← België

Arrest 148376 - - 26/08/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.376 Rolnummer: A. 165358/VII-34481 Zaak: Arrest 148376 - - 26/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 22:56 Fiche Arrest nr 148.376 van 26 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.376 van 26 augustus 2005 in de zaak A. 165.358/VII-34.481 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat I. JANSSEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 23 augustus 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 augustus 2005 tot terug leiding naar de grens en tot vrijheidsberoving te dien einde en als voorlopige maatregel te vorderen dat de minister van Binnenlandse Zaken het verbod wordt opgelegd over te gaan tot gedwongen repatriëring voordat het verzoek tot schorsing van de beslissing van 27 juni 2005 zal zijn behandeld, op straffe van het betalen van een dwangsom van 100.000 euro; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 augustus 2005; VII-34.481-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. JANSSEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. Op 29 augustus 2003 diende de verzoekende partij een aanvraag tot machtiging tot verblijf in op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.
  3. Op 21 maart 2005 werd deze aanvraag verworpen door de minister van Binnenlandse Zaken. Op 8 juni 2005 werd deze beslissing ingetrokken en een nieuwe weigeringsbeslissing genomen, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 18 augustus 2005 nam de minister van Binnenlandse Zaken in uitvoering van zijn weigeringsbeslissing de beslissing tot terug leiding naar de grens en tot vrijheidsberoving te dien einde. Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel de volgende uiteenzetting geeft: VII-34.481-2/4 “Ter zake beveelt tegenpartij aan verzoeker om het grondgebied te verlaten. Op elk moment kan verzoeker fysiek van het grondgebied worden verwijderd. Deze verwijdering houdt een flagrante schending in van artikel 8 E.V.R.M., m.n. de eerbiediging van het recht op een privé-leven, Verzoeker heeft ingevolge zijn lang verblijf en zijn werk een uitgebreid sociaal netwerk opgebouwd daar waar hij al zijn banden met zijn land van herkomst heeft verloren. Daarnaast zal de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissingen er voor zorgen dat verzoeker het voordeel verliest van zijn aanvraag tot machtiging van verblijf, ingediend op basis van artikel 9, § 3 van de wet van 15 december
  7. De beslissing die verzoeker uitsluit van dit voordeel en waarop de uitvoeringsmaatregelen zijn gebaseerd is bovendien manifest onwettelijk. Verzoeker verblijft inmiddels meer dan vijf jaar in België. Hij heeft uitzonderlijke integratie-inspanningen gedaan inzake taal, opleiding en werk. Indien verzoeker zou verplicht worden gevolg te geven aan de aangevochte beslissing zouden alle integratie-inspanningen brutaal afgebroken worden. De kans dat verzoeker een gunstige beslissing mag verwachten zal dan erg klein zijn vermits hij ondertussen in het buitenland zal verblijven en niet meer zal kunnen verder werken aan zijn integratie hier in België.”; 2.
  8. Overwegende dat, daargelaten de vraag of deze uiteenzetting concreet genoeg is, het afbreken van een mogelijke integratie en tewerkstelling opgebouwd tijdens een feitelijk verblijf in België, in afwachting van een asielprocedure of van een regularisatieprocedure, geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt, aangezien dat feitelijk verblijf precair en gedurende een bepaalde periode zelfs illegaal was; dat verzoeker eveneens betoogt dat de ernst van het nadeel ook bekeken moet worden in het licht van de onwettigheid die in het verzoekschrift uiteengezet is; dat evenwel de twee grondvoorwaarden voor de schorsing een afzonderlijke beoordeling vereisen; dat trouwens verzoeker in zijn verzoekschrift ook geen concreet en rechtstreeks nadeel heeft geput uit de ernst van enige onwettigheid;
  9. Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden verworpen. Artikel
  11. VII-34.481-3/4 De kosten, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig augustus tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-34.481-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.