id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.191 Rolnummer: A. 146794/X-11728 Zaak: Arrest 148191 - - 12/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 22:48 Fiche Arrest nr 148.191 van 12 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.191 van 12 augustus 2005 in de zaak A. 146.794/X-11.728. In zake : Annie HOREMANS, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VERBIST, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54-57 tegen : de c.v. INTERCOMMUNALE ONTWIKKELINGSMAAT- SCHAPPIJ VOOR DE KEMPEN (I.O.K.), die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LAT, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Annie HOREMANS op 20 januari 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : 1. de beslissing van 16 september 2003 van de raad van bestuur van de c.v. INTERCOMMUNALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ VOOR DE KEMPEN dat : "1.de IOK (...) de hierna vermelde goederen ten kadaster bekend of bekend geweest te Nijlen 3de afdeling Kessel sectie D nummers 135w3, 135x3, 135y3, 135h3, 135g3, 135a4, 135z3, 133a, 133g, 132b3, 134c, 134e, 162b9, 162a9, 162p3, 162s3, 162r3, 163z3, 163p2, 163y3, 163s, 171v, 163s3, 163t3, 202r, 134k, 134l, 134g, 134h, 133c, 132c2 en 214g, afgebeeld als innemingen 1 tot en met 32, in rode kleur omlijnd op het onteigeningsplan 'Pastoriestraat', opgemaakt door de IOK op 10 september 2003, samen groot 2ha26a71ca (zal) verwerven om haar maatschappelijk doel te bereiken door de realisatie van een sociale verkaveling. 2. het onteigeningsplan 'Pastoriestraat' opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen voorzien in het Decreet ruimtelijke ordening, (...) voorlopig (wordt) goedgekeurd en (...) aan een openbaar onderzoek (zal) worden onderworpen overeenkomstig de wettelijke voorschriften", X-11.728-1/7 2. de beslissing van 19 december 2003 van de c.v. INTERCOMMUNALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ VOOR DE KEMPEN "1. dat alle ingediende bezwaren verworpen worden om redenen hierboven vermeld bij de behandeling van de individuele bezwaarschriften. 2. (dat) het onteigeningsplan 'Pastoriestraat', opgemaakt door de IOK op 10/9/2003 en voorlopig goedgekeurd door de Raad van Bestuur op 16 september 2003 (...) definitief (wordt) goedgekeurd. Het betreft een totale te onteigenen oppervlakte van 2ha26a71ca, afgebeeld als innemingen nrs. 1 tot en met 32 op het onteigeningsplan. 3. dat, vermits de toegangswegen reeds in der minne konden worden verworven zodat de ontsluiting van het ingesloten woongebied op vrij korte termijn kan gebeuren en aldus tegemoet kan worden gekomen aan de dringende vraag naar betaalbare bouwgronden, aan de bevoegde minister machtiging tot onteigening bij hoogdringendheid wordt gevraagd waarbij de spoedprocedure, voorzien in de wet van 26 juli 1962, kan worden toegepast."; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 augustus 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VERBIST, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. VAN DIJCK die, loco Advocaat J. DE LAT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeenteraad van de gemeente Nijlen op 2 april 2001 heeft beslist aan de verwerende partij de opdracht te geven voor een X-11.728-2/7 verkavelingsproject in de omgeving van de Pastoriestraat-Nieuwstraat te Nijlen (Kessel) en het verkavelingsreglement, op 18 december 1986 goedgekeurd door de raad van bestuur van de verwerende partij en aangevuld door de beslissingen van 17 december 1987 en 19 oktober 1993, goed te keuren; dat de gemeenteraad van de gemeente Nijlen op 7 januari 2003 heeft beslist het verkavelingsreglement, op 17 september 2002 vastgesteld door de raad van bestuur van de verwerende partij, de modaliteiten van de aankoopbelofte, en het modelreglement IOK voor de toewijzing van sociale bouwgronden goed te keuren; dat de raad van bestuur van de verwerende partij op 16 september 2003 het onteigeningsplan "Pastoriestaat" voorlopig heeft goedgekeurd; dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat van 6 oktober 2003 tot 20 oktober 2003 een openbaar onderzoek werd georganiseerd; dat tijdens dit openbaar onderzoek 17 bezwaarschriften werden ingediend, onder meer door de verzoekende partij; dat de raad van bestuur van de verwerende partij op 18 november 2003 het onteigeningsplan "Pastoriestaat" definitief heeft goedgekeurd; dat dit de tweede bestreden beslissing is; Overwegende dat de verwerende partij de onontvankelijkheid van het verzoekschrift ratione materiae en ratione temporis opwerpt en het belang van de verzoekende partij bij de vordering betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting X-11.728-3/7 van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij uiteenzet dat zij er zich "van bewust (
- is)dat de uitvoering van de twee bestreden beschikkingen niet de onmiddellijke onteigening van haar eigendom impliceert", maar dat met deze beslissingen wel vaststaat dat de verwerende partij tot onteigening wil overgaan van het betreffende perceel, en dat aldus het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten gevolge van de uitvoering van de bestreden beschikkingen reëel is, dat onwettige onteigeningsbesluiten, zoals de bestreden beschikkingen, op zichzelf een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen doen ondergaan alvorens de effectieve onteigeningsmachtiging is verkregen en alvorens de gerechtelijke vordering tot onteigening wordt ingesteld, dat zij niet systematisch wordt geïnformeerd over het verloop van de onteigeningsprocedure, maar slechts sporadisch en fragmentarisch informatie verkrijgt via de pers, dat deze informatie noch éénduidig, noch consistent en zelfs contradictorisch is, dat het onteigeningsplan dat ter inzage lag tijdens het openbaar onderzoek niet voor éénsluidend was verklaard zodat zij niet kon verifiëren of dit conform was aan het op 16 september 2003 voorlopig goedgekeurde plan, dat haar bezwaar daaromtrent slechts werd afgedaan met het antwoord dat dit niet inhoudt dat het niet conform zou zijn met genoemd plan, dat de schepen VAN ASSCHE tijdens een televisieoptreden op "Regionale TV" op 23 december 2003 een onteigeningsplan hanteerde dat manifest afwijkt van het plan dat tijdens het openbaar onderzoek ter inzage lag, dat dit haar rechtszekerheidsgevoel aantast, dat zij "wat betreft haar eigendom (wordt) bedreigd met een onteigening", dat zij echter de draagwijdte ervan niet kent, niet weet of effectief tot onteigening zal worden overgegaan noch wanneer effectief tot onteigening zal worden overgegaan, dat zij niet het materieel nadeel van het verlies van haar eigendom inroept, maar de rechtsonzekerheid en de impact daarvan op haar bestaan, steunend op volgende redenen: X-11.728-4/7 "Verzoekende partij heeft het betreffende perceel 133a aangekocht omdat het twee eigendommen van het gezin van verzoekende partij verenigt. Het woonhuis van het gezin Wittevronghel-Horemans staat op het perceel 132w2, Pastoriestraat 16 te Kessel. De oude schrijnwerkerij die de heer Robert Wittevronghel, echtgenoot van Verzoekende partij van zijn vader heeft overgenomen bevindt zich op het perceel 132d3, Pastoriestraat 26 te Kessel. De heer Robert Wittevronghel heeft de oude schrijnwerkerij uitgebouwd tot een nieuwe schrijnwerkerij : de BVBA SCHRIJNWERKERIJ ROBERT WITTEVRONGHEL. Deze nieuwe schrijnwerkerij bevindt zich gedeeltelijk op het perceel 132w2 en gedeeltelijk op het perceel 133a, dat door Verzoekende partij aan de BVBA SCHRIJNWERKERIJ ROBERT WITTEVRONGHEL in vruchtgebruik ter beschikking wordt gesteld. Op het perceel 133a bevinden zich twee loodsen die als opslagplaats dienen voor het te verwerken hout. Deze opslagplaatsen maken een essentieel onderdeel uit van de exploitatie van de schrijnwerkerij. In de uitbatingsvergunning waarover de heer Robert Wittevronghel beschikt, zijn deze twee loodsen ook expliciet (verbaal en door aanduiding op het plan in bijlage bij de vergunning) aangeduid (...). Wanneer de inneming op perceel 133a zoals voorzien in het definitief goedgekeurde onteigeningsplan 'Pastoriestraat' wordt onteigend, verdwijnen de twee loodsen. Het verdwijnen van de twee loodsen zou de verdere exploitatie van de schrijnwerkerij onmogelijk maken : het bestaan van de betreffende onderneming BVBA SCHRIJNWERKERIJ ROBERT WITTEVRONGHEL komt bijgevolg in het gedrang. Zowel de zoon van Verzoekende partij, de heer Jean Paul Wittevronghel als haar echtgenoot zijn m.b.t. hun inkomen volledig afhankelijk van de schrijnwerkerij die door de onteigening in haar bestaan wordt bedreigd. 5. De huidige locatie van de schrijnwerkerij is zo belangrijk omdat het woonhuis van het gezin in de onmiddellijke nabijheid is gelegen. De in de schrijnwerkerij werkende gezinsleden kunnen bijgevolg het zeer drukke professioneel leven van een zelfstandig vakman combineren met een minimum gezinsleven, wat essentieel is in het leven van Verzoekende partij"; Overwegende dat de rechtsonzekerheid waarop de verzoekende partij zich beroept, met name dat zij niet weet wat nu uiteindelijk het resultaat zal zijn van de procedure die is ingezet om tot onteigening van aan haar toebehorende eigendommen over te gaan, eigen is aan elke administratieve procedure die nog niet is beëindigd en waarin nog geen definitieve beslissing is tussengekomen; dat deze rechtsonzekerheid niet haar rechtstreekse oorzaak vindt in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen; dat inzoverre verzoekster zich erop beroept dat "wanneer de inneming op perceel 133a zoals voorzien in het definitief goedgekeurde onteigeningsplan 'Pastoriestraat' wordt onteigend, (...) de twee loodsen (verdwijnen)", hetgeen "de verdere exploitatie van de schrijnwerkerij onmogelijk (zou) maken : het bestaan van de betreffende onderneming BVBA X-11.728-5/7 SCHRIJNWERKERIJ ROBERT WITTEVRONGHEL komt bijgevolg in het gedrang", en dat het inkomen van zowel haar zoon als van haar echtgenoot hiervan volledig afhankelijk is, zij zich beroept op een nadeel dat zou kunnen worden berokkend, niet aan haarzelf, maar aan derden, met name de b.v.b.a. SCHRIJNWERKERIJ WITTEVRONGEL en haar echtgenoot en zoon; dat zodanig nadeel niet dienstig kan worden ingeroepen; dat dit nadeel bovendien -hoewel verzoekende partij zelf uitdrukkelijk stelt het nadeel van het verlies van haar eigendom niet aan te voeren- niet anders dan zijn oorsprong kan vinden in de dreiging van het verlies van deze eigendom; dat de vereiste machtiging tot onteigening door de ter zake bevoegde overheid nog niet is verleend; dat niet met zekerheid blijkt dat dit ook het geval zal zijn; dat bovendien de verzoekende partij pas uit haar eigendom zal worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan; dat de vrederechter die onteigening slechts kan uitspreken en de provisionele vergoeding slechts kan bepalen nadat hij het nog niet eens verleende machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst; dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 51/95 van 22 juni 1995 en in zijn eerdere arresten waarnaar het in dat arrest verwijst, de wettigheidscontrole van de burgerlijke rechter evenwaardig heeft bevonden aan de controle die de Raad van State kan doen; dat de verzoekende partij de wettigheidsbezwaren die zij thans aanvoert, nog zal kunnen doen gelden voor de vrederechter, dat deze er uitspraak over zal moeten doen en dat, indien zij gegrond worden bevonden, het risico van het verlies van haar eigendom alsnog afgewend zal kunnen worden; dat hetzelfde geldt voor de argumentatie van de verzoekende partij met betrekking tot het "minimum gezinsleven" waarnaar zij verwijst; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij geen afdoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-11.728-6/7 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf augustus 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-11.728-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.191 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div