← België

Arrest 148041 - - 05/08/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.041 Rolnummer: A. 112703/X-10661 Zaak: Arrest 148041 - - 05/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-11 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 22:36 Fiche Arrest nr 148.041 van 5 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.041 van 5 augustus 2005 in de zaak A. 112.703/X-10.

  1. In zake : de n.v. WIES, die woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Noordlaan 82-84 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. WIES op 12 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 augustus 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 15 juli 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij haar de stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het regulariseren van een opslagplaats-bergplaats te Buggenhout, Smalbos, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nr. 435b en, "voor zover als nodig", van het besluit van 8 december 2000 van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur houdende weigering van vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het ver slag o p g e maakt do o r Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.661-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 mei 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat P. AERTS die, loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster op 8 september 1998 een aanvraag heeft ingediend tot het regulariseren van een opslagplaats-bergplaats, gelegen te Buggenhout, Smalbos, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nr. 435b; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Buggenhout op 16 februari 1999 de gevraagde regularisatievergunning heeft geweigerd; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 15 juli 1999 de regularisatievergunning heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar op 19 augustus 1999 beroep heeft ingesteld tegen dit besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur op 8 december 2000 aan verzoekster het vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.), heeft geweigerd; dat dit het tweede bestreden besluit is; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening op 24 augustus 2001 het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 15 juli 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, heeft ingewilligd; dat dit het eerste bestreden besluit is; X-10.661-2/5 Overwegende dat verzoekster "voor zover als nodig" de nietigverklaring vordert van het besluit van 29 maart 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur houdende weigering van vergelijk in de zin van artikel 158 D.R.O.; Overwegende dat artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State vereist, hetgeen overigens de rechten van verdediging vergen, dat het voorwerp van het beroep door de verzoekende partij zelf in haar verzoekschrift wordt bepaald; dat verzoekster, door de wijze waarop zij het voorwerp van het beroep formuleert, met name "voor zover als nodig", in strijd met dit voorschrift het aan de Raad van State overlaat het uiteindelijke voorwerp van het beroep te bepalen; dat het beroep wat het tweede voorwerp betreft om deze reden alleen reeds niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoekster wat het actueel belang van haar beroep betreft met betrekking tot het eerste bestreden besluit in haar laatste memorie argumenteert dat bij nietigverklaring van het bestreden besluit de minister opnieuw dient te beslissen, hierbij rekening houdend met de regelgeving die van toepassing is op het ogenblik van zijn nieuwe besluit, dat als gevolg van de inwerkingtreding van het decreet van 8 maart 2002, de artikelen 158 en 159 vervangen zijn hetgeen tot gevolg heeft dat niet langer het voorafgaandelijk voorhanden zijn van een certificaat een noodzakelijke vereiste is om een regularisatievergunning te verlenen, dat het belang eveneens dient beoordeeld te worden in functie van de na vernietiging te nemen beslissing; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat "met verwijzing naar het verslag van het auditoraat d.d. 21 januari 2005 (...) vastgesteld (dient) te worden dat verzoekende partij op het ogenblik van het instellen van het beroep niet deed blijken van het rechtens vereiste actueel belang"; Overwegende dat het eerste bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde X-10.661-3/5 voorwaarde was voldaan; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoekster derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de nietigverklaring van het eerste bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de argumentatie van verzoekster in haar laatste memorie dat, na nietigverklaring, de verwerende partij zich opnieuw zal dienen uit te spreken over de regularisatieaanvraag en dit op grond van onderwijl gewijzigde regelgeving, betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest, maar niet inhoudt dat verzoekster door het betrachten van dit gevolg, een belang heeft of verwerft bij het beroep; dat de door verwerende partij opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie verzoekt aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag te stellen : "Schendt artikel 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de grondwet, op zichzelf genomen en samengenomen met artikel 6 EVRM doordat het voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het annulatieberoep noodzakelijk is dat de verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste belang op het ogenblik van de rechtsingang, zonder dat het vaststellen van dat belang tijdens de procedure voor de Raad ingevolge wetswijziging zoals in deze het gewijzigde artikel 158 van het decreet op de ruimtelijke ordening van 18 mei 1999 als verworven kan worden beschouwd, terwijl in dat geval een categorie van rechtszoekenden de rechtsbescherming tegen onwettig overheidsoptreden wordt ontzegd zonder redelijke verantwoording in weerwil van het recht op gelijke behandeling en het recht op een fair proces?"; Overwegende dat artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de bevoegdheid van de afdeling administratie van de Raad van State betreft; dat te dezen het beroep wordt verworpen, niet wegens onbevoegdheid van de Raad van State, maar wegens het ontbreken van het rechtens vereiste belang, waaromtrent dit artikel geen enkele bepaling bevat; dat deze vraag derhalve niet pertinent is en als zodanig niet dient te worden gesteld aan het Arbitragehof, X-10.661-4/5 BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf augustus 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-10.661-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.