← België

Arrest 148315 - - 24/08/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.315 Rolnummer: A. 165280/XIV-30312 Zaak: Arrest 148315 - - 24/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 22:55 Fiche Arrest nr 148.315 van 24 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.315 van 24 augustus 2005 in de zaak A. 165.280/VII-34.467 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat E. HOSTYN, kantoor houdende te 9000 GENT, Groot-Brittanniëlaan 151 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX van Marokkaanse nationaliteit, op 19 augustus 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken en van de burgemeester van de Stad Gent houdende verklaring omtrent de niet-ontvankelijkheid van de verblijfsaanvraag met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 22 juli 2005; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 23 augustus 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-34.467-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. BOSMANS, die, loco advocaat E. HOSTYN, verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij is op 12 augustus 2003 gehuwd met M. L.. Zij heeft een verzoek om machtiging tot verblijf ingediend in toepassing van artikel 10, 4/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  3. De verzoekende partij stelt dat zij zich, ingevolge echtelijke moeilijkheden, liet inschrijven in het vreemdelingenregister op het adres van haar schoonzus. 1.
  4. Op 22 juli 2005 oordeelde de verwerende partij dat de verblijfsaanvraag van de verzoekende partij niet ontvankelijk was omdat niet het bewijs was geleverd dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de Vreemdelingenwet waren vervuld. Op dezelfde datum ontving de verzoekende partij het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid afwijkt van het gemeen recht; dat ze de uitoefening van de rechten van verdediging, die nochtans de sluitsteen vormt van een billijk proces, tot een minimum herleidt; dat ze het lid van het auditoraat niet in de mogelijkheid stelt de zaak echt te onderzoeken, dat zij de beide VII-34.467-2/5 partijen het voordeel van het dubbel onderzoek van het verzoekschrift ontneemt en hen aldus belet om met kennis van zaken aan de administratieve rechter een doordachte uiteenzetting te geven; dat daarom het gebruik van die procedure uitzonderlijk moet blijven; Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid alleen kan worden toegestaan wanneer is voldaan aan de voorwaarde bepaald in artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die luidt: "Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen"; dat de vereiste uiteenzetting, wil ze deugdelijk zijn, het bewijs moet bevatten dat een gewone schorsingsprocedure de realisatie van het aangevoerde ernstig nadeel niet op doeltreffende wijze zal kunnen beletten en zulks rekening houdend met de door artikel 9, tweede lid, 6/ van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000 aan de betrokkene verleende mogelijkheid om hangende dat geding, volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen in te stellen, in welk geval de beide vorderingen dan overeenkomstig artikel 12 van hetzelfde besluit tezamen onderzocht worden; dat binnen het bestaande wettelijk kader, dat geen schorsende werking verleent aan de vordering tot schorsing; deze -in voorkomend geval samen toe te passen- reglementaire bepalingen aan een verzoekende partij een zo volledig mogelijke rechtsbescherming verleent; dat het vereiste dat artikel 8, § 1, eerste lid, van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000 strikt nageleefd moet worden, des te minder als een onaanvaardbare beperking van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming kan worden gezien, daar de verwerping van een vordering tot schorsing om de loutere reden dat de aangevoerde dringende noodzakelijkheid niet aangetoond is, de verzoekende partij niet belet een vordering tot schorsing van dezelfde beslissing in te dienen volgens de gewone procedure en later, in voorkomend geval, gebruik te maken van het mechanisme bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Overwegende dat de verwerende partij niet systematisch blijkt na te gaan of de afgegeven bevelen om het grondgebied te verlaten daadwerkelijk worden uitgevoerd, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin er een dwangmaatregel aan wordt gekoppeld met het oog op de repatriëring; dat in die omstandigheden de loutere verwijzing naar het afgegeven bevel om het grondgebied te verlaten niet volstaat om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen; VII-34.467-3/5 Overwegende dat de verzoekende partij ter adstructie van haar vordering de uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt toelicht: "Verzoekster kreeg op 22 juli 2005 het bevel om het grondgebied te verlaten tegen uiterlijk 26 juli
  6. Om hoger genoemde redenen heeft verzoekster dit bevel niet opgevolgd waardoor zij thans gevaar loopt, onverminderd de rechtsvervolging overeenkomstig art. 75 van de Wet van 15 december 1980, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten. Verzoekster verkeert momenteel in grote onzekerheid betreffende haar verder verblijf in België. Huidige situatie is onhoudbaar geworden."; Overwegende dat, in het onderhavige geval, de verzoekende partij niet aanvoert dat tegen haar een dwangmaatregel is uitgevaardigd met het oog op haar repatriëring; dat de loutere vrees dat de bestreden beslissing op ieder ogenblik uitgevoerd kan worden het bewijs niet bevat dat over een schorsing van het bevel om het grondgebied te verlaten volgens de gewone procedure slechts uitspraak zal worden gedaan nadat de verzoekende partij daadwerkelijk verwijderd is; dat, bovendien, de verantwoording die de verzoekende partij geeft voor de uiterst dringende noodzakelijkheid, grotendeels samenvalt met haar betoog over het nadeel dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar zou berokken; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet bewezen is, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig augustus tweeduizend en vijf, door VII-34.467-4/5 de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-34.467-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.315 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.