id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.314 Rolnummer: A. 164846/VII-34455 Zaak: Arrest 148314 - - 24/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 22:54 Fiche Arrest nr 148.314 van 24 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.314 van 24 augustus 2005 in de zaak A. 164.846/VII-34.455 In zake : Sefer SULIMANOVSKI, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sefer SULIMANOVSKI, van Macedonische nationaliteit, op 3 augustus 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Justitie waarbij de uitlevering van verzoeker aan de Republiek Macedonië wordt toegestaan; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 23 augustus 2005, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. VANDENBOSCHE, die, loco advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. DERVAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; VII-34.455-1/7 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten: Verzoeker is op 10 augustus 1993 in België binnengekomen en van 18 augustus 1993 tot 18 augustus 1994 werd hem het statuut van ontheemde verleend. Op 13 december 1999 vraagt verzoeker het statuut van vluchteling. Op 24 mei 2000 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Op 22 januari 2002 werd verzoeker volgens zijn verklaringen gemachtigd tot verblijf op het Belgisch grondgebied voor onbepaalde duur. Op datum van 25 december 1995 werd tegen verzoeker een bevel tot aanhouding uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in de districtsrechtbank te Skopje wegens moord, feit gepleegd op Macedonisch grondgebied op 26 augustus
- Bij brief van 21 april 2005 van de minister van Buitenlandse Zaken en de daar bijgevoegde nota van de Macedonische ambassade te Brussel werd de uitlevering gevraagd van verzoeker. Op 5 juli 2005 werd door de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent volgend advies uitgebracht: "overwegende dat de hem ten laste gelegde feiten zowel in België als in Macedonië strafbaar gesteld zijn met een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste een jaar of met een zwaardere straf (artikelen 1§2 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 en 2.1 van het Europees Verdrag van 13 december 1957 betreffende uitlevering). Overwegende daarenboven dat Sulimanovski het niet aannemelijk maakt dat indien hij uitgeleverd wordt aan Macedonië, dat een parlementaire democratie is, zijn mensenrechten voorzien in art. 3,6 en 8 EVRM zouden geschonden worden. hij geeft geen enkel concreet gegeven daaromtrent aan. Het enkele feit dat hij uitgeleverd wordt, betekent op zich geenszins dat zijn gezinsleven ernstig gestoord wordt gelet op het vrij verkeer van personen met Macedonië. De vraag of er ten gronde voldoende bezwaren bestaan hoeft door de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet onderzocht te worden. Op grond van deze overwegingen en de overwegingen uiteengezet in de hier vorenstaande schriftelijke vordering van de heer Procureur-generaal, die het Hof tot de zijne maakt, dient een gunstig advies verleend voor de uitlevering;". Bij besluit van 13 juli 2005 heeft de minister van Justitie de uitlevering van verzoeker aan de Macedonische regering toegestaan. Dit besluit, aan verzoeker betekend op 27 juli 2005, luidt als volgt: VII-34.455-2/7 "Gezien brief dd. 21.04.2005 van de Minister van Buitenlandse Zaken en de daarbijgevoegde nota van de ambassade van de Republiek Macedonië te Brussel waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Macedonische onderdaan SULIMANOYSKI Sefer, geboren te Buzalko-Veles op
- 1975; Gezien de daarbij overgelegde stukken waaronder het bevel tot aanhouding dd. 25.12.1995 uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in de Districtsrechtbank te Skopje wegens moord, feit gepleegd op Macedonisch grondgebied op 26.08.1995; Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent op 05.07.2005; Gelet op het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957; Gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Macedonisch recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van voornoemd Uitleveringsverdrag; Overwegende dat de verjaring van de strafvordering noch naar Belgisch, noch naar Macedonisch recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken; Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan, Besluit Enig artikel. De uitlevering van SULIMANOVSKI Sefer wordt aan de regering van de Republiek Macedonië toegestaan wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd.". Dit is de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel inroept dat als volgt is gesteld: "Schending van artikelen 3 en 6 van het Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd door de wet van 13 mei 1955, en van artikelen 7 en 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei
- Verzoeker behoort tot de Albanese minderheid in Macedonië, die sedert 1991 het voorwerp uitmaakt van aanhoudende vervolging en intimidatie door de etnische Macedonische meerderheid en regering. Dat verzoeker in 1993 zijn land ontvlucht is wegens aanvallen op zijn fysieke en psychische integriteit door de Macedonische overheid. Hij werd door de Dienst Vreemdelingenzaken derhalve in het bezit gesteld van het ontheemde-statuut. VII-34.455-3/7 Dat de etnische spanningen tussen de etnische Albanezen en de Macedonische meerderheidsbevolking blijven aanhouden. De etnische Albanezen worden nog steeds gediscrimineerd en zijn er het slachtoffer van vooroordelen. Anno 2004 zijn zij nog steeds ondervertegenwoordigd in de ministeries, het leger en de politie. Een eerlijk proces is in Macedonië geenszins gegarandeerd. (cf. rapport van het U.S. Departement of State 'Macedonia Country Report on Human Rights Practices for 2004, dd. 28 februari 2005, section 1: respect for integrity of the Person, Including Freedom From: denial of fair public trial en Section 5: Discrimination Based on Race, Sex, Disability, Language, or S p ecia l S t a t u s , na t iona l/ r a cia l a nd et hnic minor it ies . http://www.state.gov/g/drl/rls/hrrpt/2004/41695.htm) Dat een staat die uitlevert of uitzet, kan, hoewel het zich zelf niet schuldig maakt aan een onmenselijke of vernederende behandeling of foltering, alsnog verantwoordelijk gesteld worden voor een schending van art. 3 EVRM en dit wegens de (politieke) situatie in het land waarheen uitgewezen of waaraan uitgeleverd wordt. (EHRM, Jabari v. Turkije, 11 juli 2000, Recueil/Reports, 2000, §38, http://www.coe.int) En dat de uitlevering of uitzetting een schending van art. 3 EVRM kan opleveren indien er ernstige en gerechtvaardigde redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling in het land waarheen hij wordt uitgezet of waaraan hij wordt uitgeleverd, aan foltering of mensonterende behandeling zal worden blootgesteld. ( Commissie, nr. 12122/86, 16 oktober 1990, Lukka v. Verenigd Koninkrijk, D&R, nr. 50, p. 273) Dat verweerder bij de beslissing tot toestaan van de uitlevering van verzoeker aan Macedonië hiermee geen rekening hield en zelfs niet onderzocht heeft of zijn uitlevering mogelijks een schending van artikel 3 EVRM zou kunnen inhouden. Dat hierdoor verzoekers recht op een eerlijk proces geschonden wordt, welke een schending van art. 6 EVRM behelst. Dat verzoekers uitlevering aan Macedonië als gevolg heeft hij terecht zal staan voor moord, welke hun onmogelijk kan gedaan hebben wegens het enkele feit dat hij gedurende die periode in België verbleef. Dat de Albanese origine van verzoeker de enige oorzaak is van het verzoek tot uitlevering. En dat marteling, foltering of mensonterende behandeling verzoeker staat te wachten, of minstens dient vermoed te worden dat het risico bestaat dat verzoeker omwille van zijn etnische origine en mede in acht genomen de huidige politieke situatie in Macedonië blootgesteld kan worden aan dergelijke behandeling. Uit recente persartikelen blijkt dat wegens folteringen in de Macedonische gevangenissen enkele gedetineerden werden gedood/vermoord. (cf. stuk 6, vertaling wordt later bijgevoegd)."; Overwegende dat artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.) naar luid waarvan bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld, enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op administratieve procedures waarbij uitspraak wordt gedaan over een verzoek tot uitlevering; dat de bepaling van artikel 3 van het E.V.R.M., volgens dewelke niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij uitlevering naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent in haar advies ook reeds heeft overwogen dat de verzoekende partij in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van VII-34.455-4/7 het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van voornoemde verdragsbepaling; dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting tot loutere affirmaties beperkt; dat bovendien uit de weigeringsbeslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 mei 2004 duidelijk blijkt dat verzoeker niet aantoont dat er in zijnen hoofde een gegronde vrees bestond voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat zulks, op vraag van de verwerende partij, nogmaals werd bevestigd in een brief van de commissaris-generaal van 30 juni 2005; dat het eerste middel niet ernstig is; 2.2.
- Overwegende dat in een tweede middel het volgende wordt aangevoerd: "Schending van artikel 8 van het Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd door de wet van 13 mei 1955, en schending van artikel 5 en 18 van het Verdrag van de Rechten van het Kind, ondertekend te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd door Decr.Vl.Gem.R. op 15 mei 1991, Decr.D.Gem.R. op 25 juni 1991, Decr.Fr.Gem.R. op 3 juli 1991, en de wet van 25 november
- Verzoeker heeft tijdens zijn verblijf in België een duurzame relatie aangegaan met de Belgische onderdane, mevrouw JIMENEZ PERALTA CARMEN SILVIA. Uit deze relatie heeft verzoeker en zijn levenspartner een dochtertje, SULIMANOVSKI CAITHY, van Belgische nationaliteit. Dat verzoeker wegens de beslissing tot uitlevering door verweerder genomen van zijn gezin gescheiden wordt. Dat dit een schending inhoudt van het recht op gezinsleven zoals voorzien in artikel 8 EVRM. Dat hieruit volgt dat de overheid dient na te gaan of de noodzaak om in een democratische samenleving de openbare orde, de veiligheid, enz... te beschermen door een maatregel van verwijdering uit het land, opweegt tegen het door art. 8 EVRM gewaarborgd familieleven (Raad van State, 22 oktober 1986, TVR, 1987, nr.44, p.27 ev). Dat verzoeker geen gevaar uitmaakt voor de Belgische samenleving en geïntegreerd is. Dat de Commissie voor Regularisatie dienaangaande op 4 december 2001 stelt: "le séjour de longue durée en Belgique du demendeur est établi. Le demandeur est arrivé en Belgique en 1993 et y est demeuré à titre principal et de manière continue ainsi que cela résulte notamment de ses activités dans le secteur horeca et plus spécialement de restaurants Grecs dans lesquelles il a travaillé depuis son arrivé ainsi que cela résulte des attestations concordantes déposées au dossier et de l'enquête sociale par la police de Wetteren". Dat de beslissing van verweerder als gevolg heeft dat verzoekers dochter voor onbepaalde tijd van haar vader zal gescheiden leven. Dat dit een schending is van artikel 5 en 18 IVRK die bepaalt dat de lidstaten de rechten, plichten, en de verantwoordelijkheden van de ouders eerbiedigen, en alles wat in de lidstaten hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Door te beslissing tot uitlevering van verzoeker aan Macedonië ontneemt verweerder verzoeker het recht om zijn ouderlijke verantwoordelijkheden uit te oefenen, maar tevens verzoekers dochter wordt het recht ontnomen van een vader te hebben die voor haar opvoeding instaat."; Overwegende dat de uitlevering, in het licht van artikel 8.2 van het E.V.R.M., een bij de wet voorziene toegelaten inmenging is van het openbaar gezag; dat, gelet op het zware misdrijf waarvan verzoeker wordt beschuldigd, die maatregel niet VII-34.455-5/7 onevenredig is; dat dit aspect van de zaak trouwens ook reeds in ogenschouw werd genomen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent; dat het tweede middel niet ernstig is; 2.2.
- Overwegende dat het derde middel als volgt luidt: "Schending van het algemeen rechtsbeginsel behoorlijk bestuur: namelijk schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het bestuur dient zijn beslissing op een zorgvuldige wijze voor te bereiden. De beslissing dient te stoelen op een correcte feitenvinding. Het bestuur dient zo nodig voldoende te informeren om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen. (MAST, A. ea, Overzicht van het Belgische administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002, 53-54) Dat verweerder heeft nagelaten te informeren welke de gezinssituatie is waarin verzoeker zich bevindt. Dat indien verweerder dit had gedaan, zij tot een andere beslissing zou zijn gekomen, die mogelijks de niet uitlevering van verzoeker tot gevolg zou gehad hebben. Dat tevens de verweerder nagelaten heeft zich te informeren naar het respecteren van de mensenrechten van de naar uitlevering verzoekende Staat. Indien verweerder dit had gedaan, deze tot de bevinding zou gekomen zijn dat het uitleveren van verzoeker naar Macedonië een gevaar zou inhouden voor schending van de mensenrechten."; Overwegende dar het derde middel niet meer is dan een samenvatting en herhaling van de vorige middelen; dat deze reeds niet ernstig werden bevonden;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-34.455-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig augustus tweeduizend en vijf, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-34.455-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div