van 'gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen' naar 'universiteitspark'. (...) 2. Als er uit de argumentatie die de tussenkomende partij heeft laten gelden echter één zaak duidelijk naar voren komt, dan is het dat ook Uw Raad aanvaard heeft dat het mogelijk is de gedeeltelijke vernietiging van een gewestplan, en derhalve ook van een gewestplanwijziging, te vorderen. Dit blijkt immers zeer duidelijk uit de arresten gewezen door Uw Raad (...) waarnaar de tussenkomende partij verwijst. De vraag stelt zich trouwens welke wettelijke of decretale bepaling of welk algemeen rechtsbeginsel aanleiding geeft tot de niet-ontvankelijkheid van een vordering tot gedeeltelijke vernietiging van een gewestplan of een X-8531-15/21 gewestplanwijziging. Er kan toch immers geen 'sanctie' van niet-ontvankelijkheid worden uitgesproken zonder basis daartoe in een wet in de ruime zin? Noch de tussenkomende partij, noch de auditeur geeft hieromtrent een aanvaardbare toelichting. Als de tussenkomende partij van oordeel is dat de vordering van verzoekers tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing niet ontvankelijk is dan moet zij aantonen dat dit volgt uit de toepassing van een juridische basis, een rechtsgrond. De tussenkomende partij verwijst echter niet eens naar wettelijke bepalingen of algemene rechtsbeginselen, laat staan dat ze aantoont dat als gevolg daarvan de vordering van verzoekers niet ontvankelijk is. Er kan bovendien nog worden benadrukt dat zelfs in de arresten van Uw Raad die de tussenkomende partij dan wel aanhaalt, (...), de beroepen van de verzoekers tot gedeeltelijke vernietiging van het gewestplan/ de gewestplanwijziging ontvankeliik werden bevonden. Het beroep van verzoekers is derhalve wel degelijk ontvankelijk, minstens wordt het tegendeel niet aangetoond"; Overwegende dat de toelichtingsnota, horend bij het bestreden besluit van 23 juni 1998, het volgende stelt: "A23. Heverlee Boudewijnlaan, campus Dijlevallei (kaartblad 32/2) Wijziging van gebied van gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen naar universiteitspark (13,5 ha), bufferzone (1,3 ha), natuurgebied (26,5 ha), parkgebied (24,3
- ha)en reservegebied voor openbaar nut (6,3
- ha)in overdruk. motivering : universiteitspark - Leuven profileren als centrum voor hoogtechnologische ontwikkelingen - onmiddellijke nabijheid van campus en IMEC - eigendom of binnen onteigeningsbevoegdheid KUL - komt neer op het verruimen van huidige bestemming - makkelijke ontsluiting naar de Boudewijnlaan - landschappelijk minder waardevol gebied buffer : overgangszone tussen studentenhuisvesting Groenveldresidenties en universiteitspark natuurgebied en park : compensatie voor wijzigingen waarbij open ruimte ingenomen wordt, gelet op het feit dat er voldoende oppervlakte voorzien is voor de toekomstige noden van KUL reservegebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen : voldoende oppervlakte in functie van onderwijsopdracht van KUL; eventuele uitbreiding na gebruik van alle huidige aangeduide openbare nutszones moet gebonden worden aan een duidelijke fasering en strikte voorwaarden"; Overwegende dat uit voormelde toelichtingsnota blijkt dat een gebied, dat voorheen was bestemd tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, wordt herbestemd en in verschillende bestemmingsgebieden wordt opgedeeld; dat de omstandigheid dat deze bestemmingen zijn ingegeven door bepaalde beleidsopties niet ipso facto inhoudt dat de vernietiging van de bestemmingswijziging van een deelgebied van het vroegere X-8531-16/21 geheel tot gevolg heeft dat de overige bestemmingswijzigingen, met name bufferzone, in geval van verniet iging met een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, natuurgebied, parkgebied en reservegebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, niet meer zinvol op zich kunnen blijven bestaan; dat niet afdoende blijkt dat een vernietiging zich beperkt tot het gebied dat tot "universiteitspark" wordt bestemd van aard is de algemene economie van het gewestplan aan te tasten; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat, desnoods ambtshalve, dient te worden onderzocht of het bestreden besluit werd vastgesteld naleving van de artikelen 3, § 1, en 84, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State zijn adviesverlenende taak ontleent aan artikel 160 van de Grondwet; dat in zoverre de raadpleging van de Raad van State betrekking heeft op het onderzoek van wetgevende en verordenende teksten, die raadpleging voortvloeit uit het streven van de grondwetgever om de eerbiediging van de rechtsstaat en de kwaliteit van die teksten uit wetgevingstechnisch en formeel oogpunt te waarborgen, en bijgevolg ook de rechtszekerheid; dat de raadpleging van de afdeling wetgeving, zoals ze is geregeld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter uitvoering van de Grondwet, als dusdanig een pleegvorm is die van openbare orde en derhalve substantieel is; dat de nadere regels waarin is voorzien met het oog op de regelmatige afhandeling van die raadpleging, eveneens van die aard zijn en niet uitsluitend bedoeld zijn om een goede organisatie van de werkzaamheden van de Raad van State te garanderen; dat daaruit voortvloeit dat wanneer de wet de bevoegde overheid toestaat om onder bepaalde voorwaarden na te laten de afdeling wetgeving te raadplegen of om haar volgens een versnelde rechtspleging om advies te verzoeken, die voorwaarden op restrictieve wijze dienen te worden geïnterpreteerd; dat elke onregelmatigheid in dat verband zo nodig ambtshalve dient te worden opgeworpen; Overwegende dat, artikel 3, § 1,eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt : "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; X-8531-17/21 Overwegende dat artikel 84, eerste lid, van die wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer, "wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4"; dat in dit geval de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, moet worden overgenomen in de aanhef van de verordening; Overwegende dat het in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toekomt te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de "bijzondere redenen" die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, met toepassing van meer vermeld artikel 84, eerste lid, er in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet op kan beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig heeft voorgelicht omtrent de "bijzondere redenen" die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht; dat in dat geval de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 10 juni 1998 door de Vlaamse minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening werd verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering "houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren"; dat de Vlaamse regering, ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan motiveert als volgt "de hoogdringendheid wordt ingegeven door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22.12.1993 houdende X-8531-18/21 bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (art. 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling door de Vlaamse regering wordt vastgesteld op 240 dagen"; dat in de motivering in de aanhef van het aan de Raad van State voorgelegde ontwerp van besluit enkel gewag wordt gemaakt van de omstandigheid dat "voor de definitieve vaststelling van gewestplannen een vervaltermijn geldt die voor de voorliggende gewestplanwijziging verstrijkt op 23 juni 1998"; dat de afdeling wetgeving op 11 juni 1998 advies heeft uitgebracht; dat het advies vermeldt :"Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot 'het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan."; Overwegende dat bij nader toezien de Vlaamse regering voor de verantwoording van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag zich bezwaarlijk kan beroepen op artikel 11, § 7, van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, ingevoegd bij voornoemd decreet van 22 december 1993; dat naar luid van dat artikel de Vlaamse regering op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan moet vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek - of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek-, en zij deze termijn van 180 dagen - of, anders berekend, 240 dagen - met 60 dagen kan verlengen; dat de gegeven verantwoording voorts steunt op het verstrijken van de genoemde termijn op 23 juni 1998; dat derhalve de verantwoording van het spoedeisend karakter is gelegen in het verstrijken van de termijn van 180 (= 240) dagen; dat de verantwoording niet gewaagt van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden; Overwegende dat in een geval als het voorliggende, met name in het geval dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, niet valt in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen; dat het advies dat reeds daags na de aanvraag werd uitgebracht terzake zich trouwens ertoe beperkt akte te nemen van de redenen van de spoed; dat, aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de verstrekte verantwoording berust, zij, in de uiterst korte tijd die X-8531-19/21 haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet hoeft na te gaan in het arsenaal van de vigerende teksten of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit werd genomen met schending van de artikelen 3, § 1, en 84, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 23 juni 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren in zoverre het gebied gelegen te Leuven (Heverlee), Boudewijnlaan, campus Dijlevallei, wordt bestemd tot "universiteitspark". Artikel 2. Het arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepalend op 123,95 euro die verschijnt voor de tussenkomende partij. X-8531-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier augustus 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter,staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-8531-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.037 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div