← België

Arrest 148198 - - 12/08/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.198 Rolnummer: A. 81051/X-8528 Zaak: Arrest 148198 - - 12/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 22:51 Fiche Arrest nr 148.198 van 12 augustus 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 148.198 van 12 augustus 2005 in de zaak A. 81.051/X-8528. In zake : d e n. v. I M M O B I L I E N V E N N O O T S CHAP VOOR VERKAVELINGEN (LOTINVEST), die woonplaats kiest bij Advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Woutersstraat 32/7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. IMMOBILIEN VENNOOTSCHAP VOOR VERKAVELINGEN (LOTINVEST) op 10 november 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het besluit van 23 juni 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud- Heverlee, Rotselaar en Tervuren, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 september 1998 ("Kareelveld"); 2. het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven in Leuven-Heverlee, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 1998 ("Termunkveld"); 3. het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven te Leuven, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 1998 ("Parkveld"); Gezien de regelmatig gewisselde memorie van antwoord en van wederantwoord; X-8528-1/18 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 27 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat M. VAN BEVER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij eigenares is van gronden gelegen te Leuven, ter plaatse genaamd "Kareelveld" en "De Biest", kadastraal bekend Sectie I, nrs. 29 L, 19 D en 21 A, en van gronden, gelegen langsheen de autosnelweg A2 Leuven-Lummen, ter plaatse genaamd "Roeselbergdal", kadastraal bekend Sectie D, nrs. 389 W, 390 H en 390 K3; dat de betrokken gronden volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven zijn gelegen in respectievelijk woonuitbreidingsgebied en woonuitbreidingsgebied met bufferzone; dat de Vlaamse regering bij besluit van 27 mei 1997 haar besluit van 1 juni 1995 houdende vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Leuven, waarbij de gronden van verzoekende partijen tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied werden bestemd, heeft ingetrokken; dat zij bij besluit van dezelfde datum het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, X-8528-2/18 Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, voorlopig heeft vastgesteld; dat de gronden van de verzoekende partij in dit ontwerpplan worden bestemd tot respectievelijk landschappelijk waardevol agrarisch gebied en woonreservegebied met bufferzone; dat de Vlaamse regering met het eerste bestreden besluit het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, definitief heeft vastgesteld; dat de gronden van de verzoekende partij hierin worden bestemd tot respectievelijk landschappelijk waardevol agrarisch gebied en woonreservegebied met bufferzone; dat de Vlaamse regering met afzonderlijke besluiten van 27 mei 1997 eveneens het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven voor een gedeelte van het grondgebied van de stad Leuven te Heverlee, en voor een gedeelte van het grondgebied van de stad Leuven heeft vastgesteld; dat de Vlaamse regering bij het tweede en derde bestreden besluit van 23 juli 1998 het "plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven in Leuven-Heverlee", en het "plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven te Leuven", definitief heeft vastgesteld; dat ingevolge het tweede bestreden besluit het gebied ter plaatse genaamd "Termunckveld" (Kaartblad 32/2) wordt bestemd deels tot "researchpark" en deels tot "bufferzone"; dat ingevolge het derde bestreden besluit het gebied, ter plaatse genaamd "Parkveld", wordt bestemd deels tot "regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter", deels tot "bufferzone" en deels tot "agrarisch gebied"; Overwegende dat de verzoekende partij doet gelden dat er tussen de drie aangevochten besluiten van de Vlaamse regering een samenhang bestaat zodat zij, niettegenstaande dat het tweede en derde besluit geen betrekking hebben op haar eigendom, toch het rechtens vereiste belang heeft om de nietigverklaring van deze besluiten te vorderen; dat de verzoekende partij haar betoog verduidelijkt als volgt : "Meerdere vorderingen kunnen slechts ontvankelijk als een enkele rechtszaak aanhangig worden gemaakt indien bij uitzondering de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd, meer bepaald indien vorderingen, wat hun voorwerp of wat hun grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot een vordering een weerslag zullen hebben op de uitkomst van een andere (...). Beide vorderingen vertonen terzake zowel wat hun voorwerp als wat hun grondslag betreft een nauwe samenhang. De verschillende besluiten voeren immers gewestplanwijzigingen door van het gewestplan Leuven. Uit het feitenrelaas blijkt reeds dat de met de bestreden besluiten beoogde gewestplanwijzigingen aan elkaar gekoppeld zijn (zie ook eerste middel). De gewestplanwijziging van het gewestplan Leuven met betrekking tot het Kareelveld geldt duidelijk enkel als pasmunt voor de gewestplanwijziging van X-8528-3/18 het Termunckveld. Uit de opmaakprocedure van de gewestplanwijziging, versie 1995, blijkt immers dat het hier om een loutere ruiloperatie gaat, waarbij het verlies aan open ruimte aan Termunckveld wordt gecompenseerd met de creatie van 'open ruimte' aan het Kareelveld. Waar in de gewestplanwijziging, die beoogd werd met het ingetrokken besluit van 1 juni 1995, de verschillende gewestplanwijzigingen echter in één en dezelfde procedure geschiedde, heeft de Vlaamse regering thans om onduidelijke redenen de geplande gewestplanwijzigingen gesplitst. Blijkbaar wou de Vlaamse regering aldus voorkomen dat verzoekende partij thans net zoals in de procedure met betrekking tot de gewestplanwijziging, versie 1995, zou opwerpen dat de gewestplanwijziging van het Kareelveld dient als pasmunt voor de gewestplanwijziging van het Termunckveld. Dezelfde redenering kan aangehouden worden voor het 'Parkveld'. Ook hier wordt open ruimte ingeleverd en gecompenseerd door de creatie van 'open ruimte' aan het Kareelveld. Uit het antwoord van de Regionale Commissie van Advies op de bezwaarschriften en de adviezen blijkt trouwens dat de verschillende gewestplanwijzigingen één geheel vormen. De Regionale Commissie van Advies stelt : 'De opsplitsing van de verschillende gewestplannen voor het grondgebied Leuven is inderdaad vanuit een juridische opportuniteit gebeurd. Gelet evenwel op de quasi gelijktijdigheid van de verschillende lopende procedures, is het toch mogelijk zich een globaal beeld te vormen. Enke(

  1. l)procedureel zijn de gewestplannen opgesplitst.' (...). De drie bestreden besluiten betreffen overigens steeds (o.m.) het kaartblad 32/2 en beogen een regularisatie van een eerdere niet gesplitste gewes(t)planwijziging van 1995. (...) 1. Hoewel de met het tweede en derde bestreden besluit doorgevoerde gewestplanwijzigingen geen betrekking hebben op de eigendom van verzoekende partij, heeft verzoekende partij toch het rechtens vereiste belang om eveneens de nietigverklaring van deze besluiten te vorderen. Verzoekende partij heeft belang bij het aanvechten van de drie bestreden besluiten, die alle drie het gewestplan Leuven betreffen, omdat zij getroffen wordt in haar eigendom, enerzijds ten gevolge van de herbestemming van haar eigendom, anderzijds ten gevolge van de nieuwe bestemming van andere gronden die niet mogelijk ware geweest zonder herbestemming van haar eigendom, zodat ook de nieuwe bestemming van andere gronden een weerslag heeft op haar rechtstoestand. Zoals reeds aangetoond sub II. bestaat er immers tussen de verschillende aangevochten besluiten samenhang. 2. Gelet op deze samenhang, heeft verzoekende partij uiteraard het rechtens vereiste belang bij het aanvechten van de verschillende besluiten, hetgeen eens te meer zal blijken uit de middelen."; Overwegende dat de verwerende partij de samenhang betwist als volgt : "- Verzoekster stelt hieromtrent dat de vorderingen zo nauw samenhangen dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot een vordering een weerslag zullen hebben op de uitkomst van een andere. De samenhang wordt door verzoekster als volgt gemotiveerd : 'De verschillende besluiten voeren immers gewestplanwijzigingen door van het gewestplan Leuven. Uit het feitenrelaas blijkt reeds dat de met de bestreden besluiten beoogde gewestplanwijzigingen aan elkaar gekoppeld zijn... De gewestplanwijziging van X-8528-4/18 het gewestplan Leuven met betrekking tot het Kareelveld geldt duidelijk enkel als pasmunt voor de gewestplanwijziging van het Termunckveld.' - Concluante is van oordeel dat dit in casu niet het geval is : de beslissing van Uw Raad in verband met de ene beslissing heeft geen invloed op de andere beslissing, in die zin dat er geen risico is dat men tot tegenstrijdige beslissingen komt. Verder zal worden aangetoond dat er geen sprake is van een koppeling tussen de gewestplanwijzigingen, in die zin dat de gewestplanwijziging met betrekking tot het Kareelveld zou gelden als pasmunt voor de gewestplanwijziging van het Termunckveld. (...) In casu dient vastgesteld te worden dat het gaat om 3 aparte besluiten die ieder een apart uitwerkingsveld hebben. Het is inderdaad correct dat er een inhoudelijke samenhang is tussen de verschillende besluiten van de Vlaamse regering over het gewestplan Leuven (in totaal 4), alleen al door het feit dat ze op hetzelfde gewestplan slaan. Voorts is er in de mate van het mogelijke ook een beleidsmatige samenhang nagestreefd, onder meer door een toetsing van de voorstellen aan de opties van het (ontwerp-) Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Daaruit kan echter niet besloten worden dat de wijziging ter hoogte van het Kareelveld een compensatie is voor de wijzigingen Parkveld en Termunckveld. In het geval van Parckveld en Termunck betreft het een wijziging van agrarisch gebied naar respectievelijk regionaal bedrijventerrein en researchpark. (...) * Ten eerste dient gesteld te worden dat de met het tweede en derde bestreden besluit doorgevoerde gewestplanwijziging(
  2. en)geen betrekking hebben op de eigendom van verzoekster, hetgeen trouwens door verzoekster zelf gesteld wordt. De Raad van State stelt zelf dat een verzoekende partij bij de schorsing of vernietiging van een gewestplan slechts belang heeft in de mate dat het gewestplan haar eigendom betreft. (...) In casu gaat het wel degelijk om een, van planologisch standpunt, isoleerbaar gebied : namelijk 'landschappelijk waardevol agrarisch gebied' evenals 'woonreservegebied met bufferzone' vormt een afgezonderd bestemmingsgebied met eigen bestemmingsvoorschriften. De vernietiging van deze wijzigende bestemmingsvoorschriften heeft zodoende niet tot gevolg de overige bestemmingswijzigingen in het gedrang te brengen. Indien Uw Raad zou oordelen dat huidig verzoekster belang heeft bij het aanvechten van het tweede en derde bestreden besluit, dan zou dit tot gevolg hebben dat iedere inwoner of eigenaar van een perceel te Leuven over het vereiste belang zou beschikken om voormelde ministeriële besluiten te bestrijden. Uit het voorgaande volgt dat het beroep slechts ontvankelijk kan zijn in zover het bestreden besluit haar percelen grond tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied en woonreservegebied met bufferzone bestemt. * Ten tweede roept verzoekster in dat de bestemming van haar grond als compensatie dient voor de gewestplanwijziging van het Termunckveld, maar uit niets blijkt, dat, zo het Termunckveld een bestemming zou gekregen hebben die wel voorzien is in het KB van 28.12.72, de gronden van verzoekster geen landschappelijk waardevol agrarisch gebied enerzijds en woonreservegebied met bufferzone anderzijds zouden zijn geworden. Er zijn tal van redenen waarom de gronden van verzoekster voormelde bestemmingen dienden te verkrijgen. Verzoekster toont dus geenszins aan dat de bestemming van haar gronden noodzakelijkerwijze samenhangt met de bestemming van de gronden van het Termunckveld. X-8528-5/18 De nieuwe bestemming van andere gronden heeft geen weerslag op de rechtstoestand van verzoekster. De compensatie voor de creatie van Termunckveld, waar verzoekster op alludeert, kan niet bewezen worden. * Ten derde wordt verzoekster niet benadeeld door de gewestplanwijziging zelf. Een eventueel nadeel kan niet rechtstreeks voortvloeien uit de bestreden gewestplanherziening zelf, maar enkel uit later nog te nemen (en eventueel aan te vechten) beslissingen."; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in essentie dupliceert wat volgt : "6. De inhoudelijke samenhang, die de door de Vlaamse Regering erkend wordt, volgt niet uit een discretionaire beslissing maar volgt uit art. 7 § 3 van het decreet op de ruimtelijke planning juncto punt 5 van het richtinggevend gedeelte van het besluit van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen legt de verplichting op een ruimtelijk evenwicht tussen de verschillende gewestplanbestemmingen te bereiken. Het evenwicht moet gerealiseerd worden via gewestplanwijzigingen en wordt gemeten aan de hand van ruimtebalansen. Het ruimtelijk evenwicht is in casu gerealiseerd door de drie besluiten samen. Dit blijkt uit tabel 6 p. 31 van de toelichtingsnota. Er is voor de drie bestreden besluiten éénzelfde ruimtebalans opgesteld om te controleren of het ruimtelijk evenwicht tussen de verschillende bestemmingen bereikt is."; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog het volgende stelt : "3. Alhoewel verzoekende partij haar beroep ingediend heeft op 10 november 1998, werd eerst het beroep ingediend op 8 december 1998 in de zaak G/A 81.461/X-8586 door Uw Raad behandeld en werd het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven, deel van het kaartblad 32/2 vernietigd (...). Met de heer auditeur kan dus gezien het erga omnes karakter van de vernietigingsarresten van uw Raad vastgesteld worden dat het derde besluit reeds vernietigd werd wat betreft een 'deel van het kaartblad 32/2' (...). De rest van het besluit (dus buiten een 'deel van het kaartblad 32/2') derhalve het derde bestreden besluit is bijgevolg nog niet vernietigd en het annulatieberoep van verzoekende partij is dan ook niet zonder voorwerp. 4. Uit geen enkel gegeven uit het annulatieberoep of uit de memorie van wederantwoord kan worden afgeleid dat verzoekende partij (haar) beroep zou beperkt hebben tot een deel van één van de bestreden besluiten. Integendeel, verzoekende partij vraagt de integrale vernietiging van de drie bestreden besluiten. De uiteenzetting in het annulatieberoep en de memorie van antwoord over het belang en de samenhang tonen dit overduidelijk aan. 5. (...) De opsplitsing in drie afzonderlijke besluiten is er alleen gekomen als reactie op een eerdere vernietiging door Uw Raad. Dit wordt door de Regionale commissie bevestigd (zie memorie van (weder)antwoord (...) p. 3). Er is dus feitelijk maar één besluit, juridisch opgesplitst in drie. Het is voor verzoekende partij onduidelijk waarom het auditoraatsverslag dit als een merkwaardige X-8528-6/18 methode bestempelt, maar er niet de evidente gevolgtrekking van samenhang aan verbindt. Een tweede reden waarom er samenhang overduidelijk blijkt is dat volgens het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen er een ruimtelijke balans dient gemaakt te worden (memorie van wederantwoord, p. 4-5). Door de creatie van een researchpark (wijziging naar harde bestemming) werd een wijziging bouwgrond naar agrarisch gebied nodig (wijziging naar zachte bestemming). Er is dus wel degelijk aangetoond dat er een compensatie is doorgevoerd tussen de verschillende gebieden. Dit toont overduidelijk de samenhang aan tussen de drie besluiten en het belang van verzoekende partij bij de vernietiging van de drie bestreden besluiten. 6. Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat een eventuele, tot dat deel van het wijzigend plan beperkte vernietiging dat de eigendom of de omgeving ervan bezwaart, in rechte slechts denkbaar en derhalve toelaatbaar is, voor zover die vernietiging niet tot gevolg heeft de algemene economie van het plan aan te tasten (...). Hier is een balans uitgewerkt en zou de vernietiging van enkel (een deel van) het eerste besluit zoals de heer auditeur suggereert, leiden tot een onevenwicht aangezien er tegen de hierboven vermelde wijziging naar een harde bestemming geen compensatie naar een zachte bestemming volgt. Verzoekende partij heeft dus belang om ook de andere delen van het gewestplan die buiten haar eigendom vallen te laten vernietigen."; Overwegende dat bij arrest nr. 148.029 van 4 augustus 2005 het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijk wijziging van het gewestplan Leuven te Leuven-Heverlee ("Termunkveld"), werd vernietigd; dat het beroep wat het tweede bestreden besluit betreft zonder voorwerp is geworden; Overwegende dat bij arrest nr. 106.421 van 7 mei 2002 het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven te Leuven, ("Parkveld") werd vernietigd; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekende partij in haar laatste memorie aanvoert, dit besluit in zijn geheel is vernietigd; dat ook het beroep wat het derde bestreden besluit betreft alleszins zonder voorwerp is geworden; Overwegende dat verzoekende partij stelt eigenaar te zijn van gronden gelegen te Leuven, ter plaatse genaamd "Kareelveld" en "De Biest", kadastraal bekend Sectie I, nrs. 29 L, 19 D en 21 A, en langsheen de autosnelweg A2 Leuven-Lummen, ter plaatse genaamd "Roeselbergdal", kadastraal bekend sectie D, nrs. 389 W, 390 H en 390 K 3; dat de bestemming van deze gronden ingevolge het eerste bestreden besluit wordt gewijzigd van respectievelijk woonuitbreidingsgebied en woonuitbreidingsgebied met bufferzone in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en woonreservegebied met bufferzone; dat verzoekende partij doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van dat besluit in zover het haar eigendommen betreft; X-8528-7/18 Overwegende dat verzoekende partij eveneens de nietigverklaring vordert van het eerste bestreden besluit wat de overige gebiedsdelen betreft waarvan de bestemming wordt gewijzigd, dit vooreerst op grond van de argumentatie dat de doorgevoerde wijziging van het gewestplan Leuven in drie afzonderlijke besluiten volledig kunstmatig is; dat verzoekende partij niet verduidelijkt waarin voor haar de benadeling is gelegen die zij zou ondergaan doordat het gewestplan Leuven is herzien in drie afzonderlijke besluiten; dat zij hierdoor niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van het eerste bestreden besluit in zoverre dit niet haar eigendommen betreft; Overwegende dat verzoekende partij in tweede instantie argumenteert dat zij over het vereiste belang beschikt aangezien het door het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen opgelegde ruimtelijk evenwicht tussen de verschillende gewestplanbestemmingen in casu is gerealiseerd door de drie besluiten samen, zoals blijkt uit tabel 6 gevoegd bij de toelichtingsnota; Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, deel 2 : Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, V Ruimteboekhouding, 3. Ruimteboekhouding, bepaalt wat volgt : "In de ruimteboekhouding worden de kwantitatieve opties met betrekking tot wonen, werken, natuur, bos en landbouw in 2007 verrekend in toenames en afnames van de oppervlakten van bestemmingscategorieën. De kwantitatieve beleidsoptie met betrekking tot een functie wordt met andere woorden verdeeld over de bestemmingscategorieën die voor de betrokken functie momenteel van toepassing zijn. De kwantitatieve beleidsoptie met betrekking tot bos wordt zo verdeeld over de bestemmingscategorieën die momenteel voor bos van toepassing zijn: natuur- en reservaatgebied, bosgebied, bosuitbreidingsgebied en overige groene bestemmingen (groengebied, parkgebied, bufferzone)"; dat in de bijhorende tabel 7 de "oppervlakte gewestplanbestemmingen op de huidige gewestplannen en op de gewestplannen in 2007" wordt aangegeven voor respectievelijk wonen, industrie, recreatie, overige bestemmingen, landbouw, bosbouw, reservaat en natuur en overig groen; Overwegende vooreerst dat het aan de terzake bevoegde overheid toekomt, in geval van vernietiging van het bestreden besluit voor zover het de eigendommen van de verzoekende partij betreft, bij het opnieuw vaststellen van het plan erover te waken dat wordt voldaan aan de vereiste van de ruimteboekhouding zoals bepaald in het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, en hiervoor de passende maatregelen te treffen; dat de ruimteboekhouding overigens voor het ganse Vlaamse Gewest tegen het jaar 2007 X-8528-8/18 te bereiken kwantitatieve normen vastlegt, die niet noodzakelijkerwijze bij elke gewestplanwijziging afzonderlijk in proportionele mate dienen te worden verwezenlijkt; dat de "Tabel 6. ruimteboekhouding met toe- en afname van de oppervlakte voor iedere bestemmingsgroep" gevoegd bij de toelichtingsnota, waarnaar verzoekende partij verwijst, overigens niet in overeenstemming is met doelstellingen wat betreft de toe- en afnames van de oppervlakten van de bestemmingscategoriën vervat in voormelde tabel 7; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekende partij voorhoudt, de richtinggevende bepalingen betreffende de "Ruimteboekhouding" van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de bevoegde overheid niet ipso facto verplichten, in geval van vernietiging van de gewestplanherziening, wat betreft haar eigendommen dezelfde bestemming opnieuw vast te stellen; dat verzoekende partij niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van het eerste bestreden besluit in zoverre dit niet haar eigendommen betreft; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het verzoekschrift onontvankelijk is doordat het enkel is ondertekend door één vennoot van de advocatenassociatie die de verzoekende partij vertegenwoordigt, dat het verzoekschrift slechts ontvankelijk is indien het is ondertekend door alle samenstellende vennoten van de feitelijke associatie; Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de ondertekenings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid van Mr. Flamey binnen de advocatenassociatie GHYSELS FLAMEY EMPEREUR een onderlinge verhouding tussen vennoten betreft en niet de verhouding tussen lastgever en lasthebber, dat enkel vennoten belang hebben om de ondertekeningsbevoegdheid te betwisten, dat de onderlinge bevoegdheidsverdeling binnen een advocatenassociatie een zaak is van privaatrecht, die enkel de vennoten van de associatie aangaat, dat verwezen wordt naar de associatie-overeenkomst, die stelt dat "overeenkomstig het algemeen model van de associatieovereenkomsten (...) de bestuursleden in elk geval afzonderlijk (kunnen) optreden voor alle prestaties die verband houden met het beroep van advocaat" en naar artikel 1859 B.W.; Overwegende dat, zoals de verzoekende partij argumenteert, de ondertekenings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid binnen een advocatenkantoor de verhouding tussen vennoten betreft en niet tussen de lasthebber en de lastgever; dat de onderlinge bevoegdheidsverdeling binnen een advocatenassociatie een zaak is van privaatrecht, die enkel de vennoten van de associatie aangaat; dat de exceptie X-8528-9/18 ten aanzien van de ondertekening van het verzoekschrift niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel onder meer uiteenzet wat volgt : "Schending van de artikelen 3, § 1 en 84, eerste lid, 2/ van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, Doordat, eerste onderdeel, het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State gegeven werd met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/ van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, Terwijl, op grond van artikel 84, eerste lid, 2/ van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State het onderzoek van de zaken plaatsvindt in de volgorde van de inschrijving ervan op de rol, uitgezonderd wanneer, 'in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed', de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies wordt meegedeeld 'binnen een termijn van ten hoogste drie dagen'; dat de raadpleging van de afdeling Wetgeving van de Raad van State een substantieel vormvoorschrift, dat de openbare orde raakt, uitmaakt; dat de modaliteiten voorzien voor de nakoming van de raadpleging van de afdeling Wetgeving eveneens een substantieel karakter hebben (...); dat de in het bestreden besluit opgegeven motivering van de dringende noodzakelijkheid niet pertinent is; dat deze motivering als volgt luidt : 'Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de termijnen die moeten gerespecteerd worden in gevolge het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994, artikel 94 tot 105, waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling wordt vastgesteld op 240 dagen'; (...) dat een loutere verwijzing naar de termijnregeling ingevoerd door de artikelen 94 tot 105 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 evenmin de 'dringende noodzakelijkheid' kan motiveren; dat het verstrijken van de vervaltermijn voorzien in artikel 11, §§ 7 en 8 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996, op zich geen afdoende motivering vormt; dat terzake de Vlaamse regering gebruik had kunnen maken van de mogelijkheid voorzien in artikel 11, § 7, vierde lid van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996 om de termijn waarbinnen zij het plan dient vast te stellen te verlengen met een termijn van 60 dagen; dat alleszins de Vlaamse regering bij toepassing van artikel 84, eerste lid, 1/ van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State had kunnen vragen dat het advies van de afdeling Wetgeving binnen een termijn van ten hoogste één maand zou worden meegedeeld; dat de opgegeven motivering bovendien niet steunt op concrete en preciese gegevens, doch zich beperkt tot een verwijzing naar de termijnregeling van artikel 11 van het Stedenbouwdecreet; Zodat, de Vlaamse regering, door een beroep te doen op artikel 84, eerste lid, 2/ van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, zonder dat het spoedeisend karakter van deze vraag om advies bij toepassing van dit artikel met bijzondere redenen omkleed is, de in het middel aangehaalde beginselen en bepalingen schendt."; X-8528-10/18 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende repliceert : "Ten eerste dient gesteld te worden dat de Raad van State reeds meermaals erop gewezen heeft (...) dat, in de mate dat een ontwerpplan enkel toepassing maakt van de voorschriften die zijn vervat in het koninklijk besluit van 28 december 1972 dat reeds aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd onderworpen, deze voorschriften niet opnieuw aan het advies van de afdeling wetgeving moeten worden onderworpen. 'Uit de parlementaire voorbereiding van de stede(n)bouwwet blijkt dat koninklijke besluiten die de streekplannen bindende kracht verlenen, aan de afdeling wetgeving moeten voorgelegd worden. Het KB van 28.12.72, dat de algemene regels bevat mbt de bestemming van de verschillende soorten gebieden, werd aan die formaliteit onderworpen. De voorschriften van een gewestplan, die alleen die algemene regels toepassen op welbepaalde percelen, moeten niet meer voor advies aan de RvSt voorgelegd worden.' Aangezien een deel van de eigendom van verzoekster thans gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, heeft ze geen belang bij het inroepen van dit middel voor wat betreft die gronden (Kareelveld). De bestemming van haar eigen grond, nl. landschappelijk waardevol agrarisch gebied, is nl. niet vreemd aan de bestemmingen voorzien in het KB van 28.12.72 (zie immers de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1) en moest in principe dus niet onderworpen worden aan het advies van de Raad van State. Eerste onderdeel (...) De Vlaamse regering moest het gewestplan Leuven definitief vaststellen uiterlijk op 23 juni 1998, de vervaldag voor deze gewestplanwijziging. Het is inderdaad zo dat volgens artikel 11 §8 de sanctie voor niet-tijdige vaststelling van het gewestplan het verval is van het ontwerp-gewestplan. Bovendien is het feit dat de Vlaamse regering 'meer dan een maand zou gewacht hebben om het advies van de Raad van State te vragen' nadat zij het dossier onderzocht heeft, het logische gevolg van het feit dat de regering slechts het advies kan vragen nadat zij het dossier volledig onderzocht heeft, zodat zij de draagwijdte van de door haar te nemen beslissing kan inschatten. Er wordt met andere woorden een 'volledig' dossier aan de Raad van State voorgelegd. Dat hiervoor een maand nodig was, is volkomen begrijpelijk gelet op het feit dat het in casu om tientallen bestemmingswijzigingen in veertien gemeenten gaat, waarbij meer dan zeshonderd bezwaren zijn ingediend. Deze vaststelling volstaat om te besluiten tot hoogdringendheid in de zin van artikel 84 RvSt-wet. 'Het begrip hoogdringendheid is niet gebonden aan een uitzonderings- of crisistoestand; er bestaat hoogdringendheid wanneer een vertraging de nuttige gevolgen van het betrokken ontwerp in gevaar kan brengen.' (...). In casu is dit het geval. - Als men het advies van de Raad van State dd. 11.06.98 er op naleest, ziet men trouwens dat de Raad van State zelf niet geoordeeld heeft dat de spoedeisendheid onvoldoende gemotiveerd was. Ze stelt namelijk het volgende : 'De in de aanhef op te nemen motivering zal derhalve beter moeten worden afgestemd op die van de adviesaanvraag. Daartoe wordt het zestiende lid van de aanhef beter vervangen door de twee afzonderlijke leden, te stellen als volgt : 'Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat ... (letterlijk de in de adviesaanvraag weergegeven motivering overnemen)...' X-8528-11/18 In de uitoefening van haar preventieve controle op de wettigheid van de haar voorgelegde ontwerpen van verordening, dient ook de afdeling wetgeving de voor het spoedonderzoek aangevoerde redenen te beoordelen. Als de afdeling wetgeving van oordeel is dat het beroep op de spoedprocedure niet gemotiveerd, niet regelmatig gemotiveerd of niet wettelijk verantwoord is, stelt zij een gebrek vast dat de adviesaanvragende overheid onmogelijk nog kan verhelpen, gelet op de verplichting om de opgegeven motivering zonder meer in de aanhef van de ontworpen verordening op te nemen, wat een verder onderzoek van het ontwerp door de afdeling wetgeving overbodig maakt. In gevallen waarin kan worden getwijfeld aan de deugdelijkheid van de in de adviesaanvraag vermelde motieven, zal de afdeling wetgeving doorgaans niet tot de onontvankelijkheid van de aanvraag besluiten, doch zal zij niettemin de adviesvragende overheid erop attent kunnen maken welke de mogelijke gevolgen zijn van een ontoereikende motivering. Opmerking : er wordt in het advies vermeld : 'Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot 'het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan'. De afdeling wetgeving beperkt het onderzoek van de spoedeisende adviesaanvragen niet altijd tot de drie in artikel 84, tweede lid, RvSt-wet, opgesomde aangelegenheden. Zij zal in die gevallen ook andere opmerkingen formuleren dan die welke betrekking hebben op de materies bedoeld in artikel 84, tweede lid, RvSt-wet, ... In voorkomend geval zal zulks in het advies worden aangegeven door erop te wijzen dat het onderzoek van de ontwerptekst 'in hoofdzaak' beperkt is gebleven tot de drie in artikel 84 RvSt-wet vermelde aangelegenheden, hetgeen in casu aldus het geval is. (...)"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dupliceert wat volgt: " 30. Vooreerst moet opgemerkt worden dat de adviesverlening van de Raad van State sinds de grondswetswijziging van 16 juli 1993 opgenomen is in artikel 160 van de Grondwet. De Grondwetgever heeft hiermee het belang van de adviesverlening van de Raad van State in de huidige constitutionele context erkend (...). De inschrijving van de consultatieve rol van de Raad van State in de Grondwet spruit voort uit de zorg van de constituante om het principe van de recht(s)staat te waarborgen en de legistieke kwalit(ei)t van de teksten en daarmee de rechtszekerheid te garanderen (...). Het ingeroepen middel raakt derhalve de openbare orde en moet bijgevolg zelfs ambtshalve opgeworpen worden. Niet alleen de adviesverlening zelf maar ook de modaliteiten van adviesverlening behoren tot de openbare orde. Deze modaliteiten zijn immers niet louter organisatorische regels. Het spoedadvies binnen de drie dagen beperkt immers de mogelijkheid tot controle van het reglementair besluit op haar wettigheid en brengt daarmee haar legisitieke kwaliteit in het gedrang (...). De overtreding van een rechtsregel van openbare orde levert op zichzelf reeds voldoende belang op om de vernietiging van de beslissing te rechtvaardigen, voorzover verzoeker ten opzichte het beroep zelf zijn belang aantoont (...). Het beroep tot nietigverklaring is immers een objectief contentieux, dit wil zeggen dat het beroep niet de persoonlijke individuele rechten van de verzoeker X-8528-12/18 als voorwerp heeft, maar wel de administratieve rechtshandeling op zichzelf getoetst aan de wettigheid (...). Ook VEKEMAN bevestigt dat, indien het belang van verzoeker bij de vordering tot vernietiging zelf vaststaat, bij een middel van openbare orde, de wettelijkheid, los van de belangen van de partijen moet beoordeeld worden (...). 31. In casu volgt het belang bij de vernietiging van het besluit als geheel uit de juridische samenhang tussen de verschillende bestemmingswijzigingen. Eens dit belang aangetoond is, hoeft, gezien het openbare orde-karakter van onderhavig middel, het belang bij het middel niet meer aangetoond te worden. De samenhang tussen de verschillende gewestplanwijzigingen staat juridisch vast. Zij volgt uit punt 5 van het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan. De Vlaamse Regering kan van het richtinggevend gedeelte niet afwijken tenzij om welbepaalde limitatief in het decreet opgesomde redenen. In de bestreden besluiten is zij niet afgeweken van het richtinggevend gedeelte, wat o.a. blijkt uit tabel 6, p.31 van de toelichtingsnota bij de bestreden besluiten. Krachtens het ruimtelijk strucuurplan heeft zij een ruimteboekhouding bijgehouden aan de hand van een ruimtebalans. Dit betekent dat wanneer de planningmakende overheid de bestemming van een gebied wijzigt, zij het ruimtelijk evenwicht zal herstellen door aan een ander gebied de oorspronkelijke bestemming van het gewijzigde gebied te geven. In casu is dit gebeurd met het Universiteitspark Termunckveld dat wel een aanvullend voorschrift is bij het gewestplan Leuven. Zonder de bestemmingswijziging van voormeld perceel zou de bestemming van het perceel van verzoeker nooit gewijzigd zijn. Teneinde zijn belang als eigenaar te verdedigen dient verzoeker ook de andere bestemmingen aan te vechten precies omwille van de nauwe onderlinge samenhang van de verschillende wijzigingen. 32. Het middel is bovendien niet alleen ontvankelijk, maar ook gegrond. 33. De Vlaamse Regering heeft een advies bij spoedeisendheid gevraagd bij toepassing van art. 84, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De ingeroepen spoedeisendheid dient met bijzondere redenen omkleed te zijn. De ingeroepen hoogdringendheid moet stroken met de feiten. Zij moet pertinent zijn en mag niet veroorzaakt worden door het gedrag van de overheid zelf (...). 34. De in het besluit opgegeven motivering is niet pertinent omdat de noodzaak van de spoedeisendheid volgt uit het gedrag van de overheid zelf (...). De overheid heeft na de adviezen van de Regionale Commissie van Advies dd. 23 maart, dd. 30 maart en 22 april 1998 meer dan één maand gewacht (...) met het verzoek tot adviesverlening. Indien de Vlaams Regering desondanks te weinig tijd had om nog een niet-spoedeisend advies te vragen, dan had zij bij toepassing van art. 11 §7, vierde lid van het Stedenbouwdecreet de termijn kunnen verlengen. Dat verlenging geen probleem kon zijn, moge blijken uit het feit dat tussen de definitieve vaststelling (13 juni 1998) en de publicatie van het besluit in het Belgische Staatsblad (9 september 1998) meer dan drie maanden zijn verlopen. Getalm met de publicatie is een indicatie voor de afwezigheid van feitelijke urgentie (...). De door de Regering voorgewende spoedeisendheid was niet aanwezig. Zij kon de vervaltermijn immers vermijden door een verlenging met 60 dagen."; Overwegende, wat de opgeworpen exceptie van belang betreft bij het middel, dat de Raad van State zijn adviesverlenende taak ontleent aan artikel 160 van de Grondwet; dat in zoverre de raadpleging van de Raad van State betrekking X-8528-13/18 heeft op het onderzoek van wetgevende en verordenende teksten, die raadpleging voortvloeit uit het streven van de grondwetgever om de eerbiediging van de rechtsstaat en de kwaliteit van die teksten uit wetgevingstechnisch en formeel oogpunt te waarborgen, en bijgevolg ook de rechtszekerheid; dat de raadpleging van de afdeling wetgeving, zoals ze is geregeld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter uitvoering van de Grondwet, als dusdanig een pleegvorm is die van openbare orde en derhalve substantieel is; dat de nadere regels waarin is voorzien met het oog op de regelmatige afhandeling van die raadpleging, eveneens van die aard zijn en niet uitsluitend bedoeld zijn om een goede organisatie van de werkzaamheden van de Raad van State te garanderen; dat daaruit voortvloeit dat wanneer de wet de bevoegde overheid toestaat om onder bepaalde voorwaarden na te laten de afdeling wetgeving te raadplegen of om haar volgens een versnelde rechtspleging om advies te verzoeken, die voorwaarden op restrictieve wijze dienen te worden geïnterpreteerd; dat elke onregelmatigheid in dat verband zo nodig ambtshalve dient te worden opgeworpen; dat aangezien de verwerende partij het eerste bestreden besluit, in zijn geheel, aan het spoedadvies van de afdeling wetgeving heeft onderworpen, de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat, artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt : "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; Overwegende dat artikel 84, eerste lid, van die wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer, "wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4"; dat in dit geval de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, moet worden overgenomen in de aanhef van de verordening; Overwegende dat het in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toekomt te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de "bijzondere redenen" die in de bij haar ingediende adviesaanvraag X-8528-14/18 worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, met toepassing van meervermeld artikel 84, eerste lid, er in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet op kan beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig heeft voorgelicht omtrent de "bijzondere redenen" die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht; dat in dat geval de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 10 juni 1998 door de Vlaamse minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening werd verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering "houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren"; dat de Vlaamse regering, ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan motiveert als volgt "de hoogdringendheid wordt ingegeven door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22.12.1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (art. 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling door de Vlaamse regering wordt vastgesteld op 240 dagen"; dat in de motivering in de aanhef van het aan de Raad van State voorgelegde ontwerp van besluit enkel gewag wordt gemaakt van de omstandigheid dat “voor de definitieve vaststelling van gewestplannen een vervaltermijn geldt die voor de voorliggende gewestplanwijziging verstrijkt op 23 juni 1998"; dat in de motivering in de aanhef van het aan de Raad van State voorgelegde ontwerp van besluit enkel gewag wordt gemaakt van de omstandigheid dat "voor de definitieve vaststelling van gewestplannen een vervaltermijn geldt die voor de voorliggende gewestplanwijziging verstrijkt op 23 juni 1998"; dat de afdeling wetgeving op 11 juni 1998 advies heeft uitgebracht; dat het advies vermeldt :"Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in X-8528-15/18 hoofdzaak beperkt tot 'het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan."; Overwegende dat bij nader toezien de Vlaamse regering voor de verantwoording van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag zich bezwaarlijk kan beroepen op artikel 11, § 7, van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, ingevoegd bij voormeld decreet van 22 december 1993; dat naar luid van dat artikel de Vlaamse regering op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan moet vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek -of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek-, en zij deze termijn van 180 dagen -of, anders berekend, 240 dagen- met 60 dagen kan verlengen; dat de gegeven verantwoording voorts steunt op het verstrijken van de genoemde termijn op 23 juni 1998; dat derhalve de verantwoording van het spoedeisend karakter is gelegen in het verstrijken van de termijn van 180 (= 240) dagen; dat de verantwoording niet gewaagt van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden; Overwegende dat in een geval als het voorliggende, met name in het geval dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, niet valt in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen; dat het advies dat reeds daags na de aanvraag werd uitgebracht terzake zich trouwens ertoe beperkt akte te nemen van de redenen van de spoed; dat, aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de verstrekte verantwoording berust, zij, in de uiterst korte tijd die haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet hoeft na te gaan in het arsenaal van de vigerende teksten of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd; dat het middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: X-8528-16/18 Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 23 juni 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 september 1998, in zover de percelen betreft gelegen te Leuven, ter plaatse genaamd "Kareelveld" en "De Biest" kadastraal bekend Sectie I, nrs. 29 L, 19 D en 21 A, en ter plaatse genaamd "Roeselbergdal", kadastraal bekend Sectie D, nrs. 389 W, 390 H en 390 K3. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-8528-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf augustus 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-8528-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.198 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.