id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.122 Rolnummer: A. 81462/X-8606 Zaak: Arrest 148122 - - 10/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 22:42 Fiche Arrest nr 148.122 van 10 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 148.122 van 10 augustus 2005 in de zaak A. 81.462/X-8606. In zake : 1. Maria VERWIMP, 2. Frans PEETERS, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grotehertstraat 12 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32/7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maria VERWIMP en Frans PEETERS op 8 december 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Leuven te Boortmeerbeek, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 1998; Gelet op het arrest nr. 81.903 van 23 juli 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 1 september 1999 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt do o r E er st e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; X-8606-1/14 Gelet op de beschikking van 7 juli 2003, die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HENDRIKX die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat M. VAN BEVER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de laatste memorie van de verwerende partij laattijdig is; dat zij uit de debatten dient te worden geweerd; Overwegende dat verzoekers eigenaar en bewoner zijn van een pand gelegen op een perceel aan de Rijmenamsebaan te Boortmeerbeek; dat de n.v. AQUAFIN in het kader van de haar door het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 toevertrouwde opdracht de inplanting voorziet van een collector en een rioolwaterzuiveringsinstallatie op gronden gelegen achter verzoekers' eigendommen; dat deze gronden volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het bestreden besluit de bestemming van een gedeelte van deze gronden met een oppervlakte van 4,5 ha wijzigt in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, teneinde de oprichting van voornoemde installaties mogelijk te maken; Overwegende dat de verwerende partij het belang van verzoekers betwist; dat zij verwijst naar het arrest gewezen door de Raad inzake de schorsing X-8606-2/14 van de milieuvergunning, waarin wordt gesteld dat de hinder die zal worden ondervonden door de omwonenden het gevolg zal zijn van het milieubesluit en dat niet kan worden ingezien hoe zulks het gevolg zou kunnen zijn van de gewestplanbestemming; Overwegende dat verzoekers repliceren dat zij wel degelijk belang hebben bij het aanvechten van het besluit; dat door het bestreden besluit de bestemming van een deel van hun tuin en achtergelegen weilanden van agrarisch gebied worden gewijzigd naar gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, dat het bestreden besluit aldus een effect heeft op de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving van hun woning, hetgeen hen meteen een voldoende belang verschaft om dit besluit aan te vechten, dat elke buurtbewoner een belang heeft bij de goede ruimtelijke ordening van zijn onmiddellijke leefomgeving, dat het bestreden besluit bovendien op een aantal van hun eigendommen slaat, hetgeen hun belang enkel kan benadrukken; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partijen eigenaar en bewoner zijn van een pand gelegen aan de Rijmenamsebaan te Boortmeerbeek; dat het bestreden besluit de bestemming van de gronden gelegen achter verzoekers eigendom wijzigt van landschappelijk waardevol agrarisch gebied in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; dat het bestreden besluit aldus effect heeft op de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving van hun eigendom; dat zij hierdoor alleen reeds doen blijken van het rechtens vereiste belang; Overwegende dat verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 5.2.1.4. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem Titel II), "Doordat het bestreden besluit op het grondgebied een oppervlakte van 4,5 ha omvormt van landschappelijk waardevol agrarisch gebied naar gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen voor de inplanting van een RWZI; En doordat, zoals uit het bestreden besluit en uit de gegevens van het dossier blijkt, de oppervlakte waarvoor het Gewestplan in deze zin wordt gewijzigd louter geschiedt met het oog op de inplanting van een RWZI in de onmiddellijke nabijheid van het landelijk woongebied waarin eerste, tweede en derde beroeper wonen, en tevens in de onmiddellijke nabijheid van een gerangschikt landschap (landschap Dijlevallei-Mispeldonk), een waterloop (Dijle) een aantal natte weilanden (Dijlebeemden) een landbouwgebied en een recreatiegebied, X-8606-3/14 En doordat, de inplanting van de RWZI waarvoor de bestreden Gewestplanwijziging zelfs is voorzien te midden van een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gelegen in de Dijlevallei en meer bepaald in de Pikhakendonk, een gebied dat door het Bestuur Monumenten en Landschappen van AROHM in zijn brief d.d. 18 februari 1997 aan het gemeentebestuur van de gemeente Boortmeerbeek een van de interessantste en mooiste gedeelten van de Dijlevallei wordt genoemd Terwijl, uit artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II Besluit blijkt dat bij het inrichten van een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen zoals voor de inrichting van een RWZI rekening dient gehouden te worden met de aanwezigheid in de omgeving en de afstand tot woonwijken, recreatiegebieden, wegen en waterwegen, waterrijke gebieden en oppervlaktewateren en andere waterpartijen, moerassen veengebieden en natte weilanden, industrie, landbouw en woongebieden, groen- en parkgebieden, het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten gerangschikte landschappen en beschermde archeologische goederen en tenslotte waterwingebieden en beschermzones, En terwijl, uit de inplantingsplaats van de RWZI waarvoor de bestreden gewestplanwijziging werd doorgevoerd blijkt dat deze in het licht van voornoemd artikel uit het Vlarem-II Besluit een ongemeen ongunstige en zelfs onmogelijke ligging heeft door de onmiddellijke nabijheid van het landelijk woongebied, en de ligging te midden van een geheel van natte weilanden in ten zeerste beschermingswaard landschap onmiddellijk aansluitend op het reeds beschermde Landschap Mispeldonk als een van de mooiste en meest interessante gedeelten van de Dijlevallei, bij het bepalen van de inplantingsplaats van de RWZI waarvoor de bestreden Gewestplanwijziging werd doorgevoerd helemaal geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van en de afstand tot de in artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II Besluit vermelde gebieden, zodat wegens de schending van dit artikel het bestreden besluit volledig onwettig is. Zodat, het Vlaams Gewest het Gewestplan heeft gewijzigd met het oog op de realisering van een doel van openbaar nut dat blijkens de in dit middel aangehaalde wetgeving niet realiseerbaar is wegens onverenigbaarheid van dit doel met het natuurlijk karakter en de stedenbouwkundige bestemming van de onmiddellijke en wijde omgeving. En zodat, het bestreden besluit onwettig is, nu het is genomen met het oog op de realisering van een doel dat ter plaatse omwille van artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II besluit onrealiseerbaar is"; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het ingeroepen artikel de sectorale milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen, meer bepaald de inrichtingen voor verwerking van afvalstoffen, oplegt en dan meer specifiek nog qua inrichting en infrastructuur, dat als voorwaarden worden vooropgesteld dat rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot onder meer woonwijken, wegen en waterwegen, waterrijke gebieden, landbouw- en woongebieden en het culturele erfgoed, dat uit het dossier zeer duidelijk blijkt dat bij het vaststellen van het bestreden besluit wel degelijk rekening werd gehouden met al deze elementen, dat uit de nota van de afdeling ruimtelijke planning blijkt dat rekening werd gehouden met de aanwezige bewoning, enerzijds, door te stellen dat in deze regio zoveel verspreide bewoning voorkomt, dat een locatie zonder bewoning praktisch onvindbaar is, tenzij in open X-8606-4/14 gebied, hetgeen ruimtelijk niet kan verantwoord worden, en, anderzijds, door de oppervlakte van de zone dermate groot te voorzien dat maatregelen kunnen worden genomen om eventuele hinder naar omwonenden te beperken, dat diverse mogelijkheden zijn onderzocht rekening houdende met eventuele geur-, lawaai- en visuele hinder ten opzichte van de woonfunctie van de kernen en huizengroepen in de omgeving, dat het project zo ver mogelijk van de bewoning wordt gepland en de beluchtingsbekkens worden omkapseld, maar toch dermate aansluit bij de bestaande bebouwing dat geen open ruimte meer wordt versnipperd en de ecologische waarden in het achterliggende gebied worden gevrijwaard, dat er een strook tot agrarisch gebied bestemd is gebleven als buffer, dat een aangepast groenscherm zal moeten worden aangelegd, dat de bouw- en milieuvergunningen de voorwaarden om hinder te voorkomen kunnen opleggen, dat het panorama van de omwonenden nu reeds beperkt is door de opstaande begroeiing, dat het gros van de installaties wordt voorzien op minstens 200 m van de omwonenden zodat deze zeker geen hinder kunnen veroorzaken en dat alternatieve inplantingsplaatsen nog meer in de nabijheid van bestaande bebouwing waren gelegen zodat wel degelijk rekening werd gehouden met de voorwaarden van artikel 5.2.1.4. van Vlarem Titel II; dat de verwerende partij vervolgens citeert wat in het schorsingsarrest werd gewezen; Overwegende dat verzoekers dupliceren dat de verwerende partij niet ontkent dat het bestreden besluit enkel en alleen is uitgevaardigd om ter plaatse de inplanting van een waterzuiveringsstation mogelijk te maken, nadat eerder de bouwvergunning voor de RWZI was geweigerd wegens onverenigbaarheid met de bestemming van de inplantingsplaats, dat het doel van de vaststelling van het gewestplan onwettig is, dat uit het middel duidelijk blijkt dat omwille van de gesteldheid van de plaats die als inplantingsplaats is gekozen voor de RWZI, deze in toepassing van artikel 5.2.1.4. van Vlarem Titel II niet in aanmerking kan komen voor de inplanting van een installatie voor de verwerking van afvalstoffen, dat gelet op de onverbrekelijke band tussen de uitvaardiging van het bestreden besluit en de aflevering van de milieuvergunning voor de RWZI, het bestreden besluit kan gesanctioneerd worden op basis van de overtreding van de milieuwetgeving wanneer blijkt dat het enige doel van de gewestplanwijziging erin bestaat een onwettige inplanting van een afvalstoffenverwerkingsmaatschappij mogelijk te maken op de plaats waar zulks volgens de vigerende wetgeving onmogelijk is; Overwegende dat verzoekers in hun laatste memorie betwisten dat zij aan het middel een nieuwe grondslag pogen te geven door machtsafwending in te roepen, dat er geen sprake is van machtsafwending, dat de Vlaamse Regering de X-8606-5/14 macht heeft om het gewestplan te wijzigen en deze zelfs kan aanwenden om de aflevering van een milieuvergunning mogelijk te maken, zeker als de aflevering van een milieuvergunning kadert in de realisering van het openbaar nut, namelijk het zuiveren van water; Overwegende dat het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem Titel II), is uitgevaardigd in uitvoering van artikel 20 van het decreet betreffende de milieuvergunning, behoudens andersluidende bepaling (artikel 1.1.1.); dat artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning de Vlaamse regering machtigt algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden uit te vaardigen, waarvan ze, indien om technische redenen noodzakelijk, bij gemotiveerd besluit kan afwijken en deze milieuvoorwaarden, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu, bepalingen kunnen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde inrichtingen in sommige gebieden beperken of verbieden; dat de bepalingen van artikel 5.2.1.4. van Vlarem Titel II betrekking hebben op na te leven "milieuvoorwaarden" bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen; dat het bestreden besluit niet een milieuvergunning tot voorwerp heeft, maar het vaststellen van bestemmingsvoorschriften voor een bepaald gebied in uitvoering van de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening; dat de eventuele schending van een bepaling uit de milieuwetgeving die niet van toepassing is op de vaststelling van bestemmingen van een gewestplan, geen grond van onwettigheid kan zijn en derhalve niet dienstig kan worden ingeroepen; dat het middel ongegrond is; dat in zoverre de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog aanvoeren dat het bestreden besluit onwettig is aangezien "het enige doel van de gewestplanwijziging erin bestaat een onwettige inplanting van een afvalstoffenverwerkingsinstallatie mogelijk te maken op de plaats waar zulks volgens de vigerende wetgeving onmogelijk is" zij een nieuw middel aanvoeren; dat het de openbare orde niet raakt en reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring kon worden aangevoerd; dat het laattijdig is; dat het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke grondslag van de ingeroepen motieven, X-8606-6/14 "Doordat, het advies van de Regionale Commissie van Advies, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, en waarop het bestreden besluit is gebaseerd vermeldt dat de gekozen inplantingsplaats voor de RWZI waarvoor het Gewestplan wordt gewijzigd niet zou aansluiten bij bestaande bebouwing, en het gros van de bestaande installaties wordt voorzien op minstens 200 m. van de bestaande bebouwing; Terwijl in werkelijkheid de woning van tweede verzoekster amper vijf meter verwijderd is van de rand van het in te planten waterzuiveringsstation, en er zich minstens 25 woningen bevinden binnen een straal van 100 m. gemeten vanaf de eigenlijke installatie, zoals door onder meer beroepers reeds werd gesteld in het verzoek tot schorsing van de milieuvergunning, en zoals door het Vlaams Gewest voordien nooit werd betwist (...) Zodat, het Advies van de Regionale Commissie van Advies voor de Provincie Vlaams-Brabant zich voor de stelling als zou de gekozen inplantingsplaats niet aansluiten bij bestaande bebouwing klaarblijkelijk is gebaseerd op volkomen verkeerde informatie die in tegenstrijd is met wat het Vlaams gewest in vroegere procedures aannam, En zodat, het bestreden besluit nu (...) naar dit foutieve advies verwijst en er zich op baseert zelf behept is met een motiveringsgebrek dat voortkomt uit het gebrek aan rechtens vereiste grondslag van minstens één van de gehanteerde motieven"; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat bij de definitieve beraadslaging kan worden afgeweken van het advies van de Regionale Commissie van Advies, zij het dan wel dat het besluit met redenen omkleed moet zijn, dat in casu uit het dossier blijkt dat zij beschikte over zowel een luchtfoto van het gebied, als een nog recentere NGI-kaart en dat er tevens is overgegaan tot een plaatsbezoek, zodat zij alleszins niet heeft beslist op grond van een verkeerde inschatting op het terrein, dat, zelfs indien dat wel het geval zou zijn geweest voor de Regionale Commissie van Advies,
- a)niet is aangetoond dat het bestreden besluit ook tot stand is gekomen op grond van een verkeerde inschatting van de feitelijke situatie, en
- b)dient gezegd dat dit besluit op bepaalde punten is afgeweken van het advies dat werd verleend, dat het bestreden besluit, in tegenstelling tot de vermelding in het advies dat het project niet zou aansluiten bij de bestaande bebouwing, uitdrukkelijk stelt dat "het project (aan)sluit (...) bij de bestaande bebouwing", dat, in afwijking van het advies van de Regionale Commissie van Advies, en juist met het oog op de beperking van de hinder naar de omwonenden toe -dus gezien de feitelijke toestand ter plaatse- het bestreden besluit heeft gemeend dat een strook tussen het nieuwe gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en het bestaande woongebied langs de Rijmenamsebaan tot agrarisch gebied diende bestemd te blijven, dat, hoewel dit niet voor alle woningen langs de Rijmenamsebaan het geval is, het gros ervan op een afstand van om en bij de 200 m van de installatie is gelegen, dat de door tweede verzoeker aangehaalde afstand van 5 m dan ook relatief is en in het licht van het bovenstaande dient te worden gezien, en dat derhalve nergens uit blijkt dat het X-8606-7/14 bestreden besluit zich zou hebben gesteund op dergelijke motieven; dat de verwerende partij vervolgens citeert wat in het schorsingsarrest werd gewezen; Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord dupliceren dat zij niets toe te voegen hebben aan het middel zoals uiteengezet in hun verzoekschrift tot nietigverklaring; Overwegende dat verzoekers in hun laatste memorie nog stellen dat ze het niet eens zijn met de stelling welke wordt aangenomen in het schorsingsarrest; dat het advies dat de regionale commissie van advies over een ontwerpgewestplan moet uitbrengen een substantiële procedurestap is, dat dit advies moet zijn gebaseerd op correcte feitelijke gegevens, dat, indien dit niet het geval is, niet kan worden aangenomen dat de regionale commissie van advies met kennis van zaken zijn advies heeft kunnen verstrekken, dat het feit dat de Vlaamse regering bij het treffen van het bestreden besluit kennelijk aan de verkeerde feitelijke voorstelling van zaken door de regionale commissie van advies is voorbijgegaan, niet van dien aard is om het motiveringsgebrek in het advies van de regionale commissie van advies te remediëren, dat indien de regionale commissie van advies zich voor haar advies op correcte feiten had gebaseerd, het advies wellicht anders zou hebben geluid en dat de vaststelling van de Vlaamse regering dat dit advies op incorrecte feitenvinding was gebaseerd dan niet zou hebben volstaan; Overwegende dat luidens artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, voor de toepassing van deze wet onder bestuurshandeling moet worden verstaan "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur"; dat krachtens artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de plannen van aanleg, waaronder het gewestplan, bindende en verordenende kracht bezitten en derhalve geen rechtshandelingen "met individuele strekking" zijn; dat een besluit tot vaststelling van een gewestplan niet valt onder de toepassing van voornoemde wet van 29 juli 1991; dat het onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat in het tweede middel eveneens de schending wordt aangevoerd van het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat een besluit tot vaststelling van een gewestplan, zoals elke administratieve akte of reglement, dient te zijn gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare X-8606-8/14 motieven die moeten blijken, zoniet uit de beslissing zelf, dan toch uit het administratief dossier; Overwegende dat het advies van 27 mei 1998 van de Regionale Commissie van Advies, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 1998, als antwoord op de bezwaarschriften en adviezen, onder de hoofding "locatie" vermeldt wat volgt : "Locatie : - de gekozen inplantingsplaats sluit niet aan bij de bestaande bebouwing : het gros van de geplande installaties wordt voorzien op minstens 200 m van de bestaande bebouwing"; dat het administratief dossier geen gegevens bevat over de ligging van de bestaande bebouwing ten opzichte van de geplande waterzuiveringsinstallatie; dat luidens de uiteenzetting van het middel, die door de verwerende partij niet wordt betwist, de woning van tweede verzoeker amper 5 m verwijderd is van de rand van het in te planten waterzuiveringsstation, en er zich minstens 25 woningen bevinden binnen een straal van 100 m, gemeten vanaf de eigenlijke installatie; dat het advies van de Regionale Commissie van Advies niet is gesteund op juiste feitelijke gegevens waar het overweegt dat de gekozen inplantingsplaats niet aansluit bij de bestaande bebouwing en het gros van de geplande installaties wordt voorzien op minstens 200 m van de bestaande bebouwing; dat evenwel de Vlaamse regering krachtens artikel 11, § 7, derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, kan afwijken van het advies van de Regionale Commissie van Advies, mits zij haar beslissing motiveert; dat het bestreden besluit, wat betreft de locatie van de betrokken installaties, blijkt te zijn afgeweken van het advies van de Regionale Commissie van Advies; dat het bestreden besluit hieromtrent uitdrukkelijk overweegt : "(...) Overwegende dat dit project aansluit bij bestaande bebouwing en derhalve geen bijkomende versnippering van open ruimte betekent (...); Overwegende dat om de hinder naar de omgeving en naar de omwonenden in het bijzonder te minimaliseren, de strook tussen het nieuwe gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en het bestaande woongebied langs de Rijmenamsebaan als agrarisch gebied bestemd blijft in afwijking van het advies van de regionale commissie van advies van Vlaams-Brabant; dat dit agrarisch gebied behouden blijft gezien de aanwezigheid van een oud woongebouw en de kleine oppervlakte geen extra meerwaarde oplevert als buffer aangezien op het domein van de zuiveringsinstallatie ook een aangepast groenscherm in overeenstemming met de landschapselementen uit de omgeving dient te worden aangelegd (...)"; X-8606-9/14 dat uit voormelde motivering blijkt dat het bestreden besluit, hoewel het naar het advies van de Regionale Commissie van Advies verwijst, wat betreft de locatie, is gesteund, niet op de onjuiste feitelijke gegevens van dit advies, maar op een eigen feitenvinding waarvan de juistheid door verzoekers niet wordt betwist; dat het middel niet gegrond is; dat, in zoverre de verzoekende partijen in de laatste memorie aanvoeren dat het advies van de regionale commissie van advies een "substantiële procedurestap" is en dat de omstandigheid dat het bestreden besluit kennelijk aan de verkeerde feitelijke voorstelling van zaken is voorbijgegaan niet van aard is het motiveringsgebrek in het advies van de regionale commissie van advies te remediëren, zij een nieuw middel aanvoeren; dat het de openbare orde niet raakt en reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring kon worden aangevoerd; dat het laattijdig is; dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoekers in een derde middel de schending aanvoeren van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, "Doordat, eerste onderdeel het advies van de Regionale Commissie van Advies voor de Provincie Vlaams-Brabant, waarnaar in het bestreden Besluit wordt verwezen, en waarop het bestreden besluit is gebaseerd (...) in verband met het bezwaar dat onder meer door verzoekers werd ingediend stelt : 'Dat de milieuvergunning artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II zou miskennen is een zaak van de milieuvergunning. De milieuvergunning zal nadere bepalingen moeten opnemen die de afstand tot o.a. woonkernen en woongebieden, recreatiegebieden, groengebieden, beschermde landschappen, enz. regelen. Dit probleem dient niet reeds in de gewestplanwijziging geregeld te worden (advies Regionele Commissie, zoals gepubliceerd in B.S. 9 oktober 1998 p. 33687, onderaan) Terwijl, elk redelijk denkend mens inziet dat eenmaal de exacte plaats waar de RWZI moet worden ingeplant via de bestreden Gewestplanwijziging wordt doorgevoerd, meteen ook de afstand van het gewijzigde gebied tot de omliggende (niet gewijzigde) gebieden vastligt, En terwijl, door de exacte bepaling van de inplantingsplaats van de RWZI middels de bestreden Gewestplanwijziging, meteen ook de exacte afstand van de inplantingsplaats van de RWZI tot andere bestemmingsgebieden vastligt, En terwijl, aldus de toepassing van artikel 5.2.1.4. van Vlarem-II volledig wordt bepaald door het bestreden besluit, en niet meer door de milieuvergunningsadministratie die op straffe van strijdigheid met het Gewestplan niet meer van de vastgestelde inplantingsplaats kan afwijken, Zodat, de Regionale Commissie van Advies voor de Provincie Vlaams-Brabant op wiens advies het bestreden besluit is gebaseerd door te stellen dat de toepassing van artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II besluit 'een zaak is van de milieuvergunning' ondanks het feit dat de toepassingswijze van dit artikel volledig door de Gewestplanwijziging wordt uitgeput het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als Algemene Beginselen van Behoorlijk bestuur heeft geschonden. En Doordat, tweede onderdeel, het advies van de Regionale Commissie van Advies voor de Provincie Vlaams-Brabant een 'nota' bevat, die onder meer luidt als volgt : X-8606-10/14 '- De milieuvergunning werd geschorst op 12 februari 1998 op grond van strijdigheid met de afstandsregels van Vlarem-II' (advies Regionale Commissie zoals opgenomen in het B.S. d.d. 9 oktober 1998 medio p. 33686), En doordat, hieruit blijkt dat de Regionale Commissie van Advies op het ogenblik van het uitbrengen van dit advies op de hoogte was van het feit dat de Raad van State had geoordeeld dat de inplanting van de RWZI gelet op de toepasselijkheid van artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II besluit ondoordacht was gekozen, En doordat, ondanks deze wetenschap de Regionale Commissie het onnodig blijkt te hebben gevonden dieper op de inhoud van het arrest in te gaan en zorgvuldig de afstand van de voorgestelde inplantingsplaats tot de in artikel 5.2.1.4. (vermelde gebieden) na te gaan en de effecten van deze afstanden in te schatten en in het licht daarvan zijn advies te motiveren en dit integendeel enkel (en dan nog foutief) doet met betrekking tot de nabijheid van bewoning, Terwijl, het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur vereisen dat de overheid (...) rekening houdt met de termen van de arresten van de Raad van State die in concrete dossiers werden geveld, En terwijl, het dus had behoord dat de Regionale Commissie van Advies van de Provincie Vlaams-Brabant, na kennisname van het Arrest van de Raad van State d.d. 12 februari 1998 inzake de milieuvergunning voor de RWZI, de in het ontwerpgewestplan voorgestelde inplantingsplaats van de RWZI rekening houdend met de termen van dit Arrest had getoetst aan de afstand tot de in artikel 5.2.1.4. van het Vlarem-II besluit vermelde gebieden. En doordat, derde onderdeel, de nota waarvan in het onderdeel van dit middel sprake tevens vermeldt : 'Uit een persbericht in 'Het Nieuwsblad' d.d. 16 juni 1997 blijkt dat AQUAFIN zou beginnen met de werken begin 1998. Waarschijnlijk is AQUAFIN ondertussen reeds begonnen'. En doordat, uit deze passage moet worden afgeleid dat de Regionale Commissie van Advies voor de Provincie Vlaams-Brabant haar oordeel laat leiden door het vermoeden dat sowieso de werken voor de bouw van de RWZI reeds begonnen zijn, En doordat, hieruit moet worden afgeleid dat de regionale Commissie zich voor zulke gegevens baseert op een voornemen dat de bouwheer heeft geuit in 'Het Nieuwsblad', zonder dat de Commssie zich de moeite getroost dit concreet na te gaan, Terwijl, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur vereisen dat de Regionale Commissie van Advies, op wiens advies het bestreden besluit is gebaseerd zich bij dit advies laat leiden door de wettigheid en de vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening bekeken opportuniteit van de voorgestelde Gewestplanbestemming, zonder dat het feit of de werken waarvoor de wijziging wordt voorgesteld reeds aan de gang zijn, En terwijl, deze beginselen tevens vereisen dat zulke Commissie zich voor zulke gegevens niet baseert op hetgeen de bouwheer een jaar eerder in de geschreven pers heeft verklaard, doch in de praktijk nagaat of de werken ja dan neen zijn aangevat"; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt, vooreerst dat niet wordt aangetoond dat het bestreden besluit door de loutere vermelding van het bestaan van een advies, de motieven en de middelen van dit advies tot de hare heeft gemaakt, dat, wat de inhoud van het gewestplan betreft, de wet enkel oplegt dat X-8606-11/14 moet worden geregeld: de maatregelen van aanleg, vereist om te voldoen aan de economische en sociale behoeften van het gewest, naast de maatregelen ter verbetering van het net der voornaamste verkeerswegen, en, facultatief, de algemene voorschriften van esthetische aard, en, geheel of ten dele, de zaken, opgenomen in een algemeen plan van aanleg, dat het derhalve niet zo is dat de exacte inplantingsplaats van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt bepaald door de gewestplanwijziging, aangezien deze wijziging enkel de bestemming wijzigt van de delen van het grondgebied, dat indien de milieuvergunning nadere bepalingen kan opnemen die de afstand tussen de bebouwing en de inplanting regelt, en nadere zekerheden kan stellen ten aanzien van de minimalisering van de hinder, het duidelijk is dat de milieuvergunning in overeenstemming kan worden gebracht met Vlarem Titel II, dat zulks losstaat van de bestemmingswijziging, dat het niet aan de adviescommissie toekomt om de voorwaarden van de milieuvergunning thans reeds te gaan beoordelen, dat het arrest van de Raad van State zich niet uitspreekt over het al dan niet in strijd zijn met de afstandregels, maar alleen stelt dat deze verplichte afweging niet werd gedaan, en dat niet kan worden ingezien hoe zulks het gevolg zou kunnen zijn van de gewestplanbestemming, dat verweerder voor het overige letterlijk herhaalt wat, ten deze, in het schorsingsarrest werd gewezen; Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord dupliceren dat evenzeer als de inplanting van de RWZI onmogelijk zou zijn indien het bestreden besluit niet was uitgevaardigd, het bestreden besluit volkomen nutteloos zal zijn indien om een of andere reden de RWZI toch niet zal worden ingeplant, dat het van een volkomen onredelijke houding getuigt om bij de uitvaardiging van het bestreden besluit abstractie te maken van het feit dat de Raad reeds heeft aangegeven dat de inplanting van een RWZI in een dergelijk gevoelig gebied problematisch is gelet op de toepasselijkheid van artikel 5.2.1.4. van Vlarem Titel II, wanneer deze gewestplanbestemming tegelijkertijd als enig doel heeft de inplanting van een RWZI mogelijk te maken; Overwegende dat verzoekers in hun laatste memorie niets toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet; Overwegende dat het advies van de Regionale Commissie van Advies met betrekking tot het bezwaar omtrent de schending van artikel 5.2.1.4. van Vlarem Titel II, luidt als volgt : "Raad van State: X-8606-12/14 - De milieuwetgeving en de wetgeving op de ruimtelijke ordening zijn twee van elkaar losstaande wetgevingen. De procedure voor de Raad van State heeft betrekking op de milieuvergunning. De wijziging van een gewestplan is echter een procedure, ingesteld in het kader van de wetgeving op de ruimtelijke ordening. (...) Vlarem - Dat de milieuvergunning artikel 5.2.1.4. van het Vlarem II zou miskennen is een zaak van de milieuvergunning. De milieuvergunningen (zullen) nadere bepalingen moeten opnemen die de afstand tot o.a. woonkernen en woongebieden, recreatiegebieden, groengebieden, beschermde landschappen, enz., regelen. Dit probleem dient niet reeds in de gewestplanwijziging geregeld te worden"; Overwegende dat het aan de milieuvergunningverlenende overheid toekomt om te oordelen of de milieuvergunningsaanvraag al dan niet voldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot de in deze bepaling opgesomde gebieden; dat de omstandigheid dat ingevolge de bestreden wijziging van het gewestplan de geplande rioolwaterzuiveringsinstallatie slechts in een gebied kan worden toegelaten waarin volgens verzoekers geen milieuvergunning kan worden verleend zonder voornoemde bepaling van artikel 5.2.1.4. van Vlarem Titel II te schenden, los staat van de procedure tot vaststelling van het gewestplan; dat immers het feit dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie in overeenstemming lijkt te zijn met de best emmingsvoorschrift en die gelden voor een gebied vo o r gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, de milieuvergunnende overheid er niet van ontslaat na te gaan of de milieuvergunningsaanvraag op grond van de geldende milieuwetgeving kan worden ingewilligd, en deze in ontkennend geval te weigeren; dat ook de eventuele aanvang van bouwwerken door de n.v. AQUAFIN los staat van de procedure tot vaststelling van het gewestplan; dat verzoekers bovendien geen eigenaar zijn van de gronden waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, zodat zij derhalve niet, althans toch niet rechtsreeks, de gevolgen dienen te ondergaan van de eventuele onmogelijkheid om op die gronden een rioolwaterzuiveringsinstallatie in te planten; dat verzoekers trouwens verkeerdelijk stellen dat de Raad reeds heeft aangegeven dat de inplanting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie in een dergelijk gevoelig gebied problematisch is gelet op de toepasselijkheid van artikel 5.2.1.4. van Vlarem Titel II; dat het arrest waarnaar verzoekers verwijzen immers enkel heeft vastgesteld dat de verwerende partij geenszins het, nochtans, ten deze toepasselijke artikel 5.2.1.4. van Vlarem Titel II heeft toegepast; dat helemaal geen uitspraak werd gedaan over het zogenaamde problematisch karakter van een inplanting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie; dat het middel niet gegrond is, X-8606-13/14 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien augustus 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-8606-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.122 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.903 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div