← België

Arrest 148120 - - 10/08/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.120 Rolnummer: A. 81163/X-8549 Zaak: Arrest 148120 - - 10/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 22:41 Fiche Arrest nr 148.120 van 10 augustus 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 148.120 van 10 augustus 2005 in de zaak A. 81.163/X-

  1. In zake : Marcel CORNILLE, die woonplaats kiest bij Advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32/
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Marcel CORNILLE op 18 november 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 juni 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 september 1998; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 27 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan partijen en gezien het "verzoek tot verderzetting" van verzoekende partij; X-8549-1/9 Gelet op de beschikking van 1 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. BOES, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat M. VAN BEVER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij eigenaar is van percelen gelegen te Rotselaar, kadastraal bekend Sectie E, nrs. 43r18, 136u2, 136w2, 218, 219, 223f/dl, 223g/dl, 223k2, 224dl, 225, 226; dat de percelen van de verzoekende partij volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de Vlaamse regering bij besluit van 27 mei 1997 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, de percelen van de verzoekende partij grotendeels heeft bestemd tot natuurgebied; dat de Vlaamse regering met het bestreden besluit van 23 juni 1998 het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, definitief heeft vastgesteld; dat de percelen van de verzoekende partij worden bestemd tot natuurgebied (kaartblad 24/6); Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het verzoekschrift onontvankelijk is doordat het enkel ondertekend blijkt te zijn door Mr. MERTENS, terwijl het door de beide raadslieden van de verzoekende partij had moeten ondertekend zijn aangezien de verzoekende partij uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij Mr. BOES en Mr. MERTENS als raadslieden heeft; X-8549-2/9 Overwegende dat verzoeker repliceert dat uit geen enkel artikel uit de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch uit het procedurereglement, blijkt dat een verzoekschrift tot nietigverklaring moet ondertekend worden door meer dan één raadsman indien er meerdere raadslieden door de verzoekende partij zijn geraadpleegd; Overwegende dat, zoals de verzoekende partij argumenteert, noch de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch het procedurereglement, vereisen dat een verzoekschrift tot nietigverklaring moet worden ondertekend door meer dan één raadsman indien de verzoeker meerdere raadslieden heeft; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van ontvankelijkheid ratione temporis opwerpt, doordat de verzoekende partij, die in zijn verzoekschrift stelt dat het bestreden besluit ter visie werd gelegd in Rotselaar op 25 september 1998, hiervan niet het bewijs levert, zodat bij gebrek aan bewijs het verzoekschrift onontvankelijk dient te worden verklaard; Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat het verzoekschrift wel tijdig werd ingediend, dat de bekendmaking van het gewestplan slechts volledig is wanneer niet alleen de bestemmingsplannen, maar ook de kaarten met de juridische toestand en de orthofotoplannen ter inzage liggen in elk van de betrokken gemeenten waarin de neerlegging is bekend gemaakt, dat uit het bijgevoegd aanvullend stuk blijkt dat de tervisielegging te Rotselaar is gebeurd op 25 september 1998, dat dit attest door de gemeente Rotselaar werd overgemaakt aan de verwerende partij in het kader van de gewestplanprocedure, dat de exceptie van laattijdigheid in casu dan ook tergend is; Overwegende dat artikel 11, § 9, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt : "De definitieve vaststelling van het plan door de Vlaamse regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt waarin tevens het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt opgenomen. Het plan treedt in werking binnen 15 dagen na zijn bekendmaking. Binnen 15 dagen na zijn bekendmaking ligt het advies met de normatieve delen van het plan na overmaking door de minister ter inzage van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis. De niet-normatieve delen zijn ter inzage op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de X-8549-3/9 Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering bepaalt welke delen van het plan normatief dan wel niet-normatief zijn"; Overwegende dat de bekendmaking van het gewestplan slechts volledig is nadat aan de door voormelde bepaling opgelegde dubbele formaliteit is voldaan, met name bekendmaking in het Belgisch Staatsblad én ter inzagelegging van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis; dat uit het stuk neergelegd door de verzoekende partij blijkt dat de tervisielegging te Rotselaar is gebeurd op 25 september 1998; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verwerende partij stelt dat de verzoekende partij niet over het rechtens wettelijke belang beschikt, dat immers niet wordt aangetoond hoe en in welke mate haar activiteit wordt belemmerd door de wijziging van de bestemming van haar grond, dat de verzoekende partij niet wordt benadeeld door de gewestplanwijziging zelf, dat een eventueel nadeel niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden gewestplanherziening zelf, maar enkel uit later nog te nemen beslissingen; Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat ze eigenares is van percelen die ressorteren onder de gewestplanwijziging, waarbij van landbouwgebied natuurgebied wordt gemaakt, dat zij beroepshalve ook exploitante is van een planten- en sierboomkwekerij op die percelen, dat zij wel degelijk wordt benadeeld door de gewestplanwijziging aangezien in natuurgebied veel minder mogelijk is dan in landbouwgebied, dat, mocht zij de gewestplanwijziging niet bestrijden, men haar later, wanneer eventuele bouwvergunningen of milieuvergunningen dienen te worden afgeleverd, zou verwijten dat zij de gewestplanwijziging niet heeft aangevochten, dat een eigenares zoals verzoekende partij een voldoende belang heeft om een gewestplanwijziging aan te vechten; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat verzoekende partij eigenares is van percelen waarvan de bestemming door het bestreden besluit wordt gewijzigd van agrarisch gebied in natuurgebied; dat het bestreden besluit de rechtstoestand van de eigendom van de verzoekende partij bepaalt en zij hierdoor gebonden is; dat de verzoekende partij hierdoor alleen reeds doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van het bestreden besluit in zoverre dit haar eigendommen betreft; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; X-8549-4/9 Overwegende dat, desnoods ambtshalve, dient te worden onderzocht of het bestreden besluit werd vastgesteld met naleving van de artikelen 3, § 1, en 84, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State zijn adviesverlenende taak ontleent aan artikel 160 van de Grondwet; dat in zoverre de raadpleging van de Raad van State betrekking heeft op het onderzoek van wetgevende en verordenende teksten, die raadpleging voortvloeit uit het streven van de grondwetgever om de eerbiediging van de rechtsstaat en de kwaliteit van die teksten uit wetgevingstechnisch en formeel oogpunt te waarborgen, en bijgevolg ook de rechtszekerheid; dat de raadpleging van de afdeling wetgeving, zoals ze is geregeld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter uitvoering van de Grondwet, als dusdanig een pleegvorm is die van openbare orde en derhalve substantieel is; dat de nadere regels waarin is voorzien met het oog op de regelmatige afhandeling van die raadpleging, eveneens van die aard zijn en niet uitsluitend bedoeld zijn om een goede organisatie van de werkzaamheden van de Raad van State te garanderen; dat daaruit voortvloeit dat wanneer de wet de bevoegde overheid toestaat om onder bepaalde voorwaarden na te laten de afdeling wetgeving te raadplegen of om haar volgens een versnelde rechtspleging om advies te verzoeken, die voorwaarden op restrictieve wijze dienen te worden geïnterpreteerd; dat elke onregelmatigheid in dat verband zo nodig ambtshalve dient te worden opgeworpen; Overwegende dat artikel 3, § 1,eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt: "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; Overwegende dat artikel 84, eerste lid, van die wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer, "wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4"; X-8549-5/9 dat in dit geval de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, moet worden overgenomen in de aanhef van de verordening; Overwegende dat het in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toekomt te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de "bijzondere redenen" die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, met toepassing van meervermeld artikel 84, eerste lid, er in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet op kan beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig heeft voorgelicht omtrent de "bijzondere redenen" die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht; dat in dat geval de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 10 juni 1998 door de Vlaamse minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening werd verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering "houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren"; dat de Vlaamse regering, ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan motiveert als volgt "de hoogdringendheid wordt ingegeven door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22.12.1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (art. 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling door de Vlaamse regering wordt vastgesteld op 240 dagen"; dat in de motivering in de aanhef van het aan de Raad van State voorgelegde ontwerp van besluit enkel gewag wordt gemaakt van de omstandigheid dat "voor de definitieve vaststelling van gewestplannen een vervaltermijn geldt die voor de voorliggende gewestplanwijziging verstrijkt op 23 juni 1998"; dat de afdeling wetgeving op 11 juni 1998 advies heeft X-8549-6/9 uitgebracht; dat het advies vermeldt : "Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot 'het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan'"; Overwegende dat bij nader toezien de Vlaamse regering voor de verantwoording van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag zich bezwaarlijk kan beroepen op artikel 11, § 7 van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, ingevoegd bij voormeld decreet van 22 december 1993; dat naar luid van dat artikel de Vlaamse regering op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan moet vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek - of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek, en zij deze termijn van 180 dagen - of, anders berekend 240 dagen - met 60 dagen kan verlengen; dat de gegeven verantwoording voorts steunt op het verstrijken van de genoemde termijn op 23 juni 1998; dat derhalve de verantwoording van het spoedeisend karakter is gelegen in het verstrijken van de termijn van 180 (= 240) dagen; dat de verantwoording niet gewaagt van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn, noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden; Overwegende dat in een geval als het voorliggende, met name in het geval dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, niet valt in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen; dat het advies dat reeds daags na de aanvraag werd uitgebracht ter zake zich trouwens ertoe beperkt akte te nemen van de redenen van de spoed; dat, aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de verstrekte verantwoording berust, zij, in de uiterst korte tijd die haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet hoeft na te gaan in het arsenaal van de vigerende teksten of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd; dat, zoals door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat in zijn verslag terecht werd opgeworpen, ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit werd X-8549-7/9 genomen met schending van de artikelen 3, § 1, en 84, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, BESLUIT: Artikel
  3. Vernietigd wordt het besluit van 23 juni 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, in zover het de percelen betreft gelegen te Rotselaar, kadastraal bekend sectie E, nrs. 43r18, 136u2, 136w2, 218, 219, 223f/dl, 223g/dl, 223k2, 224dl, 225,
  4. Artikel
  5. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Het door de verzoekende partij op het verzoekschrift tot nietigverklaring teveel gekweten recht, ten belope van 12,39 euro, dient te worden terugbetaald. X-8549-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien augustus 2005, door de Xe kamer samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-8549-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.120 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.