id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.185 Rolnummer: A. 164892/VII-34401 Zaak: Arrest 148185 - - 12/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 22:46 Fiche Arrest nr 148.185 van 12 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.185 van 12 augustus 2005 in de zaak A. 164.892/VII-34.
- In zake : de n.v. KLEIN BRABANTSE AUTOCENTRALE, die woonplaats kiest bij advocaat N. PEETERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 115 tegen :
- de gemeente PUURS,
- de burgemeester van de gemeente PUURS, die woonplaats kiezen bij advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. KLEIN BRABANTSE AUTOCENTRALE op 5 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van "de beslissing d.d. 19 juli 2005 tot stopzetting van alle activiteiten van verzoeker en tot legale verwijdering van alle afvalstoffen, illegale constructies en voertuigen op het terrein, beslissing ondertekend door de burgemeester en de gemeentesecretaris namens het gemeentebestuur van verwerende partij"; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 augustus 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. WAUTERS die, loco advocaten N. PEETERS en M. PLAVSIC verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaten B. MARTENS en L. PEETERS, die verschijnen voor de verwerende partijen; VII-34.401-1/6 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partijen in hun nota opwerpen dat de vordering niet ontvankelijk is bij gebrek aan het vereiste geoorloofd belang, omdat dit belang bestaat in het verderzetten van een onwettige toestand, met name de exploitatie zonder de vereiste milieuvergunning; dat het onderzoek van deze exceptie samenvalt met het onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel van het verzoekschrift; Overwegende dat het tweede middel afgeleid is uit "de schending van het decreet van de Vlaamse Raad d.d. 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (MVD), o.a. de artikelen 4 en 31, § 1; Uit de schending van het besluit van de Vlaamse executieve d.d. 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning (Vlarem I), o.a. de artikelen 2, 4, 5 en 65, § 1 en de bijlage 1; Uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, o.a. de artikelen 2 en 3; Uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materieel motiveringsbeginsel; Eerste onderdeel Doordat het bevel tot stopzetting hoofdzakelijk gebaseerd is op de overweging dat verzoekende partij een inrichting zou uitbaten zonder te beschikken over de noodzakelijke milieuvergunning en hiervoor verwijst naar artikel 39 MVD; Terwijl krachtens de artikelen 4, § 1 MVD en 5, § 1 Vlarem I slechts een milieuvergunning moet worden aangevraagd voor die inrichtingen, die behoren tot de eerste of de tweede klasse zoals ingedeeld in bijlage 1 bij het Vlarem I; dat krachtens artikel 4, § 2 voor inrichtingen van klasse drie voor de uitbating een melding volstaat; dat krachtens rubriek 15.1 van de bijlage 1 van Vlarem I al dan niet overdekte ruimtes slechts als onderhevig aan de bepalingen van de milieuvergunningsreglementering worden beschouwd wanneer zij andere dan personenwagens stallen, meer bepaald wanneer ter plaatse meer dan 3 van dergelijke autovoertuigen worden gestald; Dat verzoekende partij een autohandel uitbaat, namelijk aan- en verkoop van tweedehands personenvoertuigen; dat bijgevolg de uitbating van verzoekende partij in elk geval niet vergunningsplichtig is en ook niet onderworpen is aan de bepalingen van Vlarem I; dat voor zover op bepaalde tijdstippen toch andere dan personenvoertuigen aanwezig waren dit niet haar hoofdactiviteit is en dit slechts eerder sporadisch gebeurt en er dit in elk geval nooit meer zijn dan 25, waardoor verzoekende partij in elk geval niet vergunningsplichtig is; Dat voor zover een werkplaats zou aanwezig zijn voor motorvoertuigen (met inbegrip van carrosserie) dit slechts als een inrichting van derde klasse kan worden beschouwd en bijgevolg dus enkel een melding noodzakelijk was en niet de aanvraag van een voorafgaande milieuvergunning; VII-34.401-2/6 Dat bijgevolg verwerende partij ten onrechte stelt dat verzoekende partij een milieuvergunning zou nodig hebben en haar handel uitbaat met miskenning van deze verplichting; dat de in het middel aangaande bepalingen van het MVD en van Vlarem I worden miskend; dat bovendien het materieel motiveringsbeginsel wordt geschonden, doordat de beslissing is gesteund op motieven die niet deugdelijk en niet rechtens aanvaardbaar zijn; En terwijl artikel 39 MVD de strafsancties bij overtredingen van het MVD regelt, maar geenszins een bepaling bevat omtrent de mogelijke bevoegdheid van de burgemeester om op (te) treden in geval de uitbater van een inrichting zonder vergunning -die verzoekende partij in casu wel niet nodig had- handelt; dat deze bepaling ook geen verplichtingen oplegt omtrent het eventueel aanvragen van een voorafgaande milieuvergunning; Dat bijgevolg de bestreden beslissing volledig ten onrechte gesteund is op artikel 39 MVD om de stopzetting te verantwoorden; dat dit zowel een schending uitmaakt van de formele motiveringsplicht (zie OPDEBEECK, I. en COOLSAET, A., Formele motivering bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1999, 140, nr. 175) als van het materieel motiveringsbeginsel wegens het gebrek aan een deugdelijk motief); En terwijl krachtens artikel 31, § 1 MVD en artikel 65, § 1 Vlarem I wat regelmatig is vergund, niet kan worden gesloten of stopgezet; Dat verwerende partij zelf stelt dat minstens voor een deel van de uitbating een melding aanwezig is; dat betreffende dit gedeelte minstens de uitbating niet kon worden stopgezet (vgl. R.v.St., Media Hall, nr. 100.693, 8 november 2001); Dat door de volledige uitbating stop te zetten de juist geciteerde bepalingen van het MVD en van Vlarem I werden geschonden; Dat het eerste onderdeel ernstig is"; Overwegende dat de verwerende partijen hierop o.m. antwoorden: "Weerlegging van het eerste onderdeel Verzoekende partij verdraait schaamteloos de waarheid wanneer ze stelt dat ze enkel personenwagens stalt, of dat wanneer er toch andere dan personenwagens zouden zijn gestald, dit enkel sporadisch gebeurt en dat het er in elk geval nooit meer dan 25 zijn. Bij verschillende PV's (in september 2002, januari 2005 en juli 2005) is immers vastgesteld dat verzoekende partij méér dan 25 motorvoertuigen andere dan personenwagens op het terrein ter beschikking had. In het PV van 10 juli 2005 wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat 42 autovoertuigen andere dan personenwagens gestald waren op het terrein. ook de foto's die bij het PV van 10 juli 2005 horen en foto's genomen op 2 september 2002 (STUK 7), tonen dit genoegzaam aan. De betrokken activiteit betreft ontegenzeggelijk een klasse 2- inrichting. Er kan dan ook niet worden volgehouden dat geen milieuvergunning noodzakelijk was. De milieuvergunningsplicht voor de betrokken inrichting categoriseert onder rubriek 15 van bijlage 1 van Vlarem I. Rubriek 15 omvat ondermeer :
- Al dan niet overdekte ruimte waarin gestald worden : % 1/ 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens ( klasse 3) % 2/ meer dan 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens ( klasse 2) VII-34.401-3/6 %
- werkplaatsen voor het herstellen van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosserie werkzaamheden) andere dan bedoeld in rubriek 15.3 ( klasse 3)'. De verwijzing naar artikel 39 van het Milieuvergunningsdecreet is volkomen terecht. In de bestreden handeling van 19 juli 2005 wordt gesteld : De verwijzing naar dit artikel is volkomen op haar plaats. Immers voorziet dit artikel een strafbepaling voor (o.a.) Verzoekende partij meent een schending af te leiden uit het feit dat (...)"; Overwegende dat het bestreden stopzettingsbevel is gesteund op vaststellingen gedaan "bij proces-verbaal van 18 juli 2005 en voorgaanden" waaruit blijkt dat het bedrijf van de verzoekende partij niet over de nodige vergunningen beschikt voor de vastgestelde activiteiten, en op de vaststelling dat verdere uitbating een inbreuk uitmaakt op artikel 39 van het milieuvergunningsdecreet, waarin het exploiteren of veranderen van een vergunningsplichtige inrichting zonder vergunning, strafbaar wordt gesteld; dat in het proces-verbaal van 18 juli 2005, opgemaakt door een hoofdinspecteur van de cel Milieu van de lokale politie van de politiezone Klein- Brabant, wordt vastgesteld dat op de betrokken terreinen meer dan 25 - met name 42- autovoertuigen andere dan personenwagens werden gestald; dat hetzelfde proces-verbaal tevens de aanwezigheid van werkplaatsen voor het herstellen van motorvoertuigen, met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden, andere dan bedoeld in rubriek 15.3 van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem 1) constateert; Overwegende dat bedoelde proces-verbaal, op grond van art. 30, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, bewijskracht heeft tot het tegendeel bewezen is; dat de verzoekende partij niet verder komt dan de blote, en gelet op de gegevens van het dossier totaal ongeloofwaardige, bewering dat, voor zover op bepaalde tijdstippen toch andere dan personenvoertuigen op haar terreinen aanwezig waren, VII-34.401-4/6 dit slechts "eerder sporadisch" gebeurt en "er dit in elk geval nooit meer zijn (dan) 25"; dat de verwerende partijen in dit verband wijzen op PV's, opgemaakt in september 2002 en januari 2005; dat ook daarin de aanwezigheid van meer dan 25 voertuigen andere dan personenwagens, werd geconstateerd; Overwegende dat op grond van rubriek 15.1 van bijlage 1 bij Vlarem I als klasse 2-inrichting vergunningplichtig wordt gemaakt : de "al dan niet overdekte ruimte waarin gestald worden : meer dan 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens"; dat het proces-verbaal van 18 juli 2005, en de daarop gesteunde bestreden beslissing, dan ook terecht ervan uitgaan dat een klasse 2-inrichting wordt geëxploiteerd zonder de vereiste vergunning; dat de bedoelde herstelwerkplaats, ook al is ze afzonderlijk beschouwd, op grond van rubriek 15.2 als klasse 3-inrichting slechts meldingplichtig, een onderdeel lijkt uit te maken van de voormelde klasse 2-inrichting, zodat ook voor die werkplaats, gelet op artikel 9, § 4, van het milieuvergunningsdecreet, de klasse 2-procedure geldt; dat hetzelfde geldt voor het stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen, andere dan personenwagens; Overwegende dat uit het bovenstaande volgt dat de verzoekende partij met haar vordering beoogt een exploitatie voort te zetten, zonder over de daartoe door artikel 4, § 1, van het milieuvergunningsdecreet vereiste milieuvergunning te beschikken; dat zij aldus een onwettig belang nastreeft; dat de vordering bij gebrek aan het vereiste wettig onontvankelijk is, VII-34.401-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf augustus tweeduizend en vijf, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. R. STEVENS. VII-34.401-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.